Glottogonie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De glottogonie (van het Grieks: glootta - "tong, spraak" en gon- "verwekken") of glottogenese is de tak van de taalwetenschap die zich bezighoudt met de studie van het ontstaan van taal.

Speculatief[bewerken]

De wetenschap ontstond aan het eind van de 20e eeuw en is nog vrij speculatief. Ze baseert zich op inzichten uit de archeologie, (historische) taalkunde en antropologie. Daarvoor zaten de opvattingen over het ontstaan der taal eerder in de mythologische sfeer, zoals het bijbelse verhaal over de toren van Babel, of de Afrikaanse mythen, opgetekend door Mineke Schipper.

Het taalvermogen is een van de belangrijkste eigenschappen die de mens onderscheiden van de andere dieren. Het is aannemelijk dat taal ontstaan is in de evolutie van de homo erectus naar de homo sapiens. Op taalkundig gebied zijn er daarvoor maar weinig materiële bronnen.

De vraag of ook dieren een taal hebben wordt niet eenduidig beantwoord. De taal van de paardenfluisteraar betreft een reeks standaard-uitdrukkingen als "lokroep" en "waarschuwen voor gevaar", die meer instinctieve reactiewijzen zijn dan door het subject gecreëerde taal. Daarbij lijken bewegingen, gebaren en houdingen minstens even belangrijk als klank.

De vraag of taal op één plaats is ontstaan blijft moeilijk te beantwoorden. Voorlopig houden de meeste wetenschappers het bij de stelling dat de huidige talen voortkomen uit één stamtaal, omdat ook de huidige menselijke populatie verondersteld wordt af te stammen van één gemeenschappelijke Oost-Afrikaanse voorvader. Geschreven taal is veel later ontstaan dan gesproken taal.

Antropologisch en archeologisch bewijs[bewerken]

Taal kan pas ontstaan als de menselijke vormgeving ver genoeg gevorderd is:

  • Het vocaal apparaat (het strottenhoofd, de mond, de tong, ... ) heeft zich pas echt kunnen ontwikkelen na het rechtop lopen, zo'n 2,5 miljoen jaar geleden.
  • De schedelinhoud, en meer bepaald de ontwikkeling van de "taalcentra" in de hersenen (centrum van Broca en het centrum van Wernicke). Sommige onderzoekers schatten op grond daarvan een "taalvermogen" mogelijk vanaf ca 1,5 miljoen jaar geleden, al is dat daarna nog verder geëvolueerd.
  • Zo wijzen metingen op neanderthaler-schedels uit dat deze nog niet zo goed uitgerust waren als die van de latere homo sapiens. Sommige wetenschappers, zoals Philip Lieberman, gaan zelfs zover te stellen dat het verdwijnen van de Neanderthalermens misschien het gevolg is van zijn gebrekkig taalvermogen, in vergelijking met zijn sapiens-concurrenten.
  • Echte taal, "denken en spreken", vergelijkbaar met wat wij daar in de 21ste eeuw onder verstaan, wordt dus gesitueerd rond 200.000 jaar geleden, toen de homo sapiens ontstond.

Zie ook[bewerken]

Externe bronnen[bewerken]