Grote Opdracht

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De Grote Opdracht, ook wel de Grote Zendingsopdracht of het zendingsbevel genoemd, is in de christelijke traditie de instructie van de opgestane Jezus Christus aan zijn discipelen dat zij het christelijk geloof moeten brengen aan de hele wereld. Dit gebod is de belangrijkste theologische basis voor de christelijke zending.

De meeste bekende versie van de Grote Opdracht is te vinden in het evangelie volgens Matteüs 28:16-20.

De elf leerlingen gingen naar Galilea, naar de berg waar Jezus hen had onderricht, en toen ze hem zagen bewezen ze hem eer, al twijfelden enkelen nog. Jezus kwam op hen toe en zei: 'Mij is alle macht gegeven, in de hemel en op aarde. Ga dus op weg en maak alle volken tot mijn leerlingen, door hen te dopen in de naam van de Vader, en de Zoon en de Heilige Geest, en hun te leren dat ze zich moeten houden aan alles wat ik jullie opgedragen heb. En houdt dit voor ogen: ik ben met jullie, alle dagen, tot aan de voltooiing van deze wereld. (NBV)

Andere versie van de Grote Opdracht zijn te vinden in Marcus 16:14-18, Lucas 24:44-49, Handelingen 1:4-8 en Johannes 20:19-23. Al deze passages bevatten woorden van Jezus na zijn opstanding.

Interpretatie[bewerken]

Het gebod van Jezus suggereert dat de volgelingen van Jezus de opdracht hebben om te gaan, te onderwijzen en te dopen. Hoewel Jezus zich alleen tot zijn elf apostelen richtte, interpreteert de christelijke theologie het als een opdracht aan alle christenen in elke tijd en op elke plaats, vooral omdat het een vervulling lijkt te zijn van Gods verbond met Abraham in Genesis 12:3.

Sommige commentatoren zetten de Grote Opdracht af tegen de Beperkte Opdracht in Matteüs 10:50 waarin Jezus zegt dat het evangelie alleen verkondigd mag worden aan de Joden, omdat hij is gekomen voor "de verloren schapen van Israël" (Matteüs 15:24).

Tekstcritici merken op dat het gedeelte van Marcus 16 waarin de Grote Opdracht wordt genoemd, niet voorkomt in twee van de oudste Griekse bijbelse handschriften, de Codex Vaticanus en de Codex Sinaiticus. De reactie daarop is in het algemeen dat dit niet heel belangrijk is, omdat wat Jezus zegt in Marcus ook voorkomt in ten minste drie andere Nieuwtestamentische gedeeltes, en dat het gedeelte in Marcus waar discussie over is voor het grootste deel in de kerkgeschiedenis heeft behoord tot de Canon van de Schrift.

Sommigen geloven dat de Grote Opdracht al is vervuld. Dat baseren ze op Marcus 16:20 waar staat: "En zij gingen op weg om overal het nieuws bekend te maken" en "het evangelie dat u gehoord hebt en dat aan alle schepselen onder de hemel verkondigd is" (Kolossenzen 1:23) en "Aan hem die bij machte is u kracht te geven, in overeenstemming met het evangelie van Jezus Christus dat ik verkondig, overeenkomstig de onthulling van het geheim waarover eeuwenlang gezwegen is, maar dat nu is geopenbaard en op bevel van de eeuwige God door de geschriften van de profeten bij alle volken bekend is geworden om ze tot gehoorzaamheid en geloof te brengen" (Romeinen 16:25-26).

Omdat de diverse versies van de Grote Opdracht licht van elkaar verschillen, zien de geleerden behorend tot de Historische Jezus-beweging de Grote Opdracht als een latere redactionele toevoeging in de tekst.