Insectenhotel

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Een insectenmuur in een botanische tuin

Een insectenhotel of insectenmuur is een constructie die onderdak kan bieden aan insecten. Het is een door de mens met natuurlijke materialen vormgegeven overlevingsplaats.[1]

Doel[bewerken]

Een speciaal geconstrueerde insectenschuilplaats dient vaak zowel een ecologisch als een milieueducatief doel. Met verschillende materialen geconstrueerde insectenhotels staan dikwijls in heemtuinen, ecologische tuinen en milieueducatiecentra. Insectenhotels zijn er meestal op gericht insecten te laten overwinteren. Hiervan maken met name lieveheersbeestjes en vlinders gebruik, naast solitaire bijen en solitaire wespen.

Telers van groenten en fruit plaatsen soms een insectenmuur om bestuivers aan te trekken.

Soorten insectenhotels[bewerken]

Een warme en beschutte plaats zoals voor een gevel of haag op het zuiden blijkt geliefd bij insecten. Ook stapels dood hout van bijvoorbeeld takkenwallen en -rillen zijn een geschikte schuilplaats voor veel insecten en andere kleine dieren.

Vorm en standplaats van een insectenhotel zijn bepalend voor welke insecten er gebruik van zullen maken. Een muurtje van los gestapelde stenen of oude dakpannen is ook voor veel kruipende dieren een goede plek. Stenen van verschillende samenstelling bevorderen de aantrekkelijkheid.

Speciaal geconstrueerde insectenhotels bestaan uit verschillende secties die zoveel mogelijk soorten een plek geven om te overwinteren. Naast houtblokken en stenen met boorgaten kunnen bamboe- of rietstengels, gebundeld of in een conservenblik gestoken, dienstdoen. Door holle stengels bij een knoop af te knippen ontstaan kokertjes met een gesloten achterzijde. Er worden vaak stengels van vlier, roos of braam bij gestoken omdat het merg ervan als voedsel kan dienen.

Hotelgasten[bewerken]

Bijen, wespen en hommels[bewerken]

Solitaire bijen, wespen en hommels leven niet in een volk zoals de honingbij met een koningin. Er zijn zowel mannetjes als vrouwtjes. Een bevrucht vrouwtje maakt een nestplaats in hout of steen (zoals de behangersbij en de muurwesp), maar er bestaan ook soorten die een hol in de grond maken (zandbij, graafwesp).

De beschermde behangersbij nestelt in diepe holtes in dood hout en in holle plantenstengels. Wanneer zij haar larven ter wereld brengt, snijdt ze met haar kaken ronde en ovale stukken van de kelkblaadjes van rozen, die zij gebruikt als bekleding voor de langwerpige gang, en tevens om de cellen voor de larven van elkaar te scheiden. Wanneer de gang vol is, sluit ze deze ook weer af met rozenblaadjes. Andere soorten zoals de metselbij doen dat met zand, klei of steentjes.

Vlinders[bewerken]

Vlinders die overwinteren zoeken graag beschutte plekjes zoals spleten in woningen en schuurtjes of tussen dubbele muren en in gevangen gebladerte. Ook zijn speciale vlinderkasten beschikbaar bij organisaties zoals de Vlinderstichting, voorzien van verticale spleten die als ingang dienen, rekening houdend met de gevoelige vleugels van de dieren.

Parasitaire insecten[bewerken]

Op insectenhotels zullen ook Parasitaire insecten af komen. Koekoeksbijen en sluipwespen leggen hun eitjes op die van de andere insecten waarna deze als voedsel voor de larven dienen.

Andere kruipers[bewerken]

Roofinsecten leven onder meer van de schadelijke bladluis. Oorwormen kan een plek worden geboden in fruitbomen door terracotta bloempotjes, gevuld met een prop stro of houtwol, omgekeerd op te hangen. Voor lieveheersbeestjes zijn kistjes bruikbaar die veel kleine ruimtes bij elkaar bieden, zij overwinteren graag in groepen. Pissebedden hebben nut als afvalopruimer in de tuin, ze zoeken ruime spleten tussen gestapelde stenen of dakpannen om te nestelen of te schuilen.

Zie ook[bewerken]

Noten

  1. Een vakterm is hibernaculum of hibernarium, afgeleid van het Latijnse “hibernāre” (= overwinteren).

Bronnen