Jan van Swieten

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Jan van Swieten
Generaal J. van Swieten
Generaal J. van Swieten
Geboren 28 mei 1807
Mainz
Overleden 19 september 1888
Den Haag
Land/partij Flag of the Netherlands.svg Koninkrijk der Nederlanden
Onderdeel commandant van het Nederlands Indische leger
Dienstjaren 1858-1862
Rang Luitenant-generaal
Slagen/oorlogen onder meer Belgische opstand, Derde Bali-expeditie, tweede expeditie naar Atjeh
Onderscheidingen onder meer Grootkruis in de Militaire Willems-Orde
Portaal  Portaalicoon   KNIL

Johannes (Jan) van Swieten (Mainz, 28 mei 1807Den Haag, 9 september 1888) was een Nederlands generaal, politicus en publicist, onder meer commandant van het Nederlands-Indisch leger.

Loopbaan[bewerken]

Van Swieten, zoon van kolonel van de Generale Staf Johannes van Swieten, trad op 10 april 1821 als volontair in militaire dienst bij de zeventiende afdeling infanterie van het Nederlandse leger en werd aangesteld als cadet (23 april 1822). Op 26 augustus 1824 werd hij benoemd tot tweede luitenant bij de zeventiende afdeling infanterie. Toen Diepo Negoro Java in opstand had gebracht en prins Frederik der Nederlanden als Commissaris-Generaal van Oorlog aan zijn vader, Koning Willem I, had voorgesteld om een expeditionaire afdeling naar Oost-Indië te zenden, werd Van Swieten daarbij geplaatst (26 november 1826). Op 18 januari daarop volgend vertrok hij uit Middelburg met het koopvaardijschip Middelburg en kwam op 4 juni 1827 aan. Hij nam deel aan de veldtochten van 1827, 1828 en 1829 en wist zich zo gunstig te onderscheiden, dat hij al op 22 november 1828 werd benoemd tot ridder in de Militaire Willems-Orde; later verkreeg hij ook de Java-medaille (24 februari 1832). Hij maakte deel uit van de Indische brigade (niet te verwarren met de Indiaansche Brigade), samengesteld uit 3.134 vrijwilligers, die zich slechts voor twee jaar dienst in Indië hadden verbonden, en die meer dan twee derde van haar sterkte verloor. Van Swieten verkreeg reeds in 1829 aanspraak om naar Nederland terug te keren, maar hij bleef voorlopig nog op Java. Na het einde van de Java-oorlog en de ontbinding van de expeditionaire afdeling keerde hij, een jaar daarvoor bevorderd tot eerste luitenant (27 augustus 1829), naar het moederland terug. Zuid-Nederland was toen net in verzet gekomen tegen het gezag van de Koning; Van Swieten werd aanvankelijk ingedeeld bij de eerste afdeling infanterie (25 augustus 1830), te Antwerpen in garnizoen, en na de ontbinding hiervan, bij de twaalfde afdeling (12 november 1830), die na reorganisatie in 1831 werd ingedeeld bij de divisie Saksen-Weimar. Hij nam van 1830 tot 1832 deel aan de strijd te Antwerpen, te Lier, te Maastricht en elders, waarvoor hij werd gedecoreerd met het Metalen Kruis (5 april 1832). Gedurende de jaren 1832-1834 was Van Swieten werkzaam in de kantonnementen van Noord-Brabant.

Nederlands-Indië[bewerken]

Generaal van Swieten.

Sumatra[bewerken]

Van Swieten maakte gebruik van het vertrek van de jagers van Cleerens naar Indië om zijn overplaatsing bij dit corps aan te vragen; hij vertrok op 29 mei 1835 andermaal naar Java. Opvolgend doorliep van Swieten de hogere officiersrangen: kapitein bij het bataljon jagers nr. 9 op 6 november 1835, majoor bij het 12-de bataljon infanterie op 9 juli 1841, en in die rang achtereenvolgens overgeplaatst bij het 9de, het 11de en het 6-de bataljon. Op 14 september 1844 werd hij, op Sumatra's Westkust, waar hij twee jaar tevoren naar was overgeplaatst, bevorderd bij het 1ste, daarna bij het 4de en 13de bataljon. In 1844 en 1845 nam hij daarmee met luitenant-kolonel Sutherland deel aan de veldtocht tegen de III Kota's, die de aansluiting van Alahan Pandjang, het landschap Soengei Pagoe en de XII Kota's bij het koloniale gebied van Nederland tot gevolg had. Met een macht van drie compagnieën infanterie, een handmortier en 1.000 man aan Maleisische troepen marcheerde hij (7 januari 1845) van Solok naar Selimpat, opereerde met grote voortvarendheid in een uiterst moeilijk terrein, veroverde Padang-Beboengo, de daarvóór gelegen versterkte linie en de stelling vóór Rankia-Loeloes. Na talrijke moeilijkheden te hebben overwonnen, voltooide Van Swieten zo het werk der onderwerping van de XII Kota's. Generaal Michiels rapporteerde loffelijk over hem, maar sprak hem niet vrij van optimistische inzichten; hij werd op 6 december 1846 benoemd tot officier in de Militaire Willems-Orde; kort tevoren had hij het Onderscheidingsteken voor Langdurige Dienst als officier in Nederlandse dienst verworven (12 februari 1846).

Bali[bewerken]

Van Swieten aan het hoofd van zijn troepen

In 1848 werd Van Swieten benoemd tot chef van de staf (besluit van de gouverneur-generaal van 17 maart 1848) bij de tweede expeditie naar Bali. Na de noodlottige afloop van deze expeditie maakte hij, op last van de expeditie-commandant, jonkheer van der Wijck, een verslag van de veldtocht, welke tot zijn rechtvaardiging, in 1849, werd uitgegeven. Van Swieten ging in het verslag nader in op het falen der regering, die de mislukking der tweede expeditie weet aan zijn aanvoerder. Zijn betoog was gericht tegen het bewind, dat volgens velen uitsluitend de schuld droeg van de offers in geld en bloed, in zoverre men zich, na de beëindiging van de eerste Balische expeditie in 1846, door de vijand met valse beloften had laten paaien en hem vervolgens tweeënhalve maand tijd had gegeven om zich duchtig te versterken. De chefs van Van Swieten waren dermate tevreden over hem dat de resident van Bagelen, binnen wiens residentie mevrouw van Swieten verblijf hield, van gouverneur-generaal Rochussen last ontving, een statige visite bij haar af te leggen, om haar, namens Zijne Excellentie, de hoge prijs te betuigen, die de gouverneur-generaal op Van Swieten stelde. Bij het begin van de derde expeditie naar Bali commandeerde Van Swieten het 13de bataljon infanterie. Terwijl aan overste de Brauw werd opgedragen om met het 7de bataljon, twee Coehoorn-mortieren en 20 sappeurs de linkervleugel van de vijand aan te tasten, moesten het 13de en het 5de bataljon, de zesponder batterij en de hulptroepen de vijandelijke stelling vóór Djagara in front aanvallen. Aldaar doorstond het 13de bataljon tegen de zogenaamde grote benting, een ver vooruitspringend werk op een terrein, dat niet de minste dekking aanbood, zulk hevig vuur, dat binnen de kortste tijd een zevende der sterkte geveld was. Terwijl luitenant van Swieten en Prager en 18 minderen de heldendood stierven, werden alleen al van dat bataljon gewond: majoor Sorg, de kapiteins Vorstenbosch, Reiger en Crena, de luitenants Rouveroy, Munter, Fritzen en Donleben en 85 minderen. De toenmalige luitenant, later generaal-majoor en Minister van Oorlog Booms beschreef genoemde toestand in zijn werk Précis des expéditions contre Bali. Terwijl het 13de bataljon op de 15de april 1849 de hiervoor genoemde verliezen leed vond Van Swieten de dag erop opnieuw gelegenheid zich te onderscheiden. Toen het 7de bataljon onder overste de Brauw in de rug van de vijand was gekomen en Van Swieten in die richting hoorde vuren trad hij, aangezien op dat moment de expeditiecommandant te Sangsit vertoefde, als bevelhebber op en gelastte aan drie compagnieën van het 5de bataljon, zich op de rechtervleugel van de vijand te werpen, met het gevolg, dat de Balinezen, tegelijk in front en in de rug bedreigd, hun stelling opgaven. Naast overste de Brauw, die de gevaarlijke omtrekkende beweging had volbracht, was de overmeestering van het sterke Djagara vooral aan Van Swieten te danken. Na de verovering van Djagara, gelegen in Beliling, was Klonkong aan de beurt; de troepen werden opnieuw ingescheept en vertrokken naar Laboean-Amok, een plaatsje gelegen in Karang-Assam, nabij de zuidoostelijke hoek van Klonpong. Toen men echter eenmaal in Karang-Assam was ontscheept, veranderden de omstandigheden zodanig, dat de wapens het eerst tegen dat rijk werden gevoerd. Pas daarna namen de operaties tegen Klongkong een aanvang, gedurende welke strijd, bij een nachtelijke aanval der Balinezen op het hun de vorige dag ontnomen Kasoemba, generaal Michels dodelijk gewond werd.

Het 7de bataljon op Bali.

Het was toen, dat Van Swieten het opperbevel der expeditionaire troepen op zich nam; zijn benoeming tot commandant van de troepen van de landmacht volgde op 3 juni 1849. Na de dood van generaal Michiels werd de aanvaarding van het opperbevel door geen enkele autoriteit aan Van Swieten betwist, hoewel er bij het expeditionaire kader een vice-admiraal en vier kapiteins- ter-zee aanwezig waren, onder wie kapitein-ter-zee Bouricius, die zich op dat ogenblik met een bataljon der landingsdivisie aan de wal bevond. Wel had Van Swieten Bouricius het opperbevel aangeboden, maar deze weigerde het, onder toevoeging dat het bevel bij Van Swieten in goede handen was. Op 15 juli 1849 had te Bali-Badong de plechtigheid plaats waarbij Van Swieten de Balische vorsten ontving en van dezen de schriftelijke verbintenis verkreeg dat Bali voortaan de Nederlandse Koning als soeverein zou erkennen, zowel ter land als ter zee.

Gouverneur van Sumatra's westkust[bewerken]

Na afloop van de Balische oorlogen (9 augustus 1849) werd van Swieten, aan wie reeds bij besluit van de gouverneur-generaal de rang van kolonel was toegekend, bij Koninklijk Besluit van 13 oktober tot die rang buitengewoon bevorderd als blijk van tevredenheid van de Koning. Enkele maanden daarna benoemde de Koning hem tot ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw (11 december 1849). In zijn nieuwe rang stelde het Indische bestuur hem werkzaam als civiel- en militair gouverneur van Sumatra's westkust, welk gewest hij negen jaar bestuurde. Op 6 oktober 1853 werd Van Swieten benoemd tot generaal-majoor en op 10 juni 1856 benoemd tot adjudant van de Koning in buitengewone dienst. In 1857 gaf de regering opdracht tot het sluiten van een traktaat met de sultan van Atjeh; bij het Londens traktaat van 1824, ten gevolge waarvan Nederland zijn bezittingen op Malakka aan Engeland schonk en deze ten behoeve van Nederland afstand deed van zijn bezittingen op Sumatra verbond de Nederlandse regering zich om de onafhankelijkheid van Atjeh te ontzien. Dit nam niet weg dat vreemde mogendheden herhaaldelijk bij het Nederlandse bestuur ernstige en rechtmatige klachten inbrachten, wanneer de Atjehnezen naar oude gewoonte een of ander schip hadden geplunderd of uitgemoord, een toestand die bij de verbintenis om de onafhankelijkheid van Atjeh te eerbiedigen, op den duur onhoudbaar werd voor Nederland. Men bedacht het volgende erop: Nederland had zich wel verantwoordelijk gesteld voor de veiligheid der Atjehnese wateren, maar Atjeh had zich niet verbonden, om die veiligheid te waarborgen. Nederland kon derhalve zijn vertogen, om Atjeh te laten afzien van roof en moord, enkel steunen door redenen van zedelijke aard, door een beroep te doen op gronden van menselijkheid, beschaving en algemeen belang, aanspraken echter die in een land als Atjeh weinig of geen weerklank vonden. Slaagde Nederland erin, om de sultan van Atjeh te bewegen tot een overeenkomst, waarbij hij zich vrijwillig verbond om de beginselen van het Londense traktaat te eerbiedigen, dan zou de door Nederland aanvaarde taak beter uitvoerbaar worden. Nederland zou dan wellicht met gunstiger gevolg de veiligheid kunnen eisen die men tot dan toe vergeefs had moeten vragen. De Indische regering besloot tot dit middel haar toevlucht te nemen en benoemde in 1857 Van Swieten om zich naar Atjeh te begeven en een traktaat met de sultan te sluiten. Op 30 maart 1857 bezocht deze de sultan in de Kraton; de sultan opperde allerlei bedenkingen tegen de ondertekening van het traktaat en eindigde met een formele weigering. Uiteindelijk ontving Van Swieten uit handen van een der rijksgroten - dienstdoende als hofmaarschalk - het Atjeh-traktaat, met de handtekening en het zegel der sultan bekrachtigd.

Commandant van het Nederlands-Indische leger[bewerken]

Ziekensloep op de Atjeh-rivier in 1874.

Op 9 juni 1858 werd Van Swieten benoemd tot luitenant-generaal en trad hij op als commandant van het Indische leger (6 oktober 1858). Gedurende het vierjarige tijdperk van zijn legerbevel vielen onder meer voor de krijgstochten tegen de Redjang, tegen de misdadigers van Beliling en de dweepzieke priesters van Krawang. Hij werd bij Gouvernements Besluit van 20 september 1859 benoemd tot commandant en chef der tweede Boni-expeditie, tevens commissaris voor de leiding der politieke zaken tot de vereffening der geschillen met Boni en al wat daarmee in verband stond. Van Swieten onttroonde de weerspannige Koningin, voegde belangrijke gewesten toe aan de Nederlandse bezittingen en maakte van Boni een leenstaat. Na de tweede Bonische-oorlog benoemde de Koning hem, als beloning voor bewezen diensten, tot commandeur in de Militaire Willems-Orde (19 februari 1860). Hierna bedwong hij onder meer een muiterij onder Europese vreemde soldaten te Semarang. In 1862 legde Van Swieten het opperbevel van het Indische leger neer en vroeg ontslag uit de dienst van het land, aan welk verzoek op 4 maart 1862 werd voldaan. Van Swieten vestigde zich aanvankelijk te Arnhem, later te Den Haag, en werd in 1864 achtereenvolgens benoemd tot Staatsraad in buitengewone dienst (16 februari), tot gouvernements-commissaris bij de Nederlands-Indische Spoorweg Maatschappij (29 februari) en tot lid van de commissie tot het inspecteren van het Koloniaal Militair Invalidenhuis (1 september). Amsterdam vaardigde hem in juni af naar de Tweede Kamer der Staten-Generaal; in 1868 bedankte hij voor een nieuwe kandidatuur. Als buitengewoon lid van de Raad van State heeft hij grote invloed uitgeoefend op de afschaffing der straf van rietslagen bij de korpsen in Indië, in strijd met de adviezen van de generaals Andresen en Kroesen, en op de oprichting van strafdetachementen in Nederlands Indië.

Atjeh-oorlog[bewerken]

Bij het traktaat, in 1859 met de sultan gesloten, had men wederzijds beloofd alle eerdere geschillen en twisten als vernietigd te beschouwen, terwijl men voortaan in vrede en vriendschap zou leven en te samen met alle beschikbare middelen waken tegen zee- strand- en mensenroof. Reeds acht jaar later maakte het waarnemend hoofd van Kloewang, een vazal van de sultan, zich meester van twee Nederlandse koopvaardijschepen. Elk verzoek om schadeloosstelling bleef zonder gevolg: de Atjehnezen zagen daarin een bewijs van zwakheid en veroorloofden zich telkens inbreuken op het traktaat. De roof nam steeds toe; vooral Nias, een eiland dat tot de Nederlandse bezitingen behoorde, was het toneel van mensenroof. Nederland moest twee expedities daarheen sturen om de Atjehnezen te verjagen en was verplicht door oorlogsschepen de bevolking van dat eiland tegen de roofzucht der Atjehnezen te beschermen. Niet alleen Nederland maar ook Engeland had meer en meer van de zeeroof te lijden, zo erg zelfs dat de gouverneur van Malakka twee maal een proclamatie uitvaardigde om de Britse handelaren te waarschuwen tegen de roofzucht der Atjehnezen, daarbij voegend dat het Engelse gouvernement niets aan de zaak kon veranderen, aangezien de Nederlandse regering de taak om voor de veiligheid te zorgen op zich genomen had. Er ontstond bij de Britse kooplieden te Penang en te Singapore grote ontevredenheid over die toestand; zij drongen met kracht aan op de tussenkomst van Engeland omdat volgens hun bewering Nederland te zwak was om de veiligheid op zee te kunnen garanderen. Aan die toestand moest een einde komen; of Nederland moest ontslagen worden van de voogdij over Atjeh of de macht hebben dat rijk zo nodig met geweld te dwingen om de zeeroof achterwege te laten.

Stoombarkas op een rivier op Sumatra.

Het Sumatra-traktaat van 2 november 1871, met Engeland gesloten, scheen een goede oplossing te zijn; hierin werd bepaald dat Engeland afzag van alle vertogen tegen uitbreiding van het Nederlandse gezag op Sumatra, met andere woorden, dat Nederland Atjeh aan zijn gezag mocht onderwerpen. Op 26 maart 1873 verklaarde de vicepresident van de Raad van Nederlands Indië Nieuwenhuijzen als regeringscommissaris, namens de regering van Nederlands Indië, Atjeh de oorlog. Op 5 april daarop volgend kwam de Nederlandse krijgsmacht, onder leiding van generaal Köhler te Atjeh aan; nadat deze was gesneuveld werd het bevel overgenomen door kolonel van Daalen en werd, door enorme verliezen, onvoldoende strijdmiddelen en de invallende westmoesson, besloten tot de terugkeer naar Java. Er werden te Batavia nu voorbereidingen getroffen voor een tweede expeditie; gouverneur-generaal Loudon verzocht Minister van Koloniën Fransen van der Putte Van Swieten (met passering van actief dienende opperofficieren) te belasten met het opperbevel. Hij werd op 11 juni 1873 weer in activiteit hersteld en ter beschikking gesteld van de gouverneur-generaal van Nederlands Indië, om in de hoedanigheid van civiel regeringscommissaris en militair opperbevelhebber te worden belast met de militaire operaties tegen het Rijk van Atjeh. Van Swieten ging op 20 juli 1873, met zijn adjudant Marinkelle, te Marseille scheep aan boord van de Ava van de Messageries Maritiemes, scheepte zich op 20 november 1873 in ter rede van Batavia naar de westkust van Sumatra en liet een brigade achter te Padang. Op 24 januari 1874 veroverden de troepen de Kraton van de sultan en achtte Van Swieten de strijd gewonnen. Hij liet op 25 en 26 april de hoofdmacht zich weer inschepen (en liet een kleine bezettingsmacht onder leiding van kolonel Pel te Atjeh achter) en keerde met deze naar Java terug. Enige kleinere staten op de west- en noordkust hadden zich onderworpen maar vele aanzienlijke gewesten zetten met Groot-Atjeh de strijd gewoon voort. Van Swieten werd op 18 juli 1874 door de gouverneur-generaal op eervolle wijze van zijn functie ontheven (ingang september 1874). De Koning benoemde hem op 12 mei 1874 tot grootkruis der Militaire Willems-Orde. Wat men hem, op grond van wat later is gebleken, terecht kon verwijten was dat hij, als in eerdere jaren op West-Sumatra, al te optimistisch gestemd was geweest met betrekking tot het verloop van de oorlog. Dit bleek bij zijn vertrek uit Kota Radja (de Kraton) door het achterlaten van te weinig troepen, het te vroeg wegzenden van het achterlaadgeschut van 12 cm., zodat alleen licht voorlaadgeschut overbleef, en dergelijke. Evenmin viel het te ontkennen, dat hij als krijgsoverste, overdreef door Europese oorlogsgebruiken te eerbiedigen tegen de strijdlustige Atjehnees, wiens fanatisme onvatbaar bleek voor gevoelens van liefde en vriendschap en die zijn eeuwenoude vrijheid met volharding, enkel door kogels en klewanghouwen wenste te verdedigen. Van Swieten overleed op 9 september 1888 en werd begraven op Oud Eik en Duinen. Zijn broer was Frederic Henri Louis van Swieten.

De Papieren Oorlog[bewerken]

In latere jaren werd het optreden van Van Swieten gedurende de tweede expeditie fel bekritiseerd, onder meer door kapitein Borel. Naar aanleiding van diens boek Onze Vestiging in Atjeh, een aanklacht tegen het leiderschap van Van Swieten tijdens de tweede expeditie, schreef Van Swieten De Waarheid over onze vestiging in Atjeh, zijn verdediging; dit boek bevatte tevens persoonlijke aanvallen op luitenant-generaal Verspyck, die als tweede bevelhebber deelgenomen had aan de expeditie en als opperbevelhebber gepasseerd was voor Van Swieten, en op gouvernements-commissaris Nieuwenhuijzen. Daarnaast twijfelde Van Swieten in zijn boek openlijk aan de professionaliteit van Borel, die als kapitein der artillerie deel had genomen aan de tweede expeditie. Door de aard van Van Swietens beschuldigingen, hij schuwde termen als onbevoegd tot oordelen niet, en verweet Borel namens Verspyck te schrijven, voelden Nieuwenhuijzen, Borel, Jeekel (oud-marine officier die zich in deze strijd gemengd had) en Verspyck zich genoodzaakt een persoonlijk verweer te schrijven. Van Swieten ging zelfs zo ver dat hij generaal Booms als waanzinnig beschreef toen deze gepensioneerde generaal kritiek op de leiding van de tweede expeditie leverde en de expeditie als gedeeltelijk mislukt aanmerkte. Van Swietens aanvallen waren erg op de persoon gericht en veelvuldig beriep hij zich op de hogere krijgskunst, die zijn opponenten niet zouden begrijpen. Hij zag zichzelf als een aanhanger van het humaniteits-principe en was onder andere tegen het platbranden van kampongs en voor het aanknopen van nauwe banden met de inlandse hoofden. Hij dreef veel van zijn ondergeschikten, die vonden dat een oorlog eerst gewonnen moest worden voor hij als beëindigd kon worden verklaard, tot wanhoop. Niet in de laatste plaats omdat zij, Verspyck, Borel en anderen, neergezet werden als barbaren die niets liever zouden willen dan dorpen platbombarderen en uitmoorden. Ook het langzame tempo dat Van Swieten aanhield tijdens de tweede expeditie en de weigering zijn volledige troepenmacht in te zetten leidde tot veel kritiek. De stroom van documenten over en weer werd de papieren oorlog genoemd. De documenten waren niet alleen voor of tegen Van Swieten gericht maar gingen ook over de rol van gouverneur-generaal Loudon, zijn beslissing om de oorlog aan Atjeh te verklaren en zijn beslissing om een reeds gepensioneerde generaal terug te roepen op zo'n belangrijke post en daarvoor andere, actief dienende officieren te passeren.

Documenten in de papieren oorlog[bewerken]

Veroverde mesigit (moskee) te Atjeh

Documenten in de papieren oorlog zijn onder meer:

  • 1874. J.I. de Rochemont. Onze oorlog met Atsjin.
  • 1875. I.C. van Lier. Mr. J. Loudon en zijn bestuur. Batavia. Bruining en Wijt
  • 1875. J.I. de Rochemont. Loudon en Atsjin.
  • 1875. G.P. Booms. Over de eerste expeditie tegen Atjeh. A. van Hoogstraten
  • 1876. J.I. de Rochemont. Onze Vestiging in het Rijk van Atsjin. Een Volksvoorlezing. Haarlem. H.M. van Dorp
  • 1878. G.F.W. Borel. Onze vestiging in Atjeh. Critisch beschreven. D.A. Thieme
  • 1879. F.N. Nieuwenhuijzen. Een woord over "De Waarheid" van generaal Van Swieten. D.A. Thieme.
  • 1879. C.A. Jeekel. Eenige beschouwingen over "De Waarheid over onze vestiging in Athjeh van den luitenant-generaal J. van Swieten. H. J. Stemberg.
  • 1879. H.A.A.Niclou. Open brieven aan den heer G.F.W. Borel naar aanleiding van zijn boek Onze Vestiging in Atjeh (overgedrukt uit de Locomotief). De Groot, Kolff en Co
  • 1880. G.F.W. Borel. Drogredenen zijn geen waarheid. Naar aanleiding van het werk van den Luitenant-Generaal Van Swieten over onze vestiging in Atjeh. Henri J. Stemberg
  • 1880. G.M. Verspyck. Generaal van Swieten en de Waarheid. Henri J. Stemberg

Citaat[bewerken]

Aanhalingsteken openen

En gij, Generaal! gij die van Atjeh niets gezien en niets ondervonden hebt, gij durft hen beschuldigen van eenzijdigheid, partijdigheid, onmenskundigheid, onwaarheid! Gij durft mij verwijten, dat ik aandacht schenk, dat ik waarde hecht, aan die beëdigde getuigenissen, vergezeld van officiële rapporten en verslagen! Generaal! Waar blijft uw hart? Gij waart waanzinnig toen gij durfde schrijven, om het door een dagblad den volke te geven: Ik meen dat ik om op de hoogte te komen meer heb gedaan dan wie ook, Generaal van Swieten niet uitgezonderd. En als gij toen niet waanzinnig waart, welnu, generaal! schaam u dan. Ik heb de eer te zijn, J. van Swieten

Aanhalingsteken sluiten

Uit: 1879. Open Brief van Generaal J. van Swieten aan Generaal P.G. Booms.

Biografie van werken van Van Swieten[bewerken]

Rede te Oeleh Leh, Atjeh.
  • 1849 Krijgsverrigtingen tegen het eiland Balie in 1848.
  • 1863 Over het grondbezit ter Sumatra's Westkust.
  • 1869 Java, hoe het te verdedigen tegen een Europeeschen vijand?
  • 1878 De agressieve politiek in Atjeh.
  • 1879. De waarheid over onze vestiging in Atjeh.
  • 1879. Open Brief van Generaal J. van Swieten aan Generaal P.G. Booms.
  • 1880. De luitenant-generaal J. van Swieten contra den luitenant generaal G.M. Verspyck.
Bronnen, noten en/of referenties
Voorganger:
F.V.H.A. de Stuers
Commandant van het KNIL
1858 - 1862
Opvolger:
C.P. Schimpf
Gouverneur van Atjeh
1874-1874
Opvolger:
J.L.J.H. Pel