Leroy Anderson

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Leroy Anderson (Cambridge (Massachusetts), 29 juni 1908Woodbury (Connecticut) 18 mei 1975) was een Amerikaans componist. Alhoewel hij een klassieke opleiding volgde, werd hij - volgens John Williams - een meester in de lichte muziek. Zijn bekendste werk is The Typewriter, een compositie voor orkest waarin hij het ritme van de typemachine verwerkte.

Biografie[bewerken]

Leroy (met de klemtoon op de laatste lettergreep) wordt geboren in een familie van Zweedse komaf. Zijn moeder, zelf organiste, vormde de basis van zijn muzikale carrière door hem pianolessen te geven. Hij ging later piano studeren aan het New England Conservatory of Music in Boston. In 1926 ging Anderson uiteindelijk studeren aan Harvard en kreeg daar opleiding van Walter Spalding in muziektheorie, contrapunt bij Edward Ballantine, harmonie bij George Enescu, compositie bij Walter Piston, orgel bij Henry Gideon, en contrabas bij Gaston Dufresne van het Boston Symphony Orchestra.[1] In 1929 werd hij Bachelor en in 1930 studeerde hij af als Master of Arts.

Naast muziek had Anderson interesse in taal, hij ging verder studeren: Germaanse en Scandinavische talen Zweeds, Deens, Noors, IJslands en Oudnoords. Hij bleek een talenknobbel te hebben want later bleek Anderson vloeiend Engels, Noors, IJslands, Frans, Italiaans en Portugees te spreken.[1] Gedurende zijn verblijf aan de universiteit begon dat zijn loopbaan buiten schooltijd. Hij was organist bij de universiteit, leider van het koor en het universiteitsorkest. Hij dirigeerde en arrangeerde ook voor andere orkesten / ensembles in de omgeving van met name Boston. Zijn talent voor de laatstgenoemde kwam onder de aandacht van Arthur Fiedler, die hem eigen composities vroeg. Dat werd Jazz Pizzicato (1938). Dat was niet voldoende en Anderson schreef daarom Jazz Legato (1939) als aanvulling.

In 1942 ging Anderson in het Amerikaanse leger en werd gestationeerd op IJsland als vertaler en tolk. Later kwam hij terecht in het Pentagon (1945) als leider van de Inlichtingendienst afdeling Scandinavië. Ondertussen ging hij door met componeren met als tijdelijk hoogtepunt The Syncopated Clock. Hij werd nog opgeroepen voor de Koreaanse Oorlog, hij was reserve-officier. In 1951 kwam de compositie Blue Tango van hem in de hitlijsten; het kwam tot nummer 1 in de Billboard-lijst.

Zijn composities spraken vele mensen aan. Na Blue Tango volgden evergreens als Sleigh Ride. Ook heden ten dage herkennen veel mensen direct zijn werk. Zijn composities dienden als herkenningstune van diverse radioprogramma's.

Anderson, een uiterst perfectionist, probeerde een klassiek pianoconcert te publiceren (1953) maar bleef er ontevreden over en trok het weer terug. Als het in 1988 wordt herontdekt, wordt het wel gepubliceerd en belandde op de lessenaar van het Cincinnati Pops Orchestra onder leiding van Erich Kunzel. Opnamen volgen, ook later nog.

Een misstap in de carrière van Anderson vormt het genre musical. Hij componeerde slechts één musical, Goldilocks (1958), hetgeen een organisatorische ramp werd. Hij schreef daarna geen musicals meer. Daarna volgden het eerder genoemde The Typerwriter, Bugler’s Holiday (een virtuoos werkje voor bugels) en A Trumpeter's Lullaby, destijds klassiekers binnen het genre en ook nu nog regelmatig uitgevoerd door beroeps- en amateurorkesten.

Anderson stond tot zijn dood regelmatig voor het Boston Pops Orchestra waarmee hij concerteerde en elpees opnam. Sommige albums uit het eind van de jaren 50 begin jaren 60 waren dermate populair dat er compact discs van volgden.

Zijn bijdragen aan de populaire muziek zijn niet vergeten. Hij heeft een ster aan de Hollywood Walk of Fame en werd postuum opgenomen in de Songwriters Hall of Fame in 1988. Zijn muziek heeft in het repertoire van populair-klassieke orkesten een vaste plaats veroverd.

Hoe populair hij ook is, zijn muziek was tot voor kort maar mondjesmaat te verkrijgen. Men moest het doen met oorspronkelijke opnamen. In 2008 begon het platenlabel Naxos aan een (voorlopig) vijfdelige reeks gewijd aan zijn muziek.

Oeuvre[bewerken]

  • Alma Mater (1954)
  • Arietta (1962)
  • Balladette (1962)
  • Belle of the Ball (1951)
  • Birthday Party (1970)
  • Blue Tango (1951)
  • Bugler's Holiday (1954)
  • Cambridge Centennial March of Industry (1946)
  • The Captains and the Kings (1962)
  • Chatterbox (1966)
  • Chicken Reel (1946)
  • China Doll (1951)
  • A Christmas Festival (1950) (9:00)
  • A Christmas Festival (1952) (5:45)
  • Clarinet Candy (1962)
  • Classical Jukebox (1950)
  • Concerto in C Major for Piano and Orchestra (Pianoconcert in C groot) (1953)
  • The Cowboy and His Horse (1966)
  • Do You Think That Love Is Here To Stay? (1935)
  • Easter Song (194-)
  • Fiddle Faddle (1947)
  • The First Day of Spring (1954)
  • Forgotten Dreams (1954)
  • The Girl in Satin (1953)
  • The Golden Years (1962)
  • Goldilocks
    • Goldilocks Overture (1958)
    • Come to Me (1958)
    • Guess Who (1958)
    • Heart of Stone (Pyramid Dance) (1958)
    • He'll Never Stray (1958)
    • Hello (1958)
    • If I Can't Take it With Me (1958)
    • I Never Know When to Say When (1958)
    • Lady in Waiting (1958)
    • Lazy Moon (1958)
    • Little Girls (1958)
    • My Last Spring (1958)
    • Save a Kiss (1958)
    • Shall I Take My Heart and Go? (1958)
    • Tag-a-long Kid (1958)
    • The Pussy Foot (1958)
    • Town House Maxixe (1958)
    • Who's Been Sitting in My Chair ? (1958)
  • Governor Bradford March (1948)
  • Harvard Fantasy (1936)
  • Hens and Chickens (1966)
  • Home Stretch (1962)
  • Horse and Buggy (1951)
  • The Irish Suite (1947 & 1949)
    • The Irish Washerwoman (1947)
    • The Minstrel Boy (1947)
    • The Rakes of Mallow (1947)
    • The Wearing of the Green (1949)
    • The Last Rose of Summer (1947)
    • The Girl I Left Behind Me (1949)
  • Jazz Legato (1938)
  • Jazz Pizzicato (1938)
  • Love May Come and Love May Go (1935)
  • Lullaby of the Drums (1970)
  • March of the Two Left Feet (1970)
  • Melody on Two Notes (1966)
  • Mother's Whistler (1940)
  • The Music in My Heart (1935)
  • An Old Fashioned Song (196-)
  • Old MacDonald Had a Farm (1947)
  • The Penny Whistle Song (1951)
  • The Phantom Regiment (1951)
  • Piece for Rolf (1961)
  • Plink, Plank, Plunk! (1951)
  • Promenade (1945)
  • Sandpaper Ballet (1954)
  • Saraband (1948)
  • Scottish Suite (1954)
    • The Bluebells of Scotland
    • Turn Ye To Me
  • Second Regiment Connecticut National Guard March (1973)
  • Serenata (1947)
  • Sleigh Ride (1948)
  • Song of Jupiter (1951)
  • Song of the Bells (1953)
  • Suite of Carols (Strings) (1955)
  • Suite of Carols (Brass) (1955)
  • Suite of Carols (Woodwinds) (1955)
  • Summer Skies (1953)
  • The Syncopated Clock (1945)
  • Ticonderoga March (1939)
  • To a Wild Rose (1970) (gebaseerd op het lied van Edward MacDowell)
  • A Trumpeter's Lullaby (1949)
  • The Typewriter (1950)
  • You Can Always Tell a Harvard Man (1962)
  • Waltz Around the Scale (1970)
  • The Waltzing Cat (1950)
  • Wedding March for Jane and Peter (1972)
  • What's the Use of Love? (1935)
  • The Whistling Kettle (1966)
  • Woodbury Fanfare (1959)

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. a b [1]"Officiële Biografie van Leroy Anderson" Nederlands