Louis de Geer (ondernemer)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Louis de Geer door David Beck
Gravure door Jeremias Falck
Het woonhuis van Louis de Geer

Louis de Geer (Luik, 1587Amsterdam of Dordrecht, 1652) was de grote kanonnenproducent voor de protestantse zaak in Duitsland, maar ook voor de Nederlandse admiraliteit en de VOC en WIC. Hij introduceerde de Waalse hoogoven in Zweden en bouwde in dat land het eerste grootschalige bedrijvencomplex op. Hij was een zwager van Pieter Corneliszoon Hooft en Jacob en Elias Trip. De adellijke familie De Geer, is door de geschiedenis en tot de dag van vandaag vooraanstaand in zowel Nederland als Zweden. Twee afstammelingen waren premier van Zweden, een afstammeling was premier van Nederland, ook programmamaker Ursul de Geer is een afstammeling.

Biografie[bewerken]

Louis de Geer was afkomstig uit Luik, vanouds een centrum voor ijzerertswinning. Hij vestigde zich als koperslager in Rouen en kwam via La Rochelle in 1611 in Dordrecht terecht. Als rijke bankier en industrieel kwam hij naar Amsterdam (1615). In 1615 voerde hij met toestemming van de Staten-Generaal 400 kanonnen en kogels in ten behoeve van de admiraliteiten en dreef nadien nog een uitgebreide handel in krijgsbehoeften.[1] Een dergelijke uitgebreide handel werd ook gedreven door zijn zwager, Elias Trip, eveneens gevestigd in Amsterdam.

Het uitbreken van de Dertigjarige Oorlog in 1618 en het hervatten van de opstand in 1621 had de vraag naar wapens doen toenemen en de prijzen omhoog gejaagd. Al in 1618 leverde hij wapens aan Gustaaf II Adolf van Zweden en in 1623 had hij zich ingekocht in een Zweedse handelscompagnie (misschien met behulp van Jan Rutgers, eveneens afkomstig uit Dordrecht).

In 1627 emigreerde De Geer naar Zweden, voornamelijk om de lasten van de tol in de Sont te omzeilen. Louis verkreeg van Zweedse koning het monopolie op de koper- en ijzerhandel en werkte zo goed en kwaad als het ging samen met de familie Trip en De Besche. In 1634 kocht hij het Huis met de Hoofden op de Keizersgracht, inclusief de schilderijen en de bloembollen. In deze periode vormde dit huis ook een gastvrij ontmoetingspunt van vrijdenkers die in het tolerante Amsterdam een veilige haven vonden. Zowel vader Louis als zoon Laurens de Geer ondersteunden studie en publicaties van dissidente schrijvers en filosofen. Zo realiseerden zij in hun huis een veelzijdige bibliotheek, onder meer ten behoeve van het werk van Jan Amos Comensky.

Zijn vrouw stierf na de geboorte van het zestiende kind. In 1638 leidde hij Karel X Gustaaf van Zweden in Amsterdam rond.

De Geer is in 1640 opnieuw naar Zweden getrokken en in het daaropvolgende jaar in de adelstand verheven. De titel stelde hem in staat driekwart van de gepachte landerijen te kopen. Toen was hij heer van Österby, etc. in Uppland, een mijnbouwgebied ten noorden van Stockholm. Zijn huis in Stockholm is tegenwoordig de Nederlandse ambassade.

De Geer reisde in opdracht van Axel Oxenstierna naar Amsterdam om steun te verwerven bij een oorlog tegen Denemarken. De Geer leverde in 1644 een complete marine, 32 schepen met zeelieden, wapentuig en officieren, zodat Fehmarn door de Zweden kon worden bezet. De Geer bekostigde een deel van de expeditie zelf, want ook Denemarken wierf wapens, schepen en manschappen in de Republiek. Tenslotte wordt De Geer ook genoemd als stichter van de Zweedse Afrikacompagnie. De oprichting leidde tot een rel in Amsterdam (1649). Tijdens zijn laatste reis naar Zweden werd Louis de Geer ziek en keerde terug naar Amsterdam.

De familie De Geer bewoonde het kasteel te Finspång. In 1662 kwam plotseling een einde aan de suprematie van het Hollandse kapitaal in de Zweedse mijnbouw en metaalindustrie. De bibliotheek van De Geer is nog intact en staat momenteel (2007) in de Zweedse stad Norrköping.[2]

Bronnen, noten en/of referenties

Noot

  1. 1939. J.K.H. de Roo van Alderwerelt. 1814-1939. De grootmeester en de inspecteurs der artillerie van de Koninklijke Landmacht van 1814 tot 1939. Koninklijke Vereniging Ons Leger. Bladzijde 17
  2. Het Parool 19 okt. 2007.