Pejoratief

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Een pejoratief (Lat. peior = "slechter") is een woord met een negatieve connotatie: een woord dat ongunstige associaties oproept. Pejoratieven komen vooral voor in woordsoorten (zoals een zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord en werkwoord) die veelal een letterlijke denotatie hebben, waaraan vrij eenvoudig een gevoelswaarde gehecht kan worden. Het tegenovergestelde van een pejoratief is amelioratief.

Voorbeelden:

  • (zelfstandig naamwoord:) wijf, kerel, troep, rotzooi, bemoeizucht
  • (bijvoeglijk naamwoord:) gemeen, stout, onnozel, huilerig
  • (werkwoord:) zuipen, zeuren

Ontstaan en vorming[bewerken]

Betekenisverschuiving[bewerken]

Van oorsprong neutrale woorden kunnen een betekenisontwikkeling in negatieve richting doormaken.

  • Wijf betekende in de Middeleeuwen "vrouw", "echtgenote" (vgl. Engels wife, Duits Weib), maar in het modern Standaardnederlands verwijst het naar een klasseloze, onelegante vrouw en is de associatie met het huwelijk verdwenen. Vroeger was een kerel een "gewone man", daarna "man uit de boerenstand" of "ruw, onbeschoft iemand" (zie Floris V's spotnaam: "der keerlen god"). Nu heeft kerel weer een positieve betekenis. Een troep was gewoon een groep.
  • Stout betekende van oorsprong "moedig, dapper" (etymologisch is het verwant met het Engelse stout, "stevig"). Het is waarschijnlijk pejoratief geworden doordat het aspect "moed" meer en meer geassocieerd werd met eigenzinnigheid en het trotseren van tegenstand. Ten slotte werd dit als ondeugd opgevat: "ondeugend". Op vergelijkbare wijze was onnozel ooit een neutraal woord: bij Vondel betekent het nog "onschuldig". Te speculeren valt dat een onschuldige, een kind vaak, nog niet veel weet, onwetend is. Vandaar ook de Dag van de Onnozele kinderen, waarbij onnozel nog onschuldig betekent. (Het Engelse innocent betekent tegenwoordig nog steeds zowel "onnozel" als "onschuldig/onschadelijk").
  • Oorspronkelijk betekende zeuren "nasudderen", en zuipen kende een eerdere betekenis "drinken".
  • "Spanjool" was in de zestiende eeuw het gangbare woord voor een inwoner van Spanje; het woord "Spanjaard" had een negatieve connotatie. Ten tijde van de Tachtigjarige Oorlog en daarna werd het woord "Spanjool" geleidelijkaan pejoratief, terwijl "Spanjaard" juist neutraal werd. Hier is dus een connotatieverwisseling zichtbaar.

Pejorisatie[bewerken]

In deze gevallen spreken we van pejorisatie: een woord krijgt na verloop van tijd een negatieve betekenis. Zo'n betekenisverschuiving hoeft zich niet in alle verwante talen voor te doen.

  • In het Engels is wife een neutraal woord gebleven.

Ook binnen de grenzen van het Nederlandse taalgebied vindt men verschillen, alsook tussen regiolecten en het Fries.

  • Het woord nuver betekent in het Gronings mooi, maar in het Fries apart, ongewoon. In het Gronings heeft het een positieve connotatie, in het Fries is het een pejoratief (negatief dus).

Seksualisering[bewerken]

Voor een aantal begrippen dat met seksualiteit te maken heeft, zijn woorden gebruikt die aanvankelijk een neutrale betekenis hadden.

  • Het woord kut voor het vrouwelijk geslachtsdeel betekende oorspronkelijk "gat". Het woord dat in de volksmond wordt gebruikt voor het mannelijk geslachtsdeel, lul, gaat terug op een betekenis "het hangende"; in beide gevallen gaat het dus om betekenissen buiten de seksuele context, die echter (mede) in die context gebruikt gingen worden.

Volstrekt neutrale betekenissen werden, klaarblijkelijk door een associatie met de taboesfeer die rond seksualiteit en seksuele handelingen ontstond, opgevat als ongunstig, onwellevend, niet bestemd voor beschaafd gezelschap.

Morfologie[bewerken]

Pejoratieve woorden kunnen wel worden gevormd op basis van neutrale woorden.

  • Zo zijn afleidingen op -erig of -istisch in een aantal gevallen pejoratieven: hijgerig en alarmistisch hebben een negatiever gevoelswaarde dan de woorden hijgen, alarm, waarvan ze zijn afgeleid.
  • Ook samenstellingen kunnen pejoratief worden gevormd, bijvoorbeeld met een component als zucht: bemoeizucht is erger dan je ergens mee bemoeien.

Incidentele pejorisatie[bewerken]

Niet-pejoratief gebruikte woorden kunnen in het gebruik pejoratief gemaakt worden. Als het om een omkering van de betekenis gaat (je zegt het tegengestelde van wat je bedoelt), noemt men dit ironie:

  • "Mooie jongen ben jij!"

Geen ironie, maar wel incidenteel negatief gebruik van een woord dat doorgaans positieve connotaties heeft, vinden we in:

  • "Zij is de lieveling van de meester."

Contrasterende connotatie[bewerken]

In een aantal gevallen komen sets van woorden voor die in hun denotatie niet of nauwelijks van elkaar verschillen. Ze contrasteren echter in hun connotatie, en dit kan een brede scala opleveren van aanduidingen voor dezelfde zaak, van zeer negatief tot zeer positief. Bij de volgende voorbeelden zijn van de set steeds drie elementen genoemd:

denotatie negatieve connotatie
(pejoratief)
neutrale connotatie positieve connotatie
(amelioratief)
"volwassen persoon
van het vrouwelijk geslacht" 
wijf vrouw dame
"niet op de hoogte" onnozel onwetend onkundig (van een misstand)
"tot zich nemen
(meestal vloeistof)"
zuipen drinken gebruiken
"tot zich nemen
(meestal vaste stof)"
vreten eten nuttigen

Pejoratief en eufemisme[bewerken]

Beleefdheid[bewerken]

  • "Heel apart, wat je gekookt hebt."

Wanneer men in het sociale verkeer niet zijn eigenlijke bedoeling wil prijsgeven, omdat die te negatief zou klinken, wordt het pejoratief ("Smakeloos!" of zelfs "Niet te éten!") vervangen door een eufemisme. Deze verbloemende uitdrukking kan echter voor de goede verstaander ook weer een negatieve bijklank krijgen, dus pejoratief worden. De goede verstaander begrijpt immers wel dat "Heel apart" een zuinig compliment is; maar de volle confrontatie wordt vermeden.

Taalpolitiek[bewerken]

Van een aantal maatschappelijke groeperingen bestaan in de maatschappij negatieve beelden, en deze connotaties komen tot uitdrukking in scheldwoorden als nikker, poot. Om zich van de negatieve associaties te ontdoen die deze woorden aankleven, stellen vele sprekers pogingen in het werk om meer politiek correcte termen te gebruiken, die niet pejoratief zijn. Zo komen alternatieven in gebruik: nikker wordt neger; mannen die op mannen vallen, worden homo genoemd. Als de maatschappelijke houding tegenover de aangeduide groepen echter niet verandert, zullen de nieuwe aanduidingen, ingevoerd als eufemismen, na verloop van tijd toch weer pejoratief worden: het eufemisme "zakt af" onder druk van zijn negatieve lading. Opnieuw moet naar een neutraler woord worden gezocht: in het geval van huidskleur wordt bijvoorbeeld zwarte gebruikt.

Ook van officiële zijde kan deze eufemisering van pejoratieven worden gestimuleerd, en dan doet zich een geval van taalpolitiek voor. Een voorbeeld is te vinden in de vele aanduidingen die al zijn beproefd voor "buitenlanders die enkele decennia geleden zijn geworven om in West-Europese landen te komen werken". De benaming gastarbeiders kreeg een negatieve bijklank, alternatieven werden gezocht in medelanders en allochtonen. Door de keuze van een ander woord verandert de maatschappelijke opvatting omtrent de aangeduide groep echter niet automatisch. De nieuwe aanduiding begint dus als poging tot verbetering van de connotatie, maar maakt kans zelf een pejoratief te worden.

Nuvola single chevron right.svg Ontwikkeling van de benamingen van 'allochtonen'

Zie ook[bewerken]