René Lalique

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Motorkapornament van René Lalique

René Jules Lalique (Aÿ, 6 april 1860Parijs, 1 mei 1945) was een Frans edelsmid en glaskunstenaar wiens werk tot de jugendstil en art deco wordt gerekend. Veel van zijn juwelen maakte hij in opdracht voor bijvoorbeeld Sarah Bernhardt en zijn belangrijkste opdrachtgever Calouste Gulbenkian.

De juwelier van de art nouveau[bewerken]

Op zestienjarige leeftijd ging Lalique in de leer bij de Parijse juwelier Louis Aucoc. Daarna studeerde hij tussen 1878 en 1880 aan het Sydenham Art College in Londen. Na zijn terugkeer in Frankrijk werkte hij voor onder andere Aucoc, Cartier en Boucheron.

In 1882 wordt hij freelance ontwerper voor verschillende huizen en vier jaar later opende hij zijn eigen bedrijf. In 1890 gold Lalique als een van de belangrijkste juwelenontwerpers van de Franse art nouveau. Hij maakte innovatieve ontwerpen voor de Parijse winkel van Samuel Bing: La Maison de l'Art Nouveau.

Flora, fauna en de vrouwelijke vormen zijn de grote inspiratiebronnen van de art nouveau. Lalique maakte sieraden die qua vorm zijn gebaseerd op onder meer pauwen, libellen, bloemen en slangen. Hij gebruikte daarbij materialen die tot op dat moment ongebruikelijk waren in de haute joaillerie: glas, email, leer, hoorn en schelpen. Lalique koos voor bepaalde stenen op grond van kleur, luciditeit, glans en vorm, en niet noodzakelijkerwijs op exclusiviteit of kostbaarheid. Daarmee brak hij met de tot dat moment gangbare traditie van het historisme en de voorliefde voor kostbaarheid. Lalique stelde in tegenstelling tot zijn voorgangers en tijdgenoten het ontwerp op de eerste plaats. Zijn getekende ontwerpen werden uitgevoerd door een groep ciseleurs, emailleurs en beeldhouwers die hij rekruteerde.

Glas[bewerken]

Lalique maakte in 1929 glazen panelen voor de Oriënt-Express en ramen voor de Sainte-Nicaise in Reims. Voor de St Matthew's Church in Millbrook op Jersey (The Glass Church) maakte hij een glazen interieur. In de kerk bevinden zich onder andere een glazen doopvont en vier enorme glazen engelen. Ook de plafondbalken zijn gemaakt van glas.

Op het hoogtepunt had de fabriek van Lalique in Wingen-sur-Moder meer dan 600 werknemers in dienst. Na zijn dood bracht zijn zoon Marc Lalique de productie van de fabriek, die tijdens de Tweede Wereldoorlog gesloten was, weer op gang.

Parfumflacons[bewerken]

De parfumflacons van Réne Lalique waren, en zijn, een huwelijk tussen de hoogste designstandaards en de goedkope massaproductie. Door chemicaliën te gebruiken voor parfum kon dit in grotere, dus goedkopere, oplagen verschijnen, wat zijn neerslag had op de massaproductie van flacons.

Tussen François Coty, die een bekende apotheker was in Parijs, en Lalique kwam een zakelijke relatie tot stand die leidde tot één van Laliques eerste parfumflacons: "Ambre Antique" (1906). Coty had eerst alleen gevraagd om de naametiketten te ontwerpen, maar Lalique wilde het volledige flesje ontwerpen.

Aanvankelijk werden de begeerde flesjes geproduceerd bij Verreries Legras in Saint-Denis. In 1909 was Lalique zijn flacon-industrie zo groot dat hij zijn eigen glasfabriek opende in Combs-la-Ville.

De flesjes waren vrij van bubbels en andere narigheden. Het kristal was eigenlijk demi-kristal; het bezat twaalf procent loodoxide, terwijl voor kristal vierentwintig procent vereist is. Na de uitvinding en uitvoering van een metalen mal hadden de flesjes een hogere (productie)kwaliteit. Twee gedeeltelijk automatische technieken hiervoor waren: aspiré soufflé, waarbij de hete glasmassa tegen de mal wordt geblazen, en de pressé soufflé-techniek, waarbij de mal zelf een vacuüm creëert.

Lalique heeft ook parfumflacons ontworpen voor het huis Worth, dat zijn grootste cliënt werd. Eén van de flacons, Dans la Nuit, omvat het parfum met zijn mysterieuze blauwe kleur als een koele koude mist die over het geurende water zweeft. Het doet denken aan oude Grieks-Romeinse geurflacons die zeker in de smaak gevallen zouden zijn in de voorafgaande neo-classicistische periode. Alhoewel het flesje gemaakt is in 1920, doet het denken aan een ontwerp die het midden houdt tussen de art-decoperiode en het neo-classicisme.

De invloed van het japonisme had ook zijn neerslag op enkele ontwerpen, zoals Le Corail Rouge, (voor Farvil, c. 1925) en Muguet (c. 1930). Het laatste ontwerp was zodanig moeilijk om uit te voeren, omwille van de driedimensionale uitwerking van lelietjes-van-dalen, dat er daarna een nieuw ontwerp is gekomen: Clairfontaine (c. 1930). Het Muguet-flacon was een glashelder eenvoudig flesje, maar de stop was als een boeket lelietjes-van dalen die het parfum opslurpten. De Clairfontaine-flacon had vele gelijkenissen met het vorige maar had een vlakke stop. Deze techniek zou later veel gebruikt worden voor andere flesjes: Bochon, Cassis, Bochon fleurs de pommier, Leur Ames (D'Orsay).

Lalique heeft verder een of meerdere flacons ontworpen voor d'Herraud, Forvil, Grése, Molinard, Jay Thorpe, Arys, Corday, Morabito, Raphael, Godet, Vigny, Haubigant, Roger et Gallet en Gres.

Bibliografie[bewerken]

  • Baarsen, R.J. en Berge, G. van (1990) Juwelen 1820-1920. Den Haag: Gary Schwarz/SDU. ISBN 9061791138
  • Lennart Booij. De ontvangst van het werk van René Lalique (1860-1945) in Nederland. Leiden: thesis, 2013.
  • Bayer Patricia, Waller Mark. The Art of René Lalique. Quantum Books, 2006.
  • Glüber, W. (2011) Jugendstilschmuck, der Bestand im Hessisches Landesmuseum Darmstadt. Regensburg: Schnell & Steiner. ISBN 9783795424534
  • Schmuckmuseum Pforzheim, museum guide (2006). Stuttgart: Arnoldsche Art Publishers. ISBN 3897902389

Werk in openbare collecties (selectie)[bewerken]