Arambourgiania

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Arambourgiania philadelphiae door Mark Paul Witton in grootte vergeleken met Benedict Cumberbatch, uitgaande van een spanwijdte van negen à tien meter

Arambourgiania philadelphiae is een pterosauriër, behorend tot de groep van de Pterodactyloidea, die tijdens het late Krijt leefde in het gebied van het huidige Jordanië.

Vanaf eind jaren dertig werd langs de spoorlijn naar Damascus bij Roeseifa, acht kilometer ten noordoosten van Amman, een fosfaatmijn ontgonnen in dagbouw. Bij werkzaamheden aan de spoorlijn kwam uit een laag uit het Maastrichtien (eerst werd nog gedacht aan het oudere Turonien) een eigenaardig twee voet lang fossiel bot aan het licht dat vanaf 1943 als curiositeit bewaard werd door de mijndirecteur Kavar. Rond 1948 bracht Kavar het onder de aandacht van de Britse archeoloog Fielding; hierdoor werd er internationale publiciteit gegeven aan de vondst en in 1953 werd het fossiel overgebracht naar het Muséum National d'Histoire Naturelle te Parijs. Paleontoloog Camille Arambourg beschreef het in 1954 waarbij hij tot de conclusie kwam dat het een middenhandsbeen van een reusachtige pterosauriër betrof en in 1959 benoemde hij dat als een nieuwe soort: Titanopteryx philadelphiae. De geslachtsnaam betekent "titaanvleugel" in het Klassiek Grieks; de soortaanduiding verwijst naar de Hellenistische naam in de Klassieke Oudheid van Amman: Philadelphia. Arambourg liet een gipsafgietsel van het bot maken en zond het daarna terug naar Jordanië.

In de jaren tachtig werd de Russische paleontoloog Lev Nesov er door een entomoloog op gewezen dat de naam Titanopteryx al in 1934 door Günther Enderlein gegeven was aan een steekvlieg uit de Simulidae. In 1987 hernoemde hij daarom het geslacht in Arambourgiania, waarvan de naam Arambourg eert. De naamsverandering drong echter maar langzaam tot het Westen door, waar geleerden tot diep in de jaren negentig "Titanopteryx" zouden blijven gebruiken, ook omdat sommigen, zoals David Unwin, meenden dat de naam een nomen dubium was vanwege de slechte staat van het fossiel. Daarbij was men weer vergeten dat het teruggekeerd was naar Jordanië en meende dat het verloren gegaan was.

Het gipsafgietsel van het holotype dat Arambourg bewaarde en dat decennialang de enige bron van informatie was

In januari 1995 reisden David Martill en Eberhard Frey af naar Jordanië om na te vragen of men daar toch niet wat meer wist. In kast van het kantoor van de mijn vonden ze in februari nog wat botten van een pterosauriër (een kortere halswervel en de uiteinden van een eerste vingerkootje), maar moesten verder onverrichter zake terugkeren. De Jordaanse ingenieur Rashdie Sadaqah van de Jordan Phosphate Mines Company besloot in 1996 nog eens navraag te doen bij de Universiteit van Jordanië waar het fossiel zich in de collectie bleek te bevinden; het was door geoloog Hani Khoury in 1969 van de mijn gekocht en in 1973 aan de universiteit gedoneerd.

Bij nadere bestudering bleek het Martill en Frey dat het niet om een middenhandsbeen ging maar om een halswervel, zoals Douglas Lawson al gesteld had in 1975 en Peter Wellnhofer in 1991. Ze erkenden de geldigheid van de naam Arambourgiania, verwierpen de gedachte dat het nomen dubium was, ontkenden dat de soort identiek was aan de verwante vorm Quetzalcoatlus en stelden dat Arambourgiania de grootste tot dan toe ontdekte pterosauriër was, gezien de afmetingen van de halswervel.

Het holotype, VF 1, bestaat uit een zeer langgerekte halswervel, waarvan voornamelijk een interne sedimentopvulling bewaard is gebleven; de buitenste zeer dunne beenwand ontbreekt op veel plaatsen. Het interne bot is sterk gepneumatiseerd en sponsachtig van structuur. De wervel is op dit moment in verschillende stukken gebroken, ook omdat hij kennelijk door Arambourg in drie stukken gezaagd was en met een metalen staafje weer verbonden, en het midden ontbreekt. Martill gaat ervan uit dat hij eerst gaaf was, zoals getoond door het Franse gipsafgietsel, en een lengte had van 62 centimeter. Echter ook het achterste uiteinde was beschadigd; de totale lengte zou 78 centimeter bedragen hebben en de neklengte drie meter. De wervel zou de vijfde, langste, halswervel zijn. Als we van het grootste bekende specimen van Quetzalcoatlus waarvan halswervels bewaard zijn gebleven, TMM 41961-1, de vijfde halswervel nemen en de lengte daarvan extrapoleren door een vergelijking te maken met het allergrootste van Quetzalcoatlus bekende exemplaar, het holotype TMM 41450-3 dat alleen uit een vleugel bestaat, dan komen we uit op 66 centimeter. Arambourgiania zou dus 18% langer geweest zijn en zijn vleugelspanwijdte zou, opnieuw extrapolerend ten opzichte van het holotype van Quetzalcoatlus, die van zijn verwant met twee meter hebben overtroffen in een ontzagwekkende twaalf tot dertien meter.

Deze interpretatie werd tegenwoordig echter niet meer simpelweg aanvaard omdat er vele onzekerheden zijn. Om te beginnen is het niet duidelijk of het specimen niet al in 1953 gebroken was en het gipsafgietsel daardoor onbetrouwbare informatie geeft. Verder is de lengte van 78 centimeter berekend door een vergelijking met de bouw van de halswervel van Quetzalcoatlus — waarvan de absolute dimensies ook weer slechts geschat zijn. Daarbij is alleen gelet op de relatieve positie van de grootste versmalling van het bot. Die zou bij Arambourgiania echter zeer wel op een ander punt kunnen hebben gelegen, temeer daar de algehele proporties van de wervel met een minimumdoorsnede van maar 44 millimeter heel anders zijn: die van Quetzalcoatlus is in absolute zin veel breder en ook relatief veel platter. Dat laatste is ook een sterke aanwijzing dat Arambougiania alleen een uitzonderlijk lange nek had maar verder niet de robuuste bouw die nodig was om met zes meter lange vleugels te klappen. Als men de breedtedimensie gekozen had voor de extrapolatie zou dat de afmetingen gehalveerd hebben. De laatste schattingen gaan daarom meestal uit van een veel voorzichtiger negen à tien meter, juist iets kleiner dan Quetzalcoatlus; sommigen gaan zelfs zo laag als zeven meter.

De soort werd door Nesov in 1984 in de Azhdarchinae geplaatst als onderverdeling van de Pteranodontidae. Hetzelfde jaar schiep Kevin Padian een Titanopterygidae met ongeveer dezelfde inhoud; aangezien Titanopteryx een ongeldige naam was, wordt dit begrip niet meer gebruikt maar ook Azhdarchinae wordt als overbodig gezien nu dergelijke vormen onder de Azhdarchidae worden geschaard.

Martill meende dat Arambourgiania een grote viseter was die zijn prooi verschalkte door over het zeeoppervlak vliegend met zijn kop de vissen uit het water te plukken. Hij verwierp een levenswijze als eter van ongewervelden in de modder. Tegenwoordig is het "superooievaar"-model populair volgens welke reusachtige azhdarchiden opportunistisch prooien op de grond zouden hebben gezocht.

Literatuur[bewerken]

  • Arambourg, C., 1959, "Titanopteryx philadelphiae nov. gen., nov. sp. Ptérosaurien géant", Notes Mém. Moyen-Orient, 7: 229–234
  • Frey, E. & Martill, D.M., 1996, "A reappraisal of Arambourgiania (Pterosauria, Pterodactyloidea): One of the world's largest flying animals", N.Jb.Geol.Paläont.Abh., 199(2): 221-247
  • Martill, D.M., E. Frey, R.M. Sadaqah & H.N. Khoury, 1998, "Discovery of the holotype of the giant pterosaur Titanopteryx philadelphiae Arambourg 1959, and the status of Arambourgiania and Quetzalcoatlus", Neues Jahrbuch fur Geologie und Paläontologie, Abh. 207(1): 57-76
  • Nesov, L.A., Kanznyshkina, L.F. & Cherepanov, G.O., 1987, "Dinosaurs, crocodiles and other archosaurs from the Late mesozoic of central Asia and their place in ecosystems", Abstracts of the 33rd session of the All-Union Palaeontological Society, Leningrad, pp. 46–47
  • Steel, L., D.M. Martill., J. Kirk, A. Anders, R.F. Loveridge, E. Frey, and J.G. Martin, 1997, "Arambourgiania philadelphiae: giant wings in small halls", The Geological Curator, 6(8): 305-313