Balkenendenorm

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Jan Peter Balkenende

De balkenendenorm (ook JP-norm, minister-presidentnorm of premiernorm) is een vrijwillige norm uit 2006 volgens welke openbare bestuurders in Nederland niet meer zouden mogen verdienen dan 130 procent van een ministerssalaris.[1] De balkendenorm is per 1 januari 2013 geformaliseerd in de Wet normering topinkomens met daaraan gekoppeld de WNT-norm.

De balkenendenorm is vernoemd naar Jan Peter Balkenende, minister-president van Nederland van 2002–2010. De norm is tot stand gekomen nadat er in de voorafgaande jaren een toenemende maatschappelijke verontwaardiging was ontstaan over de hoge salarissen (en ontslagvergoedingen) voor openbare bestuurders, vooral indien ook nog sprake was van slecht functionerende bestuurders.

Van vrijwillig instrument naar wettelijke norm[bewerken]

De balkenendenorm was tot 2013 geen verplichte norm en geen formeel instrument. Het salaris van een minister bedroeg in 2011 op jaarbasis € 144.000 inclusief vakantiegeld en eindejaarsuitkering. Daarnaast krijgt hij een vaste onkostenvergoeding en maakt hij aanspraak op een aantal andere tegemoetkomingen en voorzieningen.[2] De term balkenendenorm is minder gangbaar geworden en na de Wet openbaarmaking uit publieke middelen gefinancierde topinkomens die eveneens 130% van het ministerssalaris bedraagt en in 2013 geformaliseerd met de invoering van de Wet normering topinkomens. In 2010 bedroeg de norm €193.000.[3] In 2011 ging het eveneens om €193.000. In 2013 om €228.599.[4] Topinkomens bij de overheid die hoger zijn dan het gemiddeld belastbaar jaarloon van ministers zijn openbaar en moeten jaarlijks worden gepubliceerd.

Praktijk[bewerken]

De inkomens van hoge functionarissen uit de (semi-)publieke sectoren zijn regelmatig het onderwerp van kamerdebatten en kamervragen. Door de politieke gevoeligheid zijn de inkomens van Nederlandse ministers in het algemeen, en die van de minister-president in het bijzonder, relatief laag in vergelijking met de salarissen bij ondernemingen. Aan bepaalde overheidsfunctionarissen wordt daarom een veel hoger salaris toegekend dan dat van de minister-president. Voorbeelden zijn bestuurders bij financiële instellingen als De Nederlandsche Bank en de Autoriteit Financiële Markten.

In 2009 zaten in Nederland zo'n 2.039 werknemers boven de norm, 6% meer dan in 2008. Driekwart van hen zit in de zorg; daarvan is bijna de helft medisch specialist. In januari 2013 stuurde minister van Binnenlandse Zaken Ronald Plasterk naar aanleiding van de net aangenomen Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sectorwet een brief naar de Tweede Kamer van januari 2013 met daarbij een lijst van 2.651 werknemers die boven de norm verdienden.[5]

Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers[bewerken]

Functionarissen die geheel of grotendeels betaald worden uit publieke fondsen, zoals directeuren van zorginstellingen, roepen gemakkelijk publieke verontwaardiging over zich af wanneer zij zichzelf te ruimhartig bedelen. Dat overkwam bijvoorbeeld Nurten Albayrak, (voormalig bestuursvoorzitter van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA), die naast het te hoge salaris dat zij zichzelf zou hebben toegekend (273.000 Euro[4]) ook een te dure dienstauto zou hebben aangeschaft, en die door minister Gerd Leers op non-actief werd gesteld.[6]

TU Delft[bewerken]

Voormalig Secretaris-Generaal van het Ministerie van Buitenlandse Zaken Dirk Jan van den Berg en later bestuursvoorzitter van de TU Delft overschreed in 2009 de balkenendenorm, ondanks dat hij het jaar daarvoor met toenmalig minister Plasterk een akkoord bereikte waarbij hij onder de norm zou blijven. Van den Berg verdiende toen € 245.000; de norm was € 182.000. Het Ministerie van Onderwijs vorderde € 19.000 terug, maar Van den Berg betaalde niet; de universiteit deed dat voor hem. In 2010 zat Van den Berg wederom 40.000 euro boven de norm.[7][8] Sinds de ingang van het nieuwe contract van Van den Berg zijn de afspraken conform de Wet Normering Topinkomens.

Friesland College[bewerken]

Een ander voorbeeld is voormalig bestuursvoorzitter Klaas Koops van mbo-instelling het Friesland College. Koops vertrok daar op 1 september 2010, zijn totale salaris bedroeg ruim 550.000 euro. Dat bedrag was inclusief de vertrekregeling. Oorspronkelijk zou Koops nog meer ontvangen, maar daar stak het ministerie van Onderwijs een stokje voor.[9]

De Nederlandsche Bank[bewerken]

Oud-Directeur Nout Wellink had een salaris van 407.000 Euro, ruim boven de norm.[4] Wellink liet indertijd weten dat het salaris van de premier geen maatstaf zou moeten zijn en noemde de Balkenendenorm „idioot”. Hij werd over deze uitspraak gekapitteld door toenmalig Vice-Premier Wouter Bos.[10]

Publieke Omroep[bewerken]

Bij de publieke omroep (NPO) werkten in 2013 zeven presentatoren in loondienst die meer verdienden dan de Balkenendenorm. Zes daarvan zijn in loondienst, één werkt er vanuit een BV. Drie van de zeven presentoren werken bij de VARA, 2 bij BNN en 2 bij de TROS. In 2007 zaten bij de VARA nog zes 'boegbeelden' boven de norm.[11] Bij de VARA zit de bestbetaalde: 502.968 euro per jaar. De NPO heeft de namen van de betrokkenen niet bekendgemaakt. Het bedrag boven de norm wordt door de omroepverenigingen zelf betaald en komt dus niet uit belastinggeld.[12] Hooggesalariëerden binnen de omroep zijn Matthijs van Nieuwkerk (493.420€), Paul de Leeuw (377.174€), Antoinette Hertsenberg (376.000€) en Dominique Weesie (213.229€).(cijfers over 2012/13)[13] Sommige bekende TV-persoonlijkheden hebben aanzienlijke vermogens opgebouwd: Ivo Niehe meer dan 10 miljoen €(2008); Paul de Leeuw bijna 7 miljoen; Rik Felderhof ca. 6,5 miljoen; en Mart Smeets, Jeroen Pauw(2006), Marc Dik, Bert van Leeuwen: allen rond de 2,5 miljoen €.[14]

Zorgsector[bewerken]

In 2009 verdiende 19% van de ziekenhuisdirecteuren meer dan de Balkenendenorm. In 2010 werkte driekwart van de topbestuurders die meer verdienden dan de Balkenendenorm in de zorgsector.[15] In de zorg werd de Balkenendenorm dan ook niet toegepast. Volgens minister Schippers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport was de norm te globaal om te worden toegepast. De Balkenendenorm is immers onafhankelijk van de omvang van de instelling en van de complexiteit van het productieproces en dus van de functiezwaarte, aldus Schippers in 2011.[16] Om die reden was er voor de zorg een andere norm die wél rekening hield met (1) de diversiteit aan functiezwaartes van de verschillende zorgbestuurders én (2) met de in de zorg bestaande salarisopbouw die in zorg-cao’s is vastgelegd. Het betrof hier de zogeheten Beloningscode Bestuurders in de Zorg (BBZ) die op 1 september 2009 werd vastgesteld en die alleen gold voor nieuwe contracten vanaf die datum.[17] Toch verdienden alleen al in de ouderenzorg in 2010 nog steeds 31 managers méér dan het maximum van 193.000€ uit hun eigen beloningscode, zo blijkt uit deze lijst, die wordt aangevoerd door Rob Koppen van de Stichting Mariënstaete-Valent met een bruto-inkomen van 287.049€. De salarissen binnen de ouderenzorg stegen bovendien snel: in 2011 was het topinkomen gestegen tot 327.075€ en in 2012 tot 559.954€.[18] Toen de Balkenendenorm via de Wet Normering Topinkomens dreigde een wettelijke norm te worden, spande de Nederlandse Vereniging van Bestuurders in de Zorg (NVZD) een rechtszaak aan tegen de Staat. Maar omdat de wet ook een overgangsregeling bevat, meende de rechtbank dat zorgbestuurders die nu méér verdienen dan het nieuwe maximum, voldoende tegemoet werden gekomen. De Balkenendenorm geldt dus ook in de zorgsector.[19]

Externe links[bewerken]