De Verwondering

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
De verwondering
Auteur(s) Hugo Claus
Land België
Taal Nederlands
Onderwerp Collaboratie
Genre Roman
Uitgever De Bezige Bij
Uitgegeven 1962
Medium Print
ISBN-code 978-90-234-5404-5
Portaal  Portaalicoon   Literatuur

De verwondering is een roman van Hugo Claus uit 1962 over een leraar die in een psychiatrisch ziekenhuis een relaas neerschrijft over zijn confrontatie met een groep West-Vlaamse fascisten. Claus zelf zei over deze roman: "De vorige boeken waren er vanzelf gekomen, maar hierop moest ik echt zwoegen en er gingen verdomd veel slapeloze nachten aan vooraf."[1]

Vorm[bewerken]

De roman heeft een complexe structuur met een viervoudig vertelperspectief.[2] De verteller is Victor-Denijs de Rijckel, een leraar Engels en Duits die opgenomen is in een psychiatrisch ziekenhuis. Hij heeft vier verschillende handschriften.

Inhoud[bewerken]

Eerste handschrift[bewerken]

De Rijckel beschrijft wat hij meemaakte in de laatste dagen voor zijn opname. Dit doet hij in opdracht van zijn psychiater dr. Korneel van den Broecke, die gelooft dat dit een therapeutische werking zal hebben. De Rijckel noemt het zijn huiswerk. Hij schrijft over zichzelf in de hij-vorm ("de leraar") en gebruikt de verleden tijd. Dit schrift bevat vijf hoofdstukken met telkens een cursieve titel.

Ontmoeting: In een Oostendse school vraagt de Prefect aan Victor-Denijs De Rijckel, leraar Engels en Duits, om een inleiding te geven bij zijn spreekbeurt op een vergadering die avond. In plaats daarvan gaat de leraar echter naar het Bal van het Wit Konijn in de Kursaal. Daar ziet hij een mooie vrouw die een financieel aanbod van autoverkoper Teddy Maertens afslaat. De Rijckel en Maertens achtervolgen haar wanneer ze de pier op wandelt.

Verkenning: Samen met de leerling Albert Verzele neemt De Rijckel de bus naar het fictieve dorpje Hekegem op zoek naar de vrouw van de vorige avond, die Alessandra blijkt te heten en daar in kasteel Almout zou wonen. Op verkenning in het kasteelbos zien ze de beeldhouwer Sprange die een verzameling beelden gemaakt heeft van Crabbe. Daarna nemen ze hun intrek in de herberg van Pier.

Aanval: Tot zijn verrassing wordt De Rijckel hartelijk ontvangen op kasteel Almout door Alessandra, haar ouders en Sprange. Per abuis aanzien ze hem voor de Nederlandse dr. Heerema, die een artikel geschreven heeft over Vlaams-nationalisme. Het is een kasteel in negentiende-eeuwse stijl: empire en second empire. Alleen een asbak met een beeltenis van Cyriel Verschaeve dateert uit de twintigste eeuw. Alleen aan Alessandra bekent hij dat hij niet dr. Heerema is. De Rijckel gelooft dat Crabbe plaatsgenomen heeft in zijn lichaam.

Bezetting: Herbergier Pier verdenkt De Rijckel ervan een pedofiel te zijn die Verzele gekidnapt heeft. In werkelijkheid wordt De Rijckel de tweede minnaar van Alessandra. (Crabbe was de eerste.) Op het kasteel vindt een bijeenkomst plaats van voormalige Verdinaso-leden.

Vlucht zonder verdediging: De Rijckel begint een toespraak te geven als dr. Heerema. Dit wekt de woede op van Alessandra, die vindt dat hij hun ideologie bespot. Ten onrechte verdenkt ze hem ervan een spion en een Jood te zijn. Hij ontkent dit niet, en vlucht naar de herberg. Hij pikt Verzele op, en ze slaan samen op de vlucht, achtervolgd door Sprange en de woedende dorpelingen. Hij wordt in elkaar geslagen en naar het psychiatrisch ziekenhuis gevoerd.

Tweede handschrift[bewerken]

In een schriftje dat zijn verpleegster Fredine binnengesmokkeld heeft, houdt De Rijckel een dagboek bij ("mijn schrift") over zijn ervaringen in het heden (oktober-november 1961). Hiervoor gebruikt hij de ik-vorm en de tegenwoordige tijd. Hij vermeldt dat het ziekenhuispersoneel geweld gebruikt en dat hij dagelijks chloorpromazine toegediend krijgt. Volgens Fredine is hij opgenomen omdat hij op school begon te schreeuwen bij het zien van zijn ex-vrouw Elizabeth.

Derde handschrift[bewerken]

Louter voor zichzelf schrijft hij nog meer herinneringen op in zijn eigen notaboekje. In de ik-vorm en de tegenwoordige tijd geeft hij commentaar bij de recente gebeurtenissen in Oostende en Hekegem; in de verleden tijd vertelt hij ook over gebeurtenissen die zich langer geleden afspeelden.

Hij beweert dat hij na het Bal van het Wit Konijn Alessandra's leven gered heeft toen ze zelfmoord probeerde te plegen door van de pier te springen.

Hij vertelt over zijn mislukte huwelijk met zijn voormalige leerlinge Elizabeth. Terwijl ze nog minderjarig was, ging hij met haar naar houthandel Haakebeen. Ze citeerden er Emily Dickinson en bedreven de liefde. Ze raakte zwanger en ze trouwden. Een jaar geleden zijn ze gescheiden.

Al schrijvende probeert hij zich te herinneren wat de anderen hem over de mysterieuze Crabbe verteld hebben. Deze werd omstreeks 1922 als vondeling opgenomen in het gezin Harmedam. Onder invloed van zijn held De Keukeleire werd hij lid van het Verdinaso. Hij was ooggetuige toen De Keukeleire op 20 mei 1940 zonder proces geëxecuteerd werd in het Franse Romazin. Daarna streed Crabbe als SS-Scharführer aan het Oostfront in het regiment van de Blauwvoeters. Uiteindelijk deserteerde hij en raakte vermist. In Hekegem kreeg hij een heldenstatus. Er ontstonden verschillende hypothesen over zijn dood, en sommigen bleven hopen dat hij terug zou keren.

Vierde handschrift[bewerken]

Eveneens in zijn eigen notaboekje gebruikt De Rijckel de wij-vorm om herinneringen op te halen aan de repressie, die plaatsvond in de dagen onmiddellijk na de Bevrijding. Er werd toen afgerekend met verschillende collaborateurs. Herman Haakebeen, houthandelaar en leider van DeVlag, had tijdens de Tweede Wereldoorlog een leidinggevende functie bij Winterhulp (in België anti-Duits). Richard Harmedam werd ineengeslagen op de markt van Oostende.

Einde[bewerken]

Op het einde schrijft De Rijckel een brief aan dr. Van den Broeck waarin hij klaagt over zijn behandeling en aankondigt dat hij het ziekenhuis zal ontvluchten. Zijn notities laat hij liggen. Niet in staat zichzelf te bedwingen begint hij op de kade van Oostende opnieuw te schreeuwen.

Personages[bewerken]

  • Victor-Denijs de Rijckel is een zevenendertigjarige leraar Engels en Duits in Oostende. Hij is geboren in Waregem en groeide op in Roeselare. Hij geeft zichzelf de bijnaam Lul de Rijckel, maar zijn leerlingen noemen hem Smout de Rijckel.
  • Dr. Korneel van den Broeck is de psychiater van De Rijckel.
  • Fredine is de verpleegster van De Rijckel.
  • De Zigeunerin is een buurvrouw die De Rijckels toekomst voorspelt.
  • De Prefect is de autoritaire gezaghebber op de school waar De Rijckel lesgaf.
  • Albert Verzele is een leerling aan de school waar De Rijckel lesgaf.
  • Elizabeth is de ex-echtgenote van de Rijckel.
  • Teddy Maertens is een autoverkoper.
  • Alessandra Harmedam is een voormalige minnares van Crabbe die op het kasteel Almout in Hekegem woont. Ze is ongeveer vijfendertig.
  • Richard Harmedam is de bejaarde, officiële vader van Alessandra. Hij is fotograaf.
  • Alice Harmedam is de zieke moeder van Alessandra. Zij werd als Poolse geboren, maar nam de Belgische nationaliteit aan.
  • Sprange is een beeldhouwer. Net als Crabbe streed hij als SS'er aan het Oostfront.
  • Jan-Willem Crabbe is een vermiste, wellicht overleden SS'er die verheerlijkt wordt in Hekegem.
  • Maurice Keukeleire was de oprichter van het Verdinaso. Op 20 mei 1940 werd hij zonder proces geëxecuteerd in Romazin (Abbeville). Keukeleire is gebaseerd op Joris Van Severen. Hij zou de biologische vader van Alessandra zijn.
  • Pier is de herbergier in Hekegem.
  • Herman Haakebeen was een houthandelaar en leider van DeVlag.

Stijl en thematiek[bewerken]

De Rijckel is een onbetrouwbare verteller. Hij is verward en spreekt zichzelf soms tegen. Zo begint het verhaal op een schooldag in augustus. Veel van wat hij vertelt, kan echt gebeurd zijn, maar het is evengoed mogelijk dat hij het zich slechts ingebeeld heeft. Fredine geeft een compleet andere verklaring voor zijn psychiatrische opname dan hijzelf. De diagnose van dr. Van den Broeck komen we nooit te weten, maar het feit dat De Rijckel vier verschillende handschriften heeft en zijn overtuiging dat Crabbe in zijn lichaam woont, zouden op een dissociatieve identiteitsstoornis kunnen wijzen.

De onbetrouwbaarheid van de verteller en de modernistische structuur laten ruimte voor uiteenlopende interpretaties. Zo zou de naam Verzele kunnen verwijzen naar Vergilius in de Divina Commedia.[2]

De dagboekfragmenten zijn een voorbeeld van stream of consciousness: De Rijckel geeft zijn gedachten weer op het moment van het schrijven zelf. Zo kan het voorvallen dat hij stilvalt halverwege een zin en zich niet herinnert hoe hij verder wilde gaan.

De verwondering bevat kenmerken van een sleutelroman. Keukeleire is eigenlijk Joris Van Severen en Romazin is Abbeville. Dit geldt echter niet voor andere personages en plaatsen. Zo zijn Crabbe en Hekegem fictief.

Zoals vaak bij Claus zijn thema's als de Tweede Wereldoorlog, de collaboratie en de repressie prominent aanwezig.

Reeds in 1955 had Claus de werktitel Verwondering om Crabbe.[2] Woorden als verwondering, verwonderd en wonderlijk vormen een rode draad doorheen het verhaal. Aristoteles zei dat de oorsprong van elk denken gelegen is in de verwondering. Claus legde de titel als volgt uit: "De verwondering is een staat waarin het werkwoord verwonderen nog te pas komt, met een bijna gelukzalig gevoel: hoe is dat alles nog mogelijk, dat ik met mijn duistere psyche nog in mij alles kan opnemen; het is eigenlijk een soort van ode aan de bevattingsmogelijkheden van de mens".[3]

Kritiek[bewerken]

Tegenwoordig wordt De verwondering als een van de beste romans van Claus beschouwd, maar destijds waren de reacties gemengd.

J. Spierdijk: "De zondvloed van woorden moest wel leiden tot de verdrinkingsdood van het zwakke verhaal. Mij heeft Claus, vijf jaar na de knappe, beheerste roman De koele minnaar als romancier hevig teleurgesteld."[2]

Anne Wadman: "Claus is er op verbluffende wijze in geslaagd de geest van deze gefrustreerde lieden, half decadente intellectuelen, half primitieve "volkse" naturen, te schilderen."[2]

In 1963 werd Claus met dit boek de winnaar van het Referendum der Vlaamse Letterkunde, maar hij weigerde de bekroning.[4] In 1964 won het boek de August Beernaertprijs.

Verwijzingen[bewerken]

  1. http://www.goddeau.com/content/view/8167
  2. a b c d e J. Duytschaever, Over De verwondering van Hugo Claus, Amsterdam, 1979.
  3. Hans Dütting, Hugo Claus. De Reus van Vlaanderen, Soestergberg, 2009.
  4. http://www.clauscentrum.be/main.aspx?c=*CLAUS&n=24714