Doodverven

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Met de term 'doodverven' wordt bedoeld het bedekken met een transparante laag witte verf van een 'grondschildering'. De grondschildering is meestal in bruine verf (gebrande sienna). Deze wordt vervolgens 'doodgeschilderd' met wit, waar de grondschildering nog doorheen schemert. Daaroverheen worden in verschillende kleuren diverse transparante laagjes olieverf aangebracht. Het resultaat is een schilderij dat veel diepte en transparantie suggereert. Een dergelijke werkwijze was vooral in de 19e en eerdere eeuwen een algemeen toegepaste methode, thans minder.

Carel van Mander (Leergedicht, 1603) gebruikte de term herdoodverven, waarmee hij bedoelde: nog eens doodverven; dat wil zeggen als tijdens het afwerken (opschilderen) blijkt dat de omtrekken of schaduwaanduiding niet krachtig genoeg zijn. Van Mander waarschuwt dit niet te spoedig te doen, waarmee hij bedoelde te wachten, totdat de opgezette verflagen goed droog zijn.

De afwerking van het schilderij, na het doodverven, werd wel aangeduid als opschilderen, een in de oude kunstliteratuur veel voorkomende term.