Gems (dier)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Gems
IUCN-status: Niet bedreigd[1] (2008)
Rupicapra rupicapra 0.jpg
Taxonomische indeling
Rijk: Animalia (Dieren)
Stam: Chordata (Chordadieren)
Klasse: Mammalia (Zoogdieren)
Orde: Artiodactyla (Evenhoevigen)
Familie: Bovidae (Holhoornigen)
Geslacht: Rupicapra (Gemzen)
Soort
Rupicapra rupicapra
(Linnaeus, 1758)
Afbeeldingen Gems op Wikimedia Commons Wikimedia Commons
Gems op Wikispecies Wikispecies
Portaal  Portaalicoon   Biologie
Zoogdieren

De gems (Rupicapra rupicapra) is een hoefdier uit de familie van holhoornigen (Bovidae). Hij komt voor in Zuidwest-Azië, Zuidoost-Europa, Karpaten, Chartreuse en de Alpen.[2] In de Pyreneeën en de Apennijnen leeft de verwante Pyrenese gems (Rupicapra pyrenaica).

Beschrijving[bewerken]

Gemzen hebben een geitachtig uiterlijk. Ze hebben een ruwe vacht, die bleek- tot geelbruin is in de zomer en donkerder in de winter. De onderzijde van het dier is lichter van kleur, met een witte keelvlek. De poten zijn echter weer donkerbruin van kleur, en over de rug loopt een donkere streep. Het gezicht heeft een duidelijke tekening van twee strepen die aan beide zijde van het hoofd lopen, van de oren via de ogen naar de snuit. Beide geslachten dragen hoorns, maar die van het mannetje zijn groter dan die van het vrouwtje. De hoorns zijn maximaal 32 cm lang. Ze staan recht omhoog maar buigen aan het eind als een haak naar achteren. Een volwassen gems heeft een kop-romplengte tussen de 120 en 150 centimeter. De schouderhoogte is tussen de 70 en 85 centimeter. Mannetjes worden zwaarder dan vrouwtjes. Een mannetje heeft een lichaamsgewicht van 35 tot 50 kilogram, een vrouwtje tussen de 30 en 40 kilogram.[3]

Voedsel en leefwijze[bewerken]

Gems (dier)

Gemzen eten in de zomer allerlei plantaardig voedsel, als grassen en kruiden, knoppen, naalden, schors en twijgen. In de winter voeden ze zich met mossen en korstmossen.

Het zijn dagdieren, die in de middag rusten. Vrouwtjes en hun jongen leven in kuddes, die uit wel honderd dieren kunnen bestaan. Mannetjes leven voornamelijk solitair, behalve in de bronsttijd.

De bronsttijd duurt van midden november tot begin december. De jongen worden in mei of begin juni geboren, na een draagtijd van 24 tot 26 weken. Het vrouwtje krijgt één, soms twee jongen per worp, dat zo'n zes maanden wordt gezoogd. Een gems is meestal na vier jaar geslachtsrijp.

De gems kan zo'n tweeëntwintig jaar oud worden in gevangenschap en vijftien tot zeventien jaar in het wild. Belangrijke natuurlijke vijanden zijn de Euraziatische lynx (Lynx lynx) en de wolf (Canis lupus).

Leefgebied[bewerken]

De gems wordt meestal geassocieerd met hooggebergten, maar komt ook van nature voor in bergbossen. 's Zomers zijn ze vaak op alpenweiden te vinden boven de 1.800 meter. 's Winters trekken ze naar lager gelegen gebieden, beneden de 1.100 meter.[4][3] Het zijn behendige klimmers, die eenvoudig van rots naar rots springen. In de zomer en de herfst leven ze voornamelijk op alpenweiden rond en boven de boomgrens. Meestal is hij lager aan te treffen dan de Alpensteenbok (Capra ibex). In de winter verplaatsen ze zich naar lager gelegen bossen, op een hoogte van zo'n 800 meter.

De Alpengems is aan het begin van de twintigste eeuw (1907 en 1914) geïntroduceerd op het Zuidereiland in Nieuw-Zeeland. De dieren werden geschonken door keizer Frans Jozef I van Oostenrijk. De herkomst van de dieren is niet geheel duidelijk, maar er wordt aangenomen dat ze uit Mürzsteg, Ebensee of de Tiroler Alpen komen.[2]

Leer[bewerken]

De huid van de gems wordt vaak gebruikt als zacht leer, en zeemleer.