Wet op de lijkbezorging

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De Wet op de lijkbezorging is een Nederlandse wet die in 1991 is vastgesteld. Doel is te regelen wat er met een lichaam van een overleden persoon moet gebeuren na dood te zijn geboren of na te zijn overleden. In Nederland zijn voor nabestaanden normaliter de begrafenis of de crematie de twee toegestane manieren om ervoor te zorgen dat een dood lichaam geen schade aan de gezondheid van levenden kan toebrengen.

Verklaring van overlijden[bewerken]

Elk overlijden moet worden vastgesteld (lijkschouw) door de behandelend arts van de overledene[1] of door de gemeentelijk lijkschouwer. Als de behandelend arts de lijkschouw doet, bepaalt deze of hij overtuigd is dat de overledene een natuurlijke dood is gestorven. Als dat het geval is dan kan deze de verklaring van overlijden[2] opstellen. Als deze arts om wat voor reden dan ook (dus ook bij twijfel!) meent niet tot afgifte van een verklaring van natuurlijk overlijden te kunnen overgaan dan wordt onverwijld de gemeentelijk lijkschouwer in kennis gesteld. Op dat moment valt het lichaam van de overledene van rechtswege onder beslag van justitie en mag het niet meer aangeraakt of verplaatst worden. Bij een niet-natuurlijke dood is er namelijk mogelijk sprake van een strafbaar feit, en dient onderzoek te worden verricht naar de toedracht hiervan, alvorens de officier van justitie kan besluiten dat het lichaam vrijgegeven kan worden.

Naast de verklaring van overlijden dient ook een doodsoorzaakverklaring[3] te worden opgesteld: een formulier waarop niet de naam van de overledene wordt vermeld en waarop informatie over de doodsoorzaak wordt genoteerd, ten behoeve van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).

Sinds 1 januari 2010 mag de behandelend arts bij minderjarigen geen verklaring van overlijden meer afgeven zonder overleg met de gemeentelijk lijkschouwer.

Uitvoering door de gemeente[bewerken]

Benoeming van gemeentelijk lijkschouwer[bewerken]

Burgemeester en Wethouders benoemen de gemeentelijke lijkschouwer(s) en verschaffen gelegenheid tot het doen schouwen van lijken. Uitsluitend artsen die als forensisch arts zijn ingeschreven in een daartoe gehouden register, worden benoemd als gemeentelijk lijkschouwer. De gemeenten zijn door de keuze bij de benoeming ook verantwoordelijk voor de kwaliteit van de lijkschouw. De gemeentelijk lijkschouwer voert zijn werk vooral uit voor het Openbaar Ministerie.

Registratie overlijden[bewerken]

De verklaring van overlijden wordt (meestal door de uitvaartondernemer) afgegeven aan een ambtenaar van de burgerlijke stand. De gemeente zal dit in de basisregistratie persoonsgegevens verwerken en de geanonimiseerde informatie over de doodsoorzaak opsturen naar het Centraal Bureau voor de Statistiek en de overlijdensakte opstellen. Ook de doodsoorzaakverklaring wordt afgegeven aan de burgerlijke stand, maar deze wordt ongeopend doorgestuurd naar het CBS.

Verlof tot begraven of crematie (uitvaart)[bewerken]

De ambtenaar van de burgerlijke stand kan een verlof tot begraven of verbranden afgeven, als er sprake van een natuurlijke dood is, of - bij een niet-natuurlijke dood - als het lichaam is vrijgegeven door de officier van justitie. Een uitvaart mag niet eerder dan 36 uur na overlijden en niet later dan 6 werkdagen na de dag van overlijden plaatsvinden. Uitvaarten eerder dan 36 uur moeten worden goedgekeurd door de Officier van Justitie, uitvaarten later dan 6 werkdagen na overlijden moeten toestemming van de burgemeester krijgen. Uitstel wordt doorgaans gegeven als naaste familie moet overkomen uit het buitenland. De termijn van 6 werkdagen is ingevoerd door een wijziging van de wet per 1 januari 2010. Daarvóór gold een termijn van 5 dagen.

Ter beschikking stellen van de medische wetenschap, ontleding, balseming[bewerken]

Voor het ter beschikking stellen aan de wetenschap is een ondertekende verklaring met een dagtekening nodig. Die kan bij leven worden afgegeven bij de medische faculteit van een universiteit. Deze verklaring moet door nabestaanden worden overlegd, als aan de burgemeester van de woonplaats van de overledene toestemming wordt gevraagd tot ontleding. De huisarts krijgt een kopie. Bij balseming moet toestemming van de Officier van Justitie worden gevraagd. Balseming is wel toegestaan als het lichaam naar het buitenland wordt getransporteerd of indien de overledene bijgezet dient te worden, zoals geestelijken of leden van het Koninklijk Huis.

Zeemansgraf[bewerken]

Op zee geldt het zeerecht. Daar zijn voor de gezagvoerder van een zeeschip bijzondere voorschriften geldig, die zijn vastgelegd in een speciaal protocol, dat is geënt op het Besluit op de lijkbezorging. Getracht dient te worden een lijk aan wal te brengen, maar als dat niet mogelijk is dan krijgt de overledene een zeemansgraf.

Als niemand initiatief neemt[bewerken]

Als niemand initiatief neemt tot begrafenis of crematie van een stoffelijk overschot dan wordt de burgemeester verantwoordelijk voor de uitvaart. De gemeentelijke dienst die daarvoor is aangewezen, regelt de uitvaart in zo'n geval namens de burgemeester. Ook kan de gemeente in eerste instantie alleen de eerste verzorging (weghalen overledene en bewaren in mortuarium) regelen. Er is dan even (een of enkele dagen) tijd voor het zoeken van nabestaanden, en/of hen te overreden de uitvaart te regelen. Die zijn daartoe niet verplicht. Als ze niet gevonden worden of weigeren, wordt de overledene gewoonlijk begraven in een algemeen graf. Indien zich tussentijds iemand meldt die wenst dat de overledene een ander graf krijgt, dan mag dat wettelijk, maar er is wel toestemming voor nodig van de beheerder van de begraafplaats.

Herbegraven[bewerken]

Aanvraag tot herbegraven moet via de Officier van Justitie en de burgemeester aangevraagd worden. Na de verplichte 10 jaar mogen de stoffelijke resten alsnog bijgezet worden in een eigen graf of worden gecremeerd.

Kosten en middelen[bewerken]

De vergoeding voor een lijkschouwing door een behandelend arts wordt middels een visitetarief vergoed door de ziektekostenverzekeraar. De kosten voor de werkzaamheden van de gemeentelijk lijkschouwer zijn voor de gemeente.

De kosten van een uitvaart vormen een vordering op de nalatenschap. Deze kosten, indien de overledene geen begrafenisverzekering had, zijn preferent in overeenstemming zijn met de omstandigheden van de overledene. Voor zover de uitvaartkosten buitensporig hoog zijn, hebben ze geen voorrang. Wanneer een derde een uitvaart regelt is hij als opdrachtgever jegens de begrafenisondernemer aansprakelijk voor de kosten, maar kan deze in overeenstemming met de rangorde verhalen op de nalatenschap. Deze derde is de gemeente wanneer niemand anders het initiatief neemt.

Wanneer de vordering niet inbaar is (niet toereikend, en geen erfgenamen die de (negatieve) nalatenschap aanvaard hebben) kunnen ze eventueel vallen onder onderhoudsplicht. Dit betekent dat de kosten verhaald worden op personen die deze onderhoudsplicht jegens de overledene zouden hebben, in praktijk vaak de ouders en kinderen, ook indien ze de erfenis verworpen hebben. Dit kan soms lijden tot situaties waarin iemand aangesproken wordt voor uitvaartkosten voor een familielid met wie hij in onmin leeft of van wiens overlijden hij of zij niet eens op de hoogte was.

Minister Remkes van Binnenlandse Zaken heeft in 2005 berekend dat met de uitvoering van de wet voor de overheid jaarlijks 237.496 uren en € 183.125 waren gemoeid. Deze uren en kosten worden met name door gemeenten gemaakt.[bron?]

Externe links[bewerken]