Justus de Harduwijn

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Justus de Harduwijn (ook: Hardwijn, Herdewijn, Harduyn of Harduijn) ( Gent, 11 april 1582 - Oudegem, 21 juni 1636) was een 17de-eeuws rooms-katholiek priester en dichter uit de Zuidelijke Nederlanden. Hij was de dichterlijke schakel tussen de renaissance en de contrareformatie.

Afkomst[bewerken]

De Harduwijn werd geboren in een humanistische, intellectuele familie. Zijn vader François had een boekbinderij in Gent en was lid van de Raad van Vlaanderen. Zijn vader was eveneens bevriend met jonker Jan van der Noot en had via hem kennisgemaakt met de Franse Pléiade-dichters. Zijn oom, Dionysius Harduwijn, was een geschiedschrijver en daarvan erfde Justus een rijke bibliotheek. Ook de humanistische dichter Maximiliaan de Vriendt was een oom van hem en verder was De Harduwijn nog verwant met Daniël Heinsius.

Leven en werk[bewerken]

De Harduwijn volgde humaniora in het jezuïetencollege dat pas in Gent gesticht was. Rond 1600 ging hij naar Leuven. Hij studeerde onder anderen bij Justus Lipsius en behaalde in 1605 het baccalaureaat in de rechten. Daarna ging hij theologie studeren aan het seminarie van Dowaai. In april 1607 werd De Harduwijn tot priester gewijd en in december van datzelfde jaar werd hij tot pastoor benoemd in Oudegem en Mespelare. De Harduwijn bleef er in dienst tot aan zijn dood.

Omslag van Goddelijcke Wenschen (1629)

De Harduwijn werd lid van de rederijkerskamer van Aalst. Reeds in zijn studententijd dichtte hij de sonnettenbundel De weerliicke liefde tot Roose-mond. Hierin was de invloed van de Pléiade-dichters zichtbaar en het was de eerste volledige Nederlandstalige sonnettenkrans in tegenstelling tot de humanisten die steeds in het volksvreemde Latijn schreven. De bundel werd in 1613 uitgegeven door Guilliam Caudron.

Onder invloed van Calenus en Jacobus Boonen, die zijn mecenas zou worden, zocht De Harduwijn zijn inspiratie in de goddelijke beschouwingen. Het was het begin van zijn renaissancistische en contrareformistische periode. In 1614 schreef hij Lof-Sanck des Heylich Cruys, een vertaling van een werk van Calenus. In Goddelicke Lofsanghen uit 1620, dat opgedragen was aan Boonen, werden een aantal vroegere profane gedichten omgewerkt. In datzelfde jaar verscheen Den val en de Opstand van David/Leed-tuyghende Pasalmen met bijbelse poëzie.

Zijn belangrijkste bundel, Goddelijcke Wenschen verscheen in 1629. Het was een volledige bewerking van het werk Pia desideria uit 1624 van de jezuïet Herman Hugo. In 1630 deed Cornelius Jansenius, die net tot hoogleraar in Leuven was benoemd, een beroep op De Harduwijn om het contrareformistisch pamflet Alexipharmacum in het Nederlands te vertalen.

Samen met David Lindanus schreef De Harduwijn in 1635 nog het Goeden Yever tot het Vaderland ter blijde inkomste van den Coninclijcken Prince Ferdinand van Oostenryck.

De Harduwijns bundels waren niet altijd even origineel omdat ze dikwijls bewerkingen of vertalingen van andere werken waren maar ze hadden een frisse en krachtige taal, een zuiver vers en een verfijnde vorm. Tijdens zijn leven was De Harduwijn één der meestgelezen dichters in de Nederlanden.

Na zijn dood[bewerken]

Na zijn dood taande de belangstelling maar in de 19de eeuw werd De Harduwijn herontdekt door Jan Frans Willems en de letterkundige Johannes M. Schrant. In de 20ste eeuw was het vooral de Gentse literatuurhistoricus Oscar Dambre die verscheidene studies aan De Harduwijn besteedde. De componist Arthur Meulemans schreef muziek op zijn tekst Clachte van Maria benevens het Kruis.

Zowel in Gent als in Sittard-Geleen is een laan naar hem vernoemd.

Uitgaven[bewerken]

  • Justus de HARDUWIJN, Der Liefden Stille Krachten, verzameld en ingeleid door Dr. Oscar DAMBRE. Uitgeverij Heideland, Hasselt, 1967.

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties