Cornelius Jansenius (bisschop van Ieper)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Cornelius Jansen

Cornelius Jansenius, eigenlijke naam Cornelius Jansen (Acquoy, 28 oktober 1585Leuven, 6 mei 1638) was een Zuid-Nederlands rooms-katholieke priester en theoloog. Hij ligt begraven in de Sint-Maartenskerk in Ieper.

Hij studeerde theologie aan de universiteiten van Leuven, Parijs en Bayonne. In 1630 werd hij hoogleraar in de exegese aan de universiteit van Leuven en in 1635 werd hij door de Spaanse koning benoemd tot bisschop van Ieper. Hij stierf reeds drie jaar later aan de pest. Hij is de grondlegger van het naar hem genoemde jansenisme.

Theologische controverse[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Jansenisme voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

In zijn werk Augustinus, sive doctrina Sti. Augustini de humanae naturae sanitate, aegritudine, medicina etc. concludeerde hij dat Augustinus meende dat de menselijke natuur slecht was en plaatste de vrije wil van de mens in het kader van de predestinatieleer. Het gaat er om dat de gelovige het krijgen van zijn zielenheil niet zelf kan afdwingen door bijvoorbeeld het stellen van goede daden. Of de gelovige zielenheil krijgt, ligt volgens de jansenisten volledig in de handen van God. Deze opvatting stond lijnrecht tegenover de opvatting die op het Concilie van Trente werd verkondigd.

Door inzet van de jezuïeten werd het boek al in 1642 veroordeeld. Desondanks bleven enige bisschoppen de stellingen in het boek verdedigen. Het Franse klooster Port-Royal-des-Champs werd zelfs enige tijd een belangrijk theologisch centrum van de jansenisten. In 1653 werden enkele jansenistische leerstellingen opnieuw veroordeeld als calvinistisch, deze keer door paus Innocentius X. De veroordeling betrof geen aanwijsbare teksten, maar een vijftal stellingen opgesteld door de jezuïeten waarvan zij beweerden dat deze in "De Augustinus" te vinden waren, zonder dat zij aangaven waar. De jonge jansenist Antoine Arnauld beweerde dan ook dat de stellingen, zoals de paus deze veroordeeld had, nooit zo waren geschreven. De strijd ging zo ver dat alle Franse geestelijken verplicht een afstandsverklaring van "De Augustinus" moesten ondertekenen. De jansenisten wilden wel tekenen, mits een clausule dat de stellingen te veroordelen waren, maar dat deze niet in "De Augustinus" van Jansenius gevonden konden worden. Om dit te ontkrachten verklaarde paus Alexander VII dat de stellingen precies zo veroordeeld werden zoals Jansenius deze bedoeld had. Na de dood van paus Alexander VII kwam er onder zijn opvolger paus Clemens IX een compromis tot stand dat de clausule toestond, waardoor de afstandsverklaring feitelijk een farce werd. Dit was echter slechts uitstel van executie voor de kloosters van Port-Royal ten zuiden van Parijs. Op grond van deze gebeurtenis, verwijzen oudkatholieke kringen op de onrechtmatigheid van de veroordeling van Jansenius' leer.

De uitgave van het boek "Augustinus", welke werd goedgekeurd door de censor Hendrik van Caelen, kanunnik voor Mechelen, heeft bijgedragen aan het ontstaan van een spirituele en kerkrechtelijke stroming binnen het katholicisme die door sommigen binnen de Rooms-katholieke Kerk betiteld werd als jansenisme. Door veel halve informatie en foutieve interpretaties en raadgevingen werd verondersteld dat Jansenius een ketterse leer aanprees en dat de jansenisten ketters zouden zijn. Een prominent pleitbezorger van het jansenisme was de wis- en natuurkundige en filosoof Blaise Pascal.

De strijd om de veroordeling van de jansenistische leerstellingen werd tot in de 18e eeuw gedragen, omdat vooral delen van het Franse episcopaat vatbaar bleken voor het jansenisme. Kerkpolitieke redenen speelden daarbij een rol.