Karel van der Heijden

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Karel van der Heijden
Generaal van der Heijden
Generaal van der Heijden
Bijnaam Kareltje éénoog of Generaal éénoog
Geboren 12 januari 1826
Batavia
Overleden 26 januari 1900
Arnhem
Land/partij Flag of the Netherlands.svg Nederlands-Indië, kolonie van het Koninkrijk der Nederlanden
Onderdeel infanterie van het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger
Dienstjaren 1841-1881
Rang Luitenant-generaal
Leiding over militair en civiel gouverneur van Atjeh
Slagen/oorlogen onder meer Tweede expeditie naar Bali, de veldslagen te Atjeh gedurende de periode 1877-1881 als militair en civiel gouverneur van Atjeh
Onderscheidingen onder meer commandeur in de Militaire Willems-Orde
Ander werk Commandant van Bronbeek
Portaal  Portaalicoon   KNIL

Karel van der Heijden (Batavia, 12 januari 1826 - Arnhem, 26 januari 1900) was een Nederlands generaal, onder meer militair en civiel gouverneur van Atjeh.

Loopbaan[bewerken]

Van der Heijden was de buitenechtelijke zoon van generaal de Stuers en een onbekende inlandse (Boeginese) vrouw; hij werd te Batavia geboren maar groeide, als kind aangenomen door Jean van der Heijden en Wilhelmina Siebing, op in Nederland. Op zestienjarige leeftijd vertrok hij vanaf Nieuwediep, als vrijwilliger, aan boord van de East India Packet en zette in de rang van korporaal voet aan de wal in Nederlands-Indië.

Expedities naar Bali, Borneo en Atjeh[bewerken]

Benting aan de Mantallat, tijdens de expeditie naar de Zuider- en Oosterafdeling van Borneo

Van der Heijden werd vervolgens ingedeeld bij het derde bataljon infanterie en op 1 augustus 1842 benoemd tot sergeant, op 16 oktober 1848 tot majoor en nam als zodanig deel aan de tweede en derde expeditie naar Bali. Zijn gedrag gedurende deze veldtochten was zodanig dat hij bij Koninklijk Besluit van 11 december 1849 benoemd werd tot ridder in de Militaire Willems-Orde vierde klasse. Van der Heijden deed vervolgens zijn officiersexamen en werd bij gouvernementsbesluit van 26 maart 1850 benoemd tot tweede luitenant bij het vierde bataljon infanterie te Batavia; gedurende de jaren 1851 en 1852 nam hij deel aan de krijgsverrichtingen in Palembang. Hij werd op 28 mei 1854 tot eerste luitenant benoemd, op de verjaardag van de Koning (19 februari) tot kapitein bevorderd en op Borneo geplaatst, waar hij belast werd met de functie van waarnemend controleur van Barabei-ie (Zuider- en Oosterafdeling van Borneo), op een moment dat de gemoederen in dat deel van de Nederlandse bezittingen steeds meer in gisting raakten en spoedig daarna een hevige opstand uitbrak. Vanaf 1860 tot aan het jaar 1865 nam Van der Heijden aan de belangrijkste krijgsverrichtingen deel, gedurende welke tijd hij tevens belast was met het civiel bestuur in de afdeling Allei en Amandit. Hij werd voor al zijn verrichtingen gedurende deze tijd ( als hebbende zich onderscheiden bij de Zuider-en Oosterafdeling van Borneo gedurende de jaren 1860-1861) benoemd tot ridder in de Militaire Willems-Orde derde klasse. Op 26 oktober 1868 werd hij bevorderd tot majoor en belast met het bevel over het garnizoensbataljon te Banka. Na tot luitenant-kolonel te zijn bevorderd werd Van der Heijden ingedeeld bij de tweede expeditie tegen Atjeh en verkreeg hij het commando over de tweede brigade. Als beloning voor zijn dappere gedrag werd hij, inmiddels belast met de functie van plaatselijk commandant te Semarang, begiftigd met het ridderkruis in de Nederlandse Leeuw.

Militair gouverneur van Atjeh en Onderhorigheden[bewerken]

Van der Heijden in de rang van luitenant-kolonel

Van der Heijden werd op 15 maart 1877 benoemd tot kolonel, ter beschikking gesteld van de militaire en civiele bevelhebber te Atjeh en vanaf 2 juni 1877 zelf belast met de functie van militair- en civiel bevelhebber. Hij toonde hier - ondanks de toestand waarin Atjeh zich bevond, ondanks de matige medewerking van de regering, te midden van de meest inspannende lichamelijke en geestelijke arbeid, in een moordend klimaat - geestkracht en beleid. De tocht naar Samalangan in 1877 - waarbij Van der Heijden getroffen werd door een matte kogel tegen het voorhoofd, kort daarop door een schot door het linkeroog - was een voorspel voor zijn krachtige optreden tegen de Atjehnezen. Ondanks genoemde verwondingen volvoerde hij de opdracht te Samalangan op dusdanige wijze dat hij daarvoor beloond werd met het commandeurschap in de Militaire Willems-Orde. In juni 1878 volgde de inval van Habib Abdul Rachman (in het gebied van de IV Moekims, gedurende de afwezigheid van Van der Heijden), die de Nederlandse vestiging in rep en roer bracht en die een wrange en late vrucht was van het afwachtende stelsel van generaal van Swieten. Van der Heijden stelde, eenmaal benoemd tot gouverneur van Atjeh en opperbevelhebber der troepen, de regering voor met dit stelsel te breken. Uitgaande van de stelling dat de meest humane oorlogsvoering daaruit bestond, dat onafgebroken, met de meeste voortvarendheid, met aanwending van alle krachten gehandeld werd, dat stilzitten en afwachten uit den boze was, ging hij met kracht op het doel, de onderwerping van Atjeh, af en kreeg de noordhoek van Sumatra onder de voet. Zijn voorbeelden Raaff, Michiels, De Brauw, Verspyck, De Brabant en vele anderen stonden hem hierin voor de geest.

Generaal van der Heijden en zijn troepen.

Met de onderwerping van de XXII en XXVI Moekims was het laatste verzet gebroken; het Atjehnese volk was eindelijk overwonnen. Langzamerhand begonnen de bewoners naar hun kampongs terug te keren, de lang verlaten rijstvelden werden opnieuw bebouwd, wapens en munitie werden ingeleverd en de patrouilles konden in alle richtingen het Atjehnese gebied doorkruisen zonder ook maar op enigerlei wijze aangevallen te worden. Nog voor zijn benoeming tot generaal-majoor werd Van der Heijden benoemd tot adjudant van de Koning in buitengewone dienst (26 september 1878). Op 13 januari 1878 werd hij officieel benoemd tot gouverneur van Atjeh en Onderhorigheden en na de verovering van de XXII en XXVI Moekims bij keuze benoemd tot luitenant-generaal. Gedurende meer dan een jaar na deze gebeurtenissen heerstte onder het krachtige bestuur van Van der Heijden overal volkomen rust. Geen vijandelijke bendes vertoonden zich in dit tijdperk binnen het door de Nederlanders bezette gebied. Talrijke patrouilles, voortdurend van de verschillende posten uitgezonden, gaven steun aan de welgezinde, langzaam terugkerende bevolking en benamen kwaadwillenden de moed om op Nederlands gebied enige vijandelijkheid te plegen. Meer en meer scheen zich de toestand van vrede te bestendigen en de Atjehnees, zich in het noodlot schikkend, tot verzoening niet ongezind. In september 1879 bezocht luitenant-generaal en commandant van het Nederlands Indisch leger, Boumeester, Atjeh ter inspectie en bracht hierover verslag uit aan gouverneur-generaal van Lansberge: Over het geheel genomen is de indruk van hetgeen ik te Atjeh zag zeer gunstig geweest, en ik geloof met de opperbevelhebber dat, na het schitterende resultaat van de in het afgelopen jaar ondernomen operaties, de tegenstand in Groot Atjeh voorgoed gebroken is, en ons gezag aldaar feitelijk gevestigd, al moet, om dit te bestendigen, nog veel gedaan worden eer de feitelijke oorlog als beëindigd beschouwd mag worden[1] Bij de eerste steenlegging van de Mesigit nam, behalve een groot aantal der voornaamste hoofden van Groot-Atjeh, vorsten en bestuurders der vazalstaten, een aantal van 6.000 Atjehnezen deel aan het chandoerie-feest (verzoeningsmaaltijd). Er werden nieuwe werken aangelegd en inziende dat dezen hen beschermden, dat de nieuwe wegen, door de gemakkelijker communicatie, bronnen werden van vermeerderde waarde van hun producten, konden de in aanbouw zijnde werken, posten, bruggen, duikers enz. onbewaakt aan de hoede der bevolking worden overgelaten. Door de getroffen krachtige maatregelen werd de toekomst, onder Van der Heiden en zijn chef van de generale staf, luitenant-kolonel Gey van Pittius, met vertrouwen tegemoet gegaan.

De campagne van Van Lansberge[bewerken]

Verovering van Samalangan onder leiding van Van der Heijden (te paard) op 26 augustus 1877

Gouverneur-generaal van Lansberge mocht de moed hebben gehad om met het defensieve stelsel van generaal van Swieten te breken, hij wilde tevens de geestelijk vader zijn van de succesvolle militaire operaties en van de - volgens hem - direct daaruit volgende instelling van een civiel bestuur, als teken dat de oorlog beëindigd was. Omdat Van der Heijden een einde aan het militaire bestuur te Atjeh niet wenselijk achtte en hij niet te bewegen was vrijwillig af te treden als militair gouverneur, bediende Van Lansberge zich van andere wapens dan die der overreding, namelijk van het wapen der laster[2] Uitgaande van de ambitie van Van Lansberge betekende de volgende stap dus dat Van der Heijden, zijnde militair gouverneur van Atjeh, zou moeten opstappen, om plaats te maken voor een civiele gouverneur, voor welke functie hij reeds Pruijs van der Hoeven (resident van Palembang, maar op non-activiteit gesteld) voor ogen had. Bij Koninklijk Besluit van 11 januari 1880 werd Van der Heijden bevorderd tot luitenant-generaal, nog wel op voordracht van gouverneur-generaal en minister gesteld. Hiermee werd officieel erkend dat door Van der Heijden van 23 juli 1878 tot september 1879 zowel in de betrekking als civiel gouverneur als in de betrekking van militair bevelhebber van Atjeh en Onderhorigheden uitstekende diensten bewezen waren. Deze benoeming maakte het voor Van Lansberge tevens onmogelijk om Van der Heijden een door hem ongevraagd en ongewenst ontslag aan te zeggen. Van Lansberge benoemde nu echter twee gouvernementscommissarissen voor de organisatie van het gewest Atjeh en Onderhorigheden om zo spoedig mogelijk te kunnen komen tot een afdoende organisatie van dat gewest. Hoewel hij ontkende, in een brief aan Van der Heijden, dat hij voor één van deze twee functies reeds Pruijs van der Hoeven op het oog had, werden bij gouvernementsbesluit van 30 januari 1880 Pruijs van der Hoeven en Van der Heijden benoemd tot regeringscommissarissen en in juli werden beiden naar Batavia geroepen om hun rapportages mondeling toe te lichten. Van der Heijden bleef er op aandringen dat de opperste leiding van de zaken in Atjeh in de eerste jaren aan militaire handen moest blijven toevertrouwd. Op 10 oktober 1880 werden Pruijs van der Hoeven en Van der Heijden van hun opdracht ontheven. Tevens per gouvernementsbesluit (29 oktober 1880) werd Van der Heijden uitgenodigd nieuwe voorstellen in te dienen ten aanzien van de organisatie van het inlandse bestuur te Groot-Atjeh. Die voorstellen moesten gegrond zijn op een onderzoek omtrent de actuele toestand en de instellingen onder de voormalige sultans, terwijl (schikking van 8 november 1880) aan deze opdracht uitvoering behoorde te worden gegeven in overleg met het lid van de Raad van Indië Mr. T.H. der Kinderen. Aan Der Kinderen was als gouvernementscommissaris voor de reorganisatie van het rechtswezen in de buitenbezittingen het ontwerp van een regeling van het rechtswezen in Atjeh opgedragen.

Het aftreden van Van der Heijden[bewerken]

Van der Heijden op Bronbeek in 1896

Van der Heijden ontving Der Kinderen (op 20 november 1880) te Atjeh, waarop Der Kinderen Van der Heijden meldde dat er bij Van Lansberge klachten waren gekomen met betrekking tot het plegen van onwettige en onwillekeurige daden, waaronder enkelen die onder het bereik van de strafwet zouden vallen, dat een onderzoek door rechter-commissarissen grote opschudding zou verwekken en dat Van der Heijden derhalve een verlof wegens ziekte naar Nederland aan moest vragen. Van der Heijden weigerde dit omdat hij zich van geen kwade daad bewust was. Gedurende zijn aanwezigheid te Atjeh informeerde Der Kinderen bij diverse officieren, hoog en laag in rang, welke grieven zij tegen Van der Heijden zouden hebben en vertelde rond dat Van der Heijden als civiel gouverneur niet op zijn plaats zou zijn. Volgens een zeer geheime boodschap van Van Lansberge werd aan Van der Heijden nu slechts de keuze gelaten tussen de indiening van ontslag binnen veertien dagen en een strafrechtelijke vervolging. Had Van der Heijden echter strafwaardige handelingen gepleegd, dan had Van Lansberge, na Van der Heijdens weigering om een verlof of tot het indienen van zijn ontslag, uit de aard der zaak justitie op hem af moeten sturen maar dat gebeurde niet. Per telegram van 11 maart 1881 werd Van der Heijden medegedeeld dat ingevolge een Koninklijke Machtiging te Atjeh het civiele bestuur was ingevoerd en dat hij eervol was ontheven van het ambt van gouverneur van Atjeh en Onderhorigheden en vervangen werd door een civiel gouverneur, te weten Pruijs van der Hoeven, die op 6 april aankwam. Dezelfde dag werden het civiele bestuur en het bevel over de troepen door Van der Heijden overgegeven aan de nieuwe titularissen. Van 17 april tot 23 mei 1881 verbleef Van der Heijden nog in Batavia. Toen, en evenmin na zijn vertrek naar Nederland, werd hem langs officiële of wettelijke weg, noch door de regering noch door justitie enige mededeling gedaan van strafwaardige handelingen, die hij als gouverneur van Atjeh en Onderhorigheden, tevens militair bevelhebber, ten laste zouden worden gelegd. Minister Goltstein schilderde intussen Van der Heijdens bewind op Atjeh af als een bestuur, zich kenmerkend door militaire willekeur, het vertrouwen missend van de bevolking. Op 18 november 1881 verklaarde hij zelfs in de Tweede Kamer dat Van der Heijden als civiel bestuurder, als politiek man, niet geheel voldaan had aan hetgeen van hem verwacht mocht worden, niet geheel gehandeld had zoals het zijns inziens behoorde.[3]

Terugkeer in Nederland[bewerken]

Van der Heijden in de rang van kolonel

Op 23 mei 1881 vertrok Van der Heijden naar Nederland. Het telegram, door enkele hoofden uit Atjeh, op eigen kosten naar Z.M. de Koning verzonden, waarbij verzocht werd het ontslag van hem in te trekken, had niet mogen baten. Bij zijn aankomst was de laster hem vooruit gesneld. Er was geen regeringspersoon om hem, namens het Nederlandse volk, hulde te bewijzen. De uitslag van een onderzoekscommissie luidde: dat de verkregen inlichtingen en overgelegde stukken niets aan het licht hebben gebracht, dat het recht geeft, tot een beschuldiging van wreedheid tegen het Atjehnese legerbestuur, noch tot het in verdenking brengen van de eer en goede naam van generaal van der Heijden. Op 17 november 1887 werd Van der Heijden benoemd tot commandant van Bronbeek. Zijn adjudant en vriend was daar majoor Schwing. In juni 1891 werd hij benoemd tot adjudant van H.M. de Koningin in buitengewone dienst en op 18 november 1894 sneuvelde zijn zoon Hubert tijdens de Lombok-expeditie. Vroeg in het jaar 1900 werd Van der Heijden ernstig ziek en overleed op 26 januari. Als commandant van Bronbeek werd hij opgevolgd door luitenant-kolonel Van Heurn.

Van der Heijden publiceerde onder meer Het Kamp van Chalons-sur-Marne in de maanden juli en aug. 1866 (1867), Memorie van luitenant generaal K. van der Heijden, naar aanleiding van het voorgevallene op 18 november 1881 in de tweede kamer der Staten Generaal. (1881) en de De Militaire dagjournalen betreffende de Atjeh-oorlog door de commandant. Zijn zoon Eeldert Christiaan werd voor zijn verrichtingen tijdens de Lombok-expeditie, waar zijn broer sneuvelde, benoemd tot ridder in de Militaire Willems-Orde.

Decoraties[bewerken]

  • 1849. Ridder der Militaire Willemsorde vierde klasse (Koninklijk Besluit 11 december 1849, nr. 44): krijgsverrichtingen tegen Bali.
  • 1863. Ridder der Militaire Willemsorde derde klasse (Koninklijk Besluit 7 maart 1863, nr. 68): krijgsverrichtingen van Borneo in 1860 en 1861.
  • 1864. Krijgsonderscheidingen in de zuider -en ooster afdeling van Borneo
  • 1867. Onderscheidingsteken voor langdurige Nederlandse dienst als officier (gouvernementsbesluit, 28 november 1867).
  • Ereteken voor belangrijke krijgsbedrijven 1848-1849 (Bali), 1850-1863 (Zuid- oostkust van Borneo), 1873-1874 (Atjeh) en 1877 (Samalangan).
  • 1874. Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw (onderscheiden bij de tweede expeditie tegen het rijk van Atjeh, Koninklijk Besluit 6 oktober 1874).
  • Atjeh-medaille 1873-1874.
  • 1877. Commandeur der Militaire Willemsorde (als blijk van zijne majesteits hoge tevredenheid waarop hij de onlangs tegen Samalangan (noordkust Atjeh) ondernomen expeditie heeft aangevoerd. Koninklijk Besluit 22 september 1877).
  • 1879. Bij telegram d.d. 20 juni 1879 van de gouverneur-generaal de bijzondere tevredenheidsbetuiging van ZM de koning wegens de vermeestering van Glei-eng.
  • 1881, Betuiging van waardering en dank der regering voor de krachtige leiding gedurende de tijd dat hij belast is geweest met het ambt van gouverneur van Atjeh en onderhorigheden, tevens militair bevelhebber aldaar (kabinets-missive van de gouverneur-generaal, 11 maart 1881).
  • 1881. Huisorde van de Gouden Leeuw van Nassau (bij besluit van Z.M. de koning van 11 april 1881).
  • 1882. Ridder Grootkruis der Orde van de Eikenkroon (Koninklijk Besluit. 6 januari 1882).

Frankrijk benoemde hem tot officier in de "Ordre l’Instruction Publique"

Voorganger:
A.J.E. Diemont
Gouverneur van Atjeh
1877-1881
Opvolger:
A. Pruijs van der Hoeven
Voorganger:
J.C.J. Smits
Commandant van Bronbeek
1887 - 1900
Opvolger:
N.C. van Heurn
Bronnen, noten en/of referenties
  1. G.F.W. Borel. Drogreden zijn geen waarheid, bladzijde 185-186
  2. Van Lansberge schreef eerst wij hebben het schitterende succes van de laatste krijgsverrichtingen te danken aan generaal Van der Heijden. Aan zijn beleidvolle, doortastende optreden is het te danken dat aan de eigenlijke oorlogstoestand in Atjeh een einde is gekomen. Tegelijkertijd schreef hij aan de Minister van Koloniën dat hij zich door waarneming een ongunstig oordeel had gevormd van het bestuur van de militaire gouverneur. 1882. J.J.W.E. Verstege. Eerlijke koloniale staatslieden, aangehaald in: 2009. G.F.W. Borel. Onze vestiging in Atjeh, bladzijde 573.
  3. In de Kamerzitting van 17 maart 1880 sprak de afgevaardigde Rutgers van Rozenburg: Er is niemand van ons die een ogenblik geloof heeft gehecht aan de laster, die ten aanzien van het Indische leger ten toon werd gespreid; niemand die hem niet toeschreef aan de partij der zachtzinnigheid, die, nadat haar systeem na vijf jaar volstrekt faalde het niet zetten kon dat het tegenovergestelde systeem, dat van generaal van der Heijden, werkte, en die daarom de roem trachtte te verkleinen door beschuldigingen van barbaarse handelingen. Niemand van ons twijfelt aan de leugenachtigheid van die aantijgingen. 2009. G.F.W. Borel. Bladzijde 576, noot 959
  • 1865. W.A. van Rees. De Bandjermansinse krijg. Arnhem.
  • 1882. K. van der Heijden. Memorie van luitenant-generaal Karel van der Heijden naar aanleiding van het voorgevallene op 18 november 1881 in de Tweede Kamer der Staten Generaal. Henri J. Stemberg. Den Haag.
  • 1883-84. E.B. Kielstra. Beschrijving van den Atjehoorlog. Den Haag
  • 1896. L.F.A. Winckel. Levensbeschrijving van Generaal K. van der Heyden en De Militaire loopbaan van den Luitenant-Generaal K. van der Heyden. Utrecht. Met een portret door Jan Veth.
  • H.C. Zentgraaff. Atjeh in de Indische Encyclopaedie.
  • Het Gedenkboek van het K.N.I.L., uitgave Madjoe.
  • 2009. G.F.W. Borel. Onze vestiging in Atjeh, drogredenen zijn geen waarheid. Eburon, Delft.
  • Informatie over Atjeh-officieren
Wikisource Bronnen die bij dit onderwerp horen, zijn te vinden op de pagina Toost van Koning Willem III en antwoord van Karel van der Heijden in 1881. op Wikisource
Wikisource Bronnen die bij dit onderwerp horen, zijn te vinden op de pagina De begrafenis van generaal Van der Heijden op woensdag 31 januari 1900 in "Het Vaderland". op Wikisource
Wikisource Bronnen die bij dit onderwerp horen, zijn te vinden op de pagina Beschrijving van de onthulling van een monument voor Karel van der Heyden in "Het Vaderland". op Wikisource