Oehoe

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Oehoe
IUCN-status: Niet bedreigd[1] (2012)
Uhu-muc.jpg
Taxonomische indeling
Rijk: Animalia (Dieren)
Stam: Chordata (Chordadieren)
Klasse: Aves (Vogels)
Orde: Strigiformes (Uilen)
Familie: Strigidae (Uilen)
Geslacht: Bubo (Oehoes)
Soort
Bubo bubo
(Linnaeus, 1758)
Verspreiding van de oehoe
Verspreiding van de oehoe
Afbeeldingen Oehoe op Wikimedia Commons Wikimedia Commons
Oehoe op Wikispecies Wikispecies
Portaal  Portaalicoon   Biologie
Vogels

De oehoe (Bubo bubo) is een van de grootste uilensoorten ter wereld (een andere grote soort is de Blakistons visuil). De naam van de vogel heeft deze te danken aan zijn roepgeluid. Vooral in de late winter laat het mannetje zijn imposante "Oehoe"-roep horen.

Uiterlijke kenmerken van de oehoe[bewerken]

Er zijn veel verschillen in lichaamsgrootte tussen de beide seksen. Het mannetje wordt gemiddeld zo'n 60-64 cm hoog en heeft een spanwijdte van 155-159 cm. Vrouwtjes zijn forser en breder in de schouders met een hoogte van zo'n 65-70 cm en een spanwijdte van 165-190 cm. De maximale leeftijd is 75 jaar. Vrouwtjes vallen al rustend op een uitkijkpost vrijwel direct op door hun ietwat afhangende verenkleed, dat 'te groot' lijkt. Mannetjes maken over het algemeen een 'atletische' indruk met vleugels die strak op het lijf gedragen worden. De oehoe is door zijn grootte, zijn massieve lichaam en dikke kop met geen andere uilensoort in Europa te verwarren. Kenmerkend aan het gezicht van de oehoe zijn de grote ogen en de vaak lange oorpluimen. De oogkleur varieert van felgeel tot vuur-oranje. De oorpluimen zijn overwegend zwart van kleur en worden gevormd door een groepje veren die door een aparte spier op het hoofd worden bewogen. De snavel is zwart en ligt verzonken in een witgevederde huidplooi; de keelplooi.

Het verenkleed is overwegend geel-bruin van kleur met zwarte accenten. De zwarte accenten treden op de rug en de bovenzijde van de vleugels het meest naar voren. Op de borst is het verenkleed kenmerkend okergeel gekleurd en met een witte vlek. De poten van de oehoe eindigen in fors geklauwde tenen. De klauwen zijn gemiddeld zo'n 2-4 cm lang en zijn in staat zeer uiteenlopende prooien te grijpen.

Zintuigen[bewerken]

De oren bevinden zich niet bij de zogenaamde oorpluimen maar aan de zijkant van de kop, en zijn asymmetrisch, niet op dezelfde hoogte. Oehoes zijn, in tegenstelling tot andere uilen, niet dagblind, en zien dus ook goed overdag. De ogen zijn heel lichtgevoelig en kunnen ‘s nachts uitstekend zien. De ogen kunnen niet bewegen in de oogkassen. Maar de oehoe heeft 14 halswervels en kan daardoor de kop volledig naar achter draaien. Door de combinatie van een bijzonder goed gehoor en zicht kan de oehoe kleine prooien van veraf opsporen.

Voedsel[bewerken]

Detail van de kop van een oehoe

De oehoe is een echte opportunist als het om voedsel en broedgedrag gaat. Opvallend is zijn voedselvoorkeur voor de tragere vogels in Nederland. Veldmensen en mensen die nabij oehoe-nesten wonen, spreken van een dier 'dat alles wegvangt dat in de nabije omgeving te halen valt'. In Nederland gaat het daarbij om zwarte kraaien, eksters, roeken, kauwen, gaaien, houtduiven, rotsduiven, alle (tragere) roofvogels, alle uilensoorten, muizen en ratten, hazen en konijnen, egels, jonge fazanten, marterachtigen en jonge vossen. Men kan stellen dat de enige vijand van de oehoe de mens is. Houtduiven, muizen, ratten, egels en kraaiachtigen vormen het voornaamste basisvoedsel van de oehoe in Nederland.

In de uitgestrekte, grote natuurgebieden van Europa leeft de oehoe onder andere van muizen, egels, vissen(!), hazen, patrijzen, duiven, eenden, hagedissen, hamsters, kikkers, (zee-)krabben, regenwormen en kevers.

Jachttechnieken[bewerken]

De oehoe is als opportunistisch jager net zo verrassend voor zijn onderzoekers als voor zijn prooien. De oehoe overvalt kraaiachtigen, roofvogels en uilen op hun slaapplaatsen, na hen eerst enige tijd gade te hebben geslagen vanaf een gedekte uitkijkplaats. De oehoe kan urenlang muisstil op een uitkijkplaats blijven zitten 'roesten' tot er een grote prooi langs komt kruipen. In een duikvlucht vat de uil de prooi dan meestal in het nekvel om het op de plukplaats te ontdoen van veren en huid. Egels worden vakkundig ontdaan van hun gestekelde vacht; de oehoe 'pelt' egels met behulp van een nog onbekende techniek uit hun huid. Door de lange klauwnagels, deert de stekelige vacht van de egel de oehoe nauwelijks. De oehoe is zelfs in staat om jonge vossen te slaan en in zijn geheel al vliegend, mee te sleuren naar de plukplaats. In magere tijden kan de oehoe ook lange tijd van aas leven. Daarbij schijnt er een duidelijke voorkeur te bestaan voor hertachtigen, zoals edelhert en ree.

Voortplantingsgedrag[bewerken]

Een oehoe voert zijn jongen
Oehoe bij zijn jongen

Na een jaar zijn de vogels geslachtsrijp. Het is echter pas in het derde levensjaar dat de oehoe-jongen zich voldoende vaardigheden eigen hebben gemaakt om zich in de vrije natuur voort te planten. Oehoes zijn niet monogaam. Vermoedelijk onderhoudt het mannetje meerdere vrouwtjes in een territorium gedurende de voortplantingsperiode.

In oktober spreken onderzoekers van de najaarsbalts. De mannetjes zetten dan de territoria af door middel van luidkeelse roepen, waarbij de witte keelplooi opgezet wordt. Tevens worden dan de oorpluimen opgericht. Onduidelijk is nog of het 'onderhoud' van de territoria door de mannetjes na de najaarsbalts op enige andere wijze voortgezet wordt. De eigenlijke balts vindt in februari en maart plaats. Mannetjes zingen dan intensief en voeren eveneens demonstratievluchten uit, die als doel hebben de vrouwtjes te imponeren. De mannetjes wijzen de uiteindelijke broedlocatie aan, die vaak op rotsachtige richels gelegen is. Het mannetje voert ook vaak vers gevangen prooien aan vrouwtjes ter imponering. De paring vindt vaak plaats op prominente plaatsen in het landschap, zoals uitstekende rotsrichels, boomtoppen of hoge palen.

In het voorjaar worden twee tot vier eieren gelegd. Het vrouwtje broedt alleen en kleedt de nestkom nauwelijks aan met dons. Het mannetje speelt met name de eerste weken een belangrijke rol. Hij voorziet het vrouwtje van voedsel. Meestal vindt de voedseloverdracht in de broedtijd plaats buiten het nest. Het vrouwtje is dan meestal niet langer dan 10 minuten van het nest. Ze verlaat haar broedsel gemiddeld een keer per etmaal. Soms twee keer. De oehoes jagen meestal in de schemering, maar als ze jongen hebben ook wel overdag. Er worden bij of in het nest vaak voorraden aangelegd.

Na ongeveer 34 dagen komen de grijswitte jongen uit. Al direct na de geboorte zijn de jongen in staat om zich buiten de nestkom te ontlasten. Na 28 a 30 dagen verlaten de jongen het nest. Ze kunnen dan lopen, springen en klimmen met behulp van vleugelslagen. Na een week of tien zijn ze geelbruin en kunnen ze vliegen. In de herfst verlaten ze het ouderlijk nest.

Verspreiding van de oehoe[bewerken]

Oehoes leven in bossen en op vlakten, en zijn erg plaatstrouw. De oehoe komt voor in Noorwegen, Finland en de gordel van wouden in het midden en noorden van vrijwel geheel Eurazië en verder in het Nabije Oosten. In Afrika komen verwanten voor zoals de Afrikaanse oehoe (B. africanus), woestijnoehoe (B. ascalaphus) en Verreaux' oehoe (B. lacteus).

De soort telt 16 ondersoorten:

  • B. b. hispanus: het Iberisch Schiereiland.
  • B. b. bubo: van Scandinavië en Frankrijk tot westelijk Rusland.
  • B. b. interpositus: van Turkije tot Bulgarije, Roemenië en zuidelijk Oekraine.
  • B. b. nikolskii: van oostelijk Irak tot westelijk Pakistan.
  • B. b. ruthenus: centraal, oostelijk en zuidelijk Europees Rusland.
  • B. b. sibiricus: van het Oeralgebergte van oostelijk Europees Rusland en westelijk Siberië tot centraal en zuidwestelijk Siberië.
  • B. b. yenisseensis: van centraal Siberië tot noordelijk Mongolië.
  • B. b. jakutensis: noordelijk-centraal en noordoostelijk Siberië.
  • B. b. turcomanus: van Kazachstan tot westelijk Mongolië en noordwestelijk China.
  • B. b. omissus: van noordoostelijk Iran en Turkmenistan tot westelijk China.
  • B. b. hemachalanus: van de westelijke Himalaya tot westelijk Tibet.
  • B. b. tibetanus: Tibetaans Hoogland.
  • B. b. tarimensis: van het oostelijk Tarimbekken tot zuidelijk Mongolië.
  • B. b. kiautschensis: oostelijk China en Korea.
  • B. b. ussuriensis: van zuidoostelijk Siberië en oostelijk Mongolië tot noordoostelijk China en oostelijk Siberië.
  • B. b. borissowi: Sachalin en de Koerilen.

Voorkomen in Nederland[bewerken]

In Nederland heeft de oehoe definitief voet aan de grond gekregen zonder hulp van mensen. Vermoedelijk is er sprake van spontane migratie vanuit Duitsland. In 2009 werden er al zeven broedparen oehoes gemeld in Nederland. In de Achterhoek werden twee en in Limburg vijf broedparen gemeld.[2] In de ENCI-groeve op de Sint-Pietersberg bij Maastricht broedt al meerdere jaren een oehoe-paar. De Twentsche Courant Tubantia maakte op 29 mei 2009 bekend dat ook in het buitengebied van Enschede een paar is waargenomen. Het gaat hierbij echter niet om een broedpaar, maar om een waarneming van één exemplaar op een locatie waar in het verleden ook al een oehoe werd gezien.[3]

Voorkomen in Vlaanderen[bewerken]

De oehoe broedt in België in het wild in de Ardennen, vooral in verlaten open steengroeves. Incidenteel worden er ook in Vlaanderen oehoes waargenomen, al betreft het in dergelijke gevallen vaak ontsnapte, gekweekte exemplaren. In Vlaanderen is de oehoe uiterst zeldzaam. In 2013 werd het eerste broedgeval gemeld in Genk.[4]

Status[bewerken]

De oehoe heeft een enorm groot verspreidingsgebied en daardoor is de kans op de status kwetsbaar (voor uitsterven) uiterst gering. De grootte van de wereldpopulatie wordt geschat op 250.000 tot 2,5 miljoen individuen. In 2004 werd de populatie in Europa geschat op 19.000 tot 38.000 broedparen. Op wereldschaal gaat de oehoe in aantal achteruit. Echter, het tempo ligt onder de 30% in tien jaar (minder dan 3,5% per jaar). Om deze redenen staat de oehoe als niet bedreigd op de Rode Lijst van de IUCN.[1]

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties