Ridderlijke Duitsche Orde, Balije van Utrecht

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Borstkruis van de Duitse Orde
Kruis van een Ereridder in de Duitse Orde

De Ridderlijke Duitsche Orde in de protestantse Balije Utrecht is een charitatieve (liefdadige) ridderlijke orde die alleen Nederlandse protestantse edellieden toelaat. De orde is in de Reformatie afgesplitst van de katholieke Duitse Orde.

Voor de geschiedenis van de Duitse Orde vóór de Reformatie: Zie Duitse Orde.

In 1518 bezat de Balije van Utrecht, een van de veertien balijen van de grote en rijke Duitse Orde, veertien commanderijen. De orde werd bestuurd door een landcommandeur vanuit het Duitse Huis binnen de muren van de stad Utrecht.

De veertien commanderijen[bewerken]

  • De commanderij van Middelburg of Zandvoord (1248/71-in 1581 verkocht)
  • De commanderij van Katwijk (en Valkenburg) (1241-vanaf 1388 in Katwijk gevestigd en vanaf 1599 samengevoegd met Leiden)
  • De commanderij van Leiden (1268 -rond 1650)
  • De commanderij van Maasland of Hofdijk (1241-heden)
  • De commanderij van Schoonhoven (1395-1578)
  • De commanderij van Schelluinen (1220-1700)
  • De commanderij van Tiel of Hemert (voor 1256-heden, vanaf 1328 in Tiel gevestigd)
  • De commanderij van Rhenen (1277-1630)
  • De commanderij van Doesburg (1286-1657)
  • De commanderij van Dieren (1218-heden, vanaf 1434 behorend aan de balije Utrecht)
  • De commanderij van Ootmarsum (1262-1454 aan de balije Westfalen afgestaan)
  • De commanderij van Nes (voor 1243-1604 door de Staten van Friesland geseculariseerd)
  • De commanderij van Schoten of Schoterburen (voor 1299-heden)
  • De commanderij van Bunne of Bonne (1272-1563)

De commanderijen waren kleine beheerscentra met eigen inkomsten uit voornamelijk pacht en kerkelijke inkomsten (aan veel commanderijen was een parochiekerk verbonden). De commandeur bestuurde het geheel en de op de commanderij levende priester- en ridderbroeders wijdden zich aan gebed en het beheer van de goederen.

De periode van de kruistochten lag in de zestiende eeuw al lang in het verleden en overal in Europa keken de vorsten met enige hebzucht naar de enorme bezittingen van de nutteloos geworden ridderorden. Zo werden militaire orden als de rijke Spaanse Orde van Calatrava binnen de machtsfeer van de koning gebracht. De Duitse Orde heeft dit lot, althans in Nederland, kunnen ontlopen. De Staten van Utrecht verboden in 1581 de katholieke eredienst en alle katholieke orden en instellingen. Hun bezittingen vielen toe aan de Staten van Utrecht. De Duitse Orde kon desondanks blijven bestaan, omdat landcommandeur Jacob Taets van Amerongen de Staten beloofde dat alle ridders protestant zouden worden. Daarmee verviel in theorie ook het verplichte celibaat van de ordebroeders. Het protestantisme wijst het celibaat af, maar het kapittel stond de Ridders van de Duitse Orde in haar Balije pas in 1638 toe om te trouwen. De Staten werden de grootmeester en beschermden als soevereine opvolgers van de afgezworen heer der Nederlanden Filips II de Duitse Orde.

De reformatisering van de orde verliep zeer geleidelijk. De laatste katholieke landscommandeur, Diederik de Bloys van Treslong, trad pas in 1619 af. Zijn opvolger Jasper van Lynden was de eerste van de sindsdien steeds protestantse bestuurders van de balije, maar de laatste katholieke commandeurs verdwenen pas in het midden van de 17e eeuw. Ook het losmaken van de Balije uit het juridische en economische geheel van de Duitse Orde heeft veel tijd gekost. Opvallend is dat de commanderijen van de balije Alden Biesen en de commanderij Ootmarsum, hoewel op het grondgebied van de Republiek der Vereenigde Nederlanden gevestigd, tot de Duitse, katholieke, organisatie behoorden.

Unico Wilhelm van Wassenaer-Obdam door George de Marees. Van Wassenaer draagt mantel en juweel van de Duitse Orde.

De orde was nu een in veler ogen nutteloos maar lucratief instituut geworden. De twaalf commandeurs woonden op hun eigen kastelen en havezathen maar verdeelden wel onderling een groot deel van de inkomsten. De "grote prijs" was de rijke commanderij van Dieren die daarom na 1620 door de leden van de familie Nassau werd opgeëist. De kerken en huizen van de orde geraakten in verval omdat de commandeurs daar niet meer resideerden. De orde liet protestantse edelen met "Duits", dat wil zeggen Nederlands of Duits, bloed en vier adellijke kwartieren in haar midden toe als "ridders-expectant". Uit deze heren werd dan, zo er door overlijden een commanderij vrij kwam, een nieuwe commandeur gekozen. De Orde hield zich nog wel actief bezig met weeshuizen en verschafte geld aan de diaconieën in haar commanderijen. Deze deden op hun buurt aan armenzorg.

Een bijzondere plaats in de geschiedenis van de orde neemt landcommandeur Unico Wilhelm des H.R. Rijksgraaf van Wassenaer-Obdam (1692-1766) in. Hij hervormde de balije grondig. Zijn reorganisaties maakte de orde, zo schrijft J.A. van Zelm van Eldik, aan de vooravond van de revolutieperiode tot een goed functionerend instituut.

De Bataafse republiek verbood de adellijke orde niet en de bezittingen werden door een administrateur beheerd. In 1807 werd het Duitse Huis, min of meer vrijwillig en met recht van eerste koop, aan de regering van Lodewijk Napoleon afgestaan. Het koninkrijk Holland kwam niet aan het regelen van de Duitse Orde, die had moeten toezien hoe de Duitse tak van de orde in 1809 door Napoleon; die adellijke orden verafschuwde, werd opgeheven. In 1811 volgde de Balije Utrecht. Gelukkig voor de Duitse Orde pleegden de hier ten lande met de liquidatie van de orde belaste ambtenaren passief verzet tegen de Franse keizer en schoven ze de verkoop van de goederen op de lange baan.

De Orde in het Koninkrijk der Nederlanden[bewerken]

Koning Willem I gaf de Balije Utrecht haar bezittingen, voor zover nog niet verkocht, weer terug. In een van de eerste wetten van het Koninkrijk der Nederlanden, op 8 augustus 1815, werd de Duitse Orde, ondanks een tegenstribbelende Staten-Generaal, erkend. De koning wees de titel van hoog- of grootmeester na enige aarzeling af, maar verkreeg wel het aggregatierecht. Alle benoemingen en bevorderingen in de Duitse Orde geschieden sindsdien bij Koninklijk Besluit. Opvallend is dat de orde geen regerende vorsten en geen prinsen der Nederlanden in haar midden heeft opgenomen.

De orde heeft tot 1945 ook Duitse ridders-expectanten en commandeurs gekend. Koning Willem III heeft zelfs tegen het grote aantal Duitse voordrachten geprotesteerd. Na 1871 werden er nog elf Duitse edelen tot kapittelridders benoemd. In 1937 werd vastgelegd dat de er geen Duitse onderdanen meer in de orde zouden worden opgenomen. In 1946 werden de Duitse leden geschrapt uit het ledenregister. De enige Duitse commandeur, Wolf Dietrich von Trotha, die sinds 1935 lid van het kapittel was, trof hetzelfde lot.

Mogelijke ridders-expectanten worden vaak al bij hun geboorte als "edelexpectant" aangemeld. Op hun 21e verjaardag kunnen zij als ridder-expectant tot de orde toetreden. Op hun 30e jaar zijn zij verkiesbaar in het kapittel. Het entreegeld bedraagt 1200 gulden. De kapittelridders worden niet tot ridder geslagen, maar leggen een eed af. Het kapittel bestaat uit de landcommandeur, de coadjutor, elf commandeurs en de eerste en tweede kapittelridder.

De eis dat de Nederlandse ridders expectanten "zestien kwartieren oude adel niet besmet met bastaardij" moesten aantonen, werd afgezwakt tot "vier kwartieren met twee grootvaders van families die al vóór 1795 jaar tot de adel behoorden". Het kapittel achtte ook deze toelatingseis aan het begin van de 21e eeuw onhoudbaar en vroeg de Hoge Raad van Adel om een advies over nieuwe toelatingseisen, omdat het "voortbestaan van de orde" niet meer gegarandeerd kan worden[1].

Mede op grond van een reeds in 2003 uitgebracht advies van de Hoge Raad van Adel inzake aanpassing van de toelatingseisen, waar het de eis van vier adellijke kwartieren betreft, stelde de Ridderlijke Duitsche Orde, Balije van Utrecht, in 2006 nieuwe statuten vast. Sinsdien is slechts één adellijk kwartier paternel (aan de vaderszijde) van vóór 1795 en één adellijk kwartier maternel (aan de moederszijde) zonder ouderdomsgrens vereist[2].

In 1992 werd het Duitse Huis gedeeltelijk teruggekocht. De orde heeft in Nederland 130 verpachte boerderijen.

Activiteiten van de Ridderlijke Duitsche Orde in de protestantse Balije Utrecht[bewerken]

Voor bijzondere hulpverlening aan behoeftigen werd door de Duitse Orde de "Johan van Drongelenstichting" (vernoemd naar een voormalig Landcommandeur) opgericht. Per jaar worden ongeveer 500 aanvragen voor hulp en schuldsanering behandeld. Met twee andere Utrechtse fondsen werd een fonds voor individuele materiële noodhulp opgericht. Dit fonds, de "Stichting N(oodhulp) U(trecht)" kan, doordat de gemeente Utrecht de administratie voor haar rekening neemt,al haar middelen inzetten ter leniging van individuele noden in de stad. Het jaarlijks budget hiervoor ligt rond de € 120.000. Deze vorm van hulp voorziet in een grote behoefte. Ook wordt een substantieel deel van het jaarlijkse budget van de orde besteed aan bijdragen voor het aanschaffen van aangepaste vervoermiddelen of aanpassingen aan woningen; aanvullingen op voorzieningen die de overheid geeft in het kader van de Wet voorzieningen gehandicapten.

Ook in grotere projecten, te denken is aan het financieel helpen realiseren van huizen voor stervensbegeleiding (het Johannes Hospitium Vleuten) of opvangcentra voor zwerfjongeren ("Singelzicht" in Utrecht), is de orde betrokken. Hoewel het overgrote deel van de middelen wordt besteed in het binnenland, is jaarlijks een kleine ton beschikbaar voor buitenlandse projecten. In toenemende mate wordt daarbij de aandacht gericht op gebieden waarmee de orde van oudsher banden heeft zoals de Baltische Staten, Kaliningrad en Polen. De orde geeft ook geld voor medisch-wetenschappelijk onderzoek. Het Vicariefonds wordt gebruikt om het reformatorisch-christelijke gedachtegoed te bevorderen en draagt bij aan Klinisch Pastorale Vorming (KPV), buitenlandse studiereizen, sabbaticals en bijdragen in promotiekosten voor predikanten.

Wapen van landcommandeur A.W.J.J. baron van Nagell
Wapen van Landcommandeur van Wassenaer
Wapen van Landcommandeur Bentinck

Heraldiek[bewerken]

De commandeurs en de landcommandeur van de orde palen, of kwartileren, wanneer dat heraldisch, gezien de stukken, beter uitkomt, hun eigen wapen met dat van de Duitse Orde. In de 17e eeuw was het daarvoor gebruikte kruis nog van een zilveren zoom voorzien. In de loop der eeuwen werd het kruis eenvoudiger van snit en tegenwoordig is het een eenvoudig Latijns kruis. De vele in het Duitse Huis bewaard gebleven wapens en portretten van de landscommandeurs zijn een rijke bron van heraldische kennis. Dat geldt ook voor de honderden uitgegeven kwartierstaten van de ridders-expectanten die, zelf of vertegenwoordigd door hun vader, "op hun woord van edelman" een document met hun wapen en dat van hun adellijke grootouders overleggen.

Godard John Charles George graaf van Aldenburg-Bentinck in het uniform van een ridder-expectant in de Duitse Orde. Het juweel om zijn hals is niet dat van de Duitse Orde maar de Pruisische Johanniterorde. De ridder-expectant draagt een klein kruis aan een zwart lint op de linkerborst.

Ordekleding[bewerken]

De orde bezat tot voor enige jaren als ordekleding een kostbaar uniform van witte stof met zwarte omslagen, hoge kaplaarzen, zwaard en kraagspiegel. Daarbij werden een witte mantel en een witgevederde hoed gedragen. Tegenwoordig wordt de mantel over een jacquet gedragen. De ridders-expectanten dragen een klein kruis aan een zwart lint in het knoopsgat. De commandeurs dragen een kruis aan een zwart lint om de hals en een zilveren, zwart gemaakt, kruis op hun borst.
De landcommandeur draagt zijn kruis aan een gouden keten. Er zijn geen vrouwelijke leden.

Anne Willem Jacob Joost Baron van Nagell

De landcommandeurs sinds 1620[bewerken]

(35) Hendrik Casimir I van Nassau-Dietz, 1620-1640.

(36) Willem Frederik van Nassau-Dietz, 1641-1664.

(37) Floris Borre van Amerongen, 1664-1675.

(38) Heinrich von Solms, 1675-1693.

(39) Hendrik Casimir II van Nassau-Dietz, 1693-1696.

(40) Godard van Reede van Athlone, 1697-1703.

(41) Frederik Borre van Amerongen, 1703-1722.

(42) Willem van Lintelo, 1723-1732.

(43) Evert Jan Benjamin van Goltstein, 1732-1744.

(44) Lucas Willem van Broekhuizen, 1744-1748.

(45) Hendrik van Iselmuden, 1748-1751.

(46) Frederik Willem Torck, 1753-1761.

(47) Unico Wilhelm van Wassenaer, 1763-1766.

(48) Frans Steven Carel van Randwijck, 1766-1785.

(49) Karl Ludwig von Anhalt-Bernburg-Schaumburg, 1786-1806.

(50) Jan Walraad van Welderen, 1806-1807.

(51) Arend van Raesfelt van Elsen, 1807.

(52) Volker Rudolf Bentinck van Schoonheeten, 1807-1820.

(53) Adriaan Wolter Willem Sloet van Sinderen, 1820-1824.

(54) Godert Willem de Vos van Steenwijk, 1824-1830.

(55) Rudolph Hendrik van Iselmuden, 1831-1834.

(56) Floris Willem Sloet tot Warmelo, 1834-1838.

(57) Albert Carel Snouckaert van Schauburg, 1838-1841.

(58) Carl Wilhelm Georg Johan Theodor Bodelschwingh-Plettenberg, 1841-1850.

(59) Otto Anna van Bylant, 1850-1857.

(60) Boudewijn Reynt Wouter Sloet van Hagendorp, 1857-1863.

(61) Frederik Louis Wilhelm van Brakell, 1863-1865.

(62) Hendrik Rudolph Willem van Goltstein van Oldenaller, 1865-1868.

(63) Alexander Carel Jacob Schimmelpenninck van der Oye, 1868-1877.

(64) Jan Derk van Rechteren van Ahnen, 1877-1886.

(65) François Maximiliaan van der Duyn, 1886-1889. Otto van Dedem, 1889-1894.

(66) Reinhard Jan Christiaan van Pallandt van Rosendael, 1894-1899.

(67) Emilius Johan van Pallandt, 1899-1914.

(68) Alexander Schimmelpenninck van der Oye, 1914-1918.

(69) Anne Willem Jacob Joost van Nagell, 1918-1936.

(70) Otto Jacob Eiffelanus van Wassenaer van Catwijck, 1936-1939.

(71) Karel Gerrit Willem van Wassenaer, 1939-1946.

(72) Frand Johan Julius van Heemstra, 1946-1958.

(73) Bernhard Frederik van Verschuer, 1958-1971.

(74) Hendrik Jan van Nagell, 1971-1977.

(75) Paul Anthony van der Borch, 1977-1992.

(76) Albert van Harinxma thoe Slooten, 1992-

Externe link[bewerken]

Portal.svg Portaal Ridderorden
Bronnen, noten en/of referenties
  1. Jaarverslag Hoge Raad van Adel op [1] Aan de Ridderlijke Duitsche Orde, Balije van Utrecht, werd advies verstrekt inzake aanpassing van de toelatingseisen tot deze Orde. Volgens de laatstelijk in 1986 gewijzigde statuten dienen aspirant-leden van het mannelijk geslacht te zijn, de Nederlandse nationaliteit te bezitten, de “reformatorische” godsdienst te belijden en te kunnen bogen op vier adellijke kwartieren van tenminste 200-jarige adeldom. Uit verschillende de laatste jaren gedane onderzoeken is echter gebleken dat het aantal potentiële kandidaten dat aan deze toelatingseisen voldoet te gering is om aan de Orde voldoende toekomstperspectief te bieden.]. Gezien op 2 augustus 2013
  2. Jaarverslag 2006 - Hoge Raad van Adel op [2]. Gezien 3 augustus 2013.