Ur (Sumer)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Ur
Plaats in Irak Vlag van Irak
Ur (Sumer)
Ur (Sumer)
Coördinaten 30° 57′ NB, 46° 6′ OL
Portaal  Portaalicoon   Azië

Ur (ook wel Oer en in het Sumerisch: Urim) was een stad in Sumer, in het zuidelijk deel van Mesopotamië (hedendaags zuidoost Irak), waar de rivieren Eufraat en Tigris in de Perzische Golf uitmonden. De stad werd reeds ca. 4000 v.Chr. gesticht. Zij is eeuwenlang een van de belangrijkste steden van de Sumerische cultuur geweest. Tegenwoordig is het dan ook een belangrijke archeologische vindplaats.

Stadsbeeld[bewerken]

Ruïnes van de stad Ur met de ziggoerat van Ur-Nammu op de achtergrond

De stad was gelegen even ten zuiden van het huidige Nasiriyah aan de benedenloop van de Eufraat, niet ver van de toenmalige golfkust en zou een belangrijke havenstad zijn geweest.

Door diverse opgravingen hebben we een tamelijk goed beeld van hoe de stad er uitzag. In het noorden was het stadsdeel dat gewijd was aan de maangod Nanna, de hoofdgod van de stad. Hier stond ook de ziggoerat die ca. 2200 v.Chr. werd gebouwd.

Om de ziggoerat heen bevonden zich nog een paar belangrijke bouwwerken. Het paleis Echursanga dateert van de derde dynastie van Ur en was het koningspaleis van Ur-Nammu en Schulgi. Het Egipar was een heiligdom gewijd aan Ningal en is ook in de derde dynastie gebouwd.

Obeid[bewerken]

Dichtbij Ur is Al-Ubaid (of Obeid) waar al in de prehistorie ca. 6500 - 3800 v.Chr. (in het Keramisch Neolithicum en de Kopertijd) een belangrijke nederzetting was. Uit deze vroege tijd zijn boten van klei gevonden als bewijs van het feit dat men de rivier en misschien ook de golfkust bevoer. Ook halfedelstenen die uit India afkomstig zijn, laten verre handelscontacten vermoeden.

Dynastiëen en perioden[bewerken]

Pre-Dynastische tijd[bewerken]

De oudste laag van Ur (ca. 4000 v.Chr.) is volledig bedekt met een dikke laag klei, afkomstig van een overstroming die de stad heeft verwoest. De Mesopotamische geschiedenis werd doorkruist door rampzalige overstromingen. In deze laag klei zijn menselijke resten gevonden, afbeeldingen van godinnen en beschilderde potten.

Bovenop deze kleilaag is een afzetting van vijf en een halve meter dik die de restanten bevat van de vroegstedelijke periode (ca. 3400 tot 2900 v.Chr.). In deze laag zijn talloze pottenbakkersovens gevonden, alsmede ruwe kleipotten voor het afmeten van voedselhoeveelheden.

Vroeg-Dynastisch[bewerken]

Voorstelling van de Oorlog van Ur (Standard of Ur), ca. 2600 v.Chr. (British Museum)
Kleitablet met Sumerisch spijkerschrift (± 2400 v.Chr.)

Twee vroegdynastische perioden begonnen in ca. 2750 en ca. 2400 v.Chr. In deze periode moest Ur eerst het voortouw laten aan Uruk en Kisj. Een archief van enkele honderden teksten uit ca. 2650 v. Chr. (waarvan de herkomst onbekend is en dat slechts op een deel van de samenleving (personen, land) betrekking heeft) toont een sociale gelaagdheid, beroepsmatige specialisatie, en de economische macht van een grote organisatie, die personeel in dienst heeft, rantsoenen en land ter beschikking stelt en over een goede administratie beschikt. Vanaf ca. 2560 v.Chr. was de stad onder Mesannipadda en zijn dynastie (Ur I) een tijdlang de belangrijkste en welvarendste stad van Sumer. Dit blijkt uit de koningsgraven die in deze tijd zijn opgericht. Woolley vond bij zijn opgravingen van deze tombes vele skeletten van personen van de hofhouding die zelfmoord hadden gepleegd om hun meester of meesteres in het hiernamaals te kunnen dienen. De hofdames waren getooid met sieraden uit goud en Lapis lazuli. Ook waren er lijfwachten. De laatste van deze graven moeten mogelijk al toegeschreven worden aan de eerste van de drie echte dynastische perioden van de stad Ur. Er was een zware terrasmuur rond delen van Ur.

Rond 2334 kwam er een eind aan de eerste dynastie.

Tijdens de tweede dynastie, waarover niet veel bekend is, berustte de macht eerst bij de Semitische vorsten van Akkad en daarna bij de Guti.

De derde dynastie[bewerken]

Met Ur-Nammu van Ur begon ca. 2112 v.Chr. opnieuw een bloeiperiode voor Ur onder de derde dynastie van Ur (Ur III). Deze duurde tot 2004 v.Chr. In deze tijd stond de cultuur van het land op een bijzonder hoog peil en de overblijfselen getuigen van een tijd van grote rijkdom. De maatschappij was grotendeels rond de tempel georganiseerd. Men bouwde trapvormige piramides, ziggoerats genoemd, om er de goden te vereren, vooral de maangod Nanna. De landbouw stond op hoog peil en met een goed georganiseerd bevloeiingsstelsel werden grote oogsten binnengehaald.[1]

Amorieten en Elam[bewerken]

Ongeveer 2000 v.Chr. kwam er een einde aan het rijk door de opdringende Amorieten en verscheidene aanvallen van Elam, maar ook interne problemen speelden hier een belangrijke rol in. Na de verwoesting van de stad door de Elamieten kon Ur nog enkele eeuwen stand houden maar dan vooral als handelsplaats en vereringplaats voor de Mesopotamische maangod Nanna

Kassieten[bewerken]

In de periode van de Kassieten (ca. 1350 v.Chr.) werd het Nannaheiligdom gerestaureerd.

Assyrische overheersing[bewerken]

In de periode van de Assyrische overheersing in de 7de eeuw v.Chr. kreeg de stad nog aandacht van de Assyrische koningen. Zo liet de vorst Nebukadnezar II een nieuwe muur rondom het tempelcomplex optrekken en waren er meerdere restauraties.

Gedurende het 1ste millennium v.Chr. verlegde de Eufraat haar bedding naar het Oosten en werd Ur meer en meer opgeslokt door de woestijn. Het werd dus moeilijker om er een grote bevolking te voeden.

Nieuw-Babylonië[bewerken]

In de nieuw-Babylonische periode in de 6de eeuw v.Chr. werd het zuiden van Mesopotamië overheerst door een Babylonisch-Aramees bevolkingsgroep, de Chaldeeën. Volgens het Oude Testament zouden zij de voorvaderen zijn van de familie van Abraham. In deze periode was er een laatste kleine opbloei van de stad. Het Nanna stadsdeel werd sterk uitgebreid en kreeg een machtige muur. In het noorden van de stad werd een groot paleis opgericht voor Belschaltinanna, een dochter van koning Nabonid.

Perzische overheersing en einde van Ur[bewerken]

Omstreeks 535 v.Chr. stopt als het ware de geschiedenis van Ur. Tijdens deze periode van Perzische overheersing bloedt Ur leeg. Een oorkonde uit 316 v.Chr. is het laatste gedateerde voorwerp waaraan we kunnen afleiden dat de stad nog werd bewoond. De naburige stad Uruk was nog steeds bevolkt en was bekend om zijn astronomie, maar Ur werd enkel nog bewoond door rondtrekkende nomaden die het af en toe bezochten om er een tijdelijk kampement op te slaan.

Opgravingen en vondsten[bewerken]

Halverwege de 19e eeuw n.Chr. stond de ziggoerat van Nanna er nog zo goed als intact. Hij was destijds bekend als Tell al-Muqayyar (de trappenheuvel). In 1854 liet de Britse consul (op zoek naar schatten) de getrapte toren van bovenaf afbreken. Hij vond tenslotte een kleicilinder met inscripties. Deze werd in eerste instantie onbelangrijk gevonden. De Arabieren gebruikten vervolgens de leemtegels van de Ziggoerat als bouwmateriaal.

In de eerste wereldoorlog smeekte een van de Britse officieren (die in vredestijd voor het Britse Museum werkte, en nu op mars was naar Bagdad), om de ruïnes en de inmiddels vergeten kleirol nog eens goed te bekijken. Daar gaf men klaarblijkelijk gehoor aan.

Nu werd duidelijk dat de gevonden ziggoerat behoorde tot de stad Ur en dat de Babylonische heerser Nabonid de Ziggoerat ca. 550 v.Chr. nog had laten restaureren. Nog veel meer teksten in spijkerschrift bevestigden, dat Ur ooit een van de belangrijkste steden van Sumer was geweest.

In 1922 kwam een archeologische expeditie onder leiding van Leonard Woolley naar Ur en begon met systematische opgravingen van de Tell (een heuvel waar een nederzetting onder ligt). Woolley groef hier gedurende 1922-1934. Hij groef ook de koningsbegraafplaats op. De meeste graven waren al geschonden, behalve de grafkamer van de koningin Puabi, die begraven was met 23 dienaressen die vele juwelen droegen. De koningin zelf had kostbare grafgiften van goud, Lapis lazuli, Achat en Chalcedoon. Koning Mesilim van Kish droeg een gouden helm (zo dun als papier) en een gouden dolk met een handvat van lapis lazuli. De bekendste vondst van de opgravingen is een stierenkop van gedreven goud, versierd met blauwe lapis lazuli. Hij zat als versiering op een harp.

Ca. 200 m. zuidelijk van de ziggoerat werden de oudste structuren van Ur opgegraven. Het ging om de koningsgraven van Ur die uit ca. 2600-2500 v.Chr. stammen (Vroeg-dynastische tijd). Ze waren een gedeelte van een begraafplaats met ca. 2000 graven. Een paar van de koningsgraven waren nog niet geroofd en er werden kostbare grafgiften gevonden. Vlakbij deze begraafplaats vond men ook de monumentale grafcomplexen van de koningen van de derde dynastie. In het zuiden van de stad kon een groot gedeelte van de woonstad uit deze tijd opgegraven worden. De huizen waren meest aan de kleine kant en hadden een binnenplaats. Er waren meerdere stegen, maar er zijn geen aanwijzingen dat er volgens een stadsplan gebouwd werd.

Een excerpt dat ook werd gevonden op een kleitablet geeft een mythologische versie over de ondergang van Ur, enkele regels:

Hij heeft zijn stal verlaten, zijn schapenkudde is overgeleverd aan de wind.

De wilde ezel heeft zijn stal verlaten, zijn schapenkudde is overgeleverd aan de wind.

De meester van alle landen heeft zijn stal verlaten, zijn schapenkudde is overgeleverd aan de wind.

Enlil heeft Nippur verlaten, Zijn schapenkudde is overgeleverd aan de wind.

Zijn vrouw Ninlil heeft Haar stal verlaten, Haar schapenkudde is overgeleverd aan de wind.

Ninlil heeft Hun huis Kiur verlaten, Haar schapenkudde is overgeleverd aan de wind.

De koningin van Kiš heeft haar stal verlaten, haar schapenkudde is overgeleverd aan de wind.

Ninmaḫ heeft Hun huis Kiš verlaten, Haar schapenkudde is overgeleverd aan de wind.

...

Bijbel[bewerken]

Volgens de overlevering van het Oude Testament van de Bijbel zou Abraham geboren zijn in Ur. In Urfa (Turkije) meent men echter dat hij daar is geboren. Aartsvader Abraham trok van daaruit naar Kanaän. Er staat echter bij vermeld dat Ur van de Chaldeeën was. De Chaldeeën waren een Aramese stam die omstreeks 970 voor Christus (een klein millennium na de tijd waarin Abraham geleefd zou hebben) Babylonië binnenviel. In de Hebreeuwse Bijbel staat niet vermeld of de Chaldeeën al in Ur woonden ten tijde van Abraham of dat Abraham zelf een Chaldeeër was. Volgens sommige onderzoekers zou de toevoeging Ur in Chaldea een anachronistische latere toevoeging door de schrijvers van het Oude Testament zijn geweest, dat in feite pas in de 6e eeuw v.Chr. tijdens de ballingschap werd neergeschreven.[2] Een andere mogelijkheid is dat met het Bijbelse Ur een andere stad dan het Sumerische Ur(im) bedoeld is. Men denkt daarbij vooral aan de stad die nu Urfa genoemd wordt en onder de Arameeërs als Urhai bekendstond. De Bijbel noemt namelijk ook de stad Harran die daar niet ver vandaan ligt als verblijfplaats van de aartsvader en de stad ligt eerder in het gebied waar in zijn tijd Kaldu te situeren zijn.

Overzichtstabel Neolithicum[bewerken]

Noten[bewerken]

  1. Messanipadda en zijn zoon A’annipadda waren de eerste twee van vijf koningen uit de eerste dynastie, maar de belangrijkste dynastie van Ur is ongetwijfeld de derde dynastie van Ur die in 2112 v.Chr. aanvang nam met koning Urnammu. Hij werd opgevolgd door vier andere vorsten beginnende met Sulgi, Amar-Sin, Su-Sin en Ibbi-Sin. Zij waren heerser over heel Mesopotamië inclusief gebieden zoals Elam en delen van Syrië voor bijna een ganse eeuw. Daarvoor hadden ze een centraal systeem uitgebouwd, dat werkte met stadsvorsten en gouverneurs. Ook is dit de periode van enorme bouwactiviteiten in de stad, zo werd de ziqqurrat goed bewaard door de bakstenen bekleding die het omsloot. Er zijn ook nog andere bakstenen gebouwen uit de derde dynastie bewaard. De belangrijkste zijn de tempel van Ningal de maangodin, het koninklijk paleis en een overdekte ondergronds mausoleum dat spijtig genoeg al in de Oudheid zelf werd leeggeroofd door grafrovers en dat mogelijk veel schatten herbergde. Al deze gebouwen en heiligdommen werden door een muur omsloten en zo afgesloten van de rest van de stad.
  2. Magnussen, M. 1978: Graven in Bijbelse Bodem - Archeologie van de landen van de Bijbel, Westland, Schoten, ISBN 9024670209 p. 37

Literatuur[bewerken]

  • Eva Strommenger: Ur, Hirmer Verlag München, München 1964

Externe links[bewerken]