Agathaumas

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Agathaumas
Status: Uitgestorven, als fossiel bekend
Taxonomische indeling
Rijk: Animalia (Dieren)
Stam: Chordata (Chordadieren)
Klasse: Reptilia (Reptielen)
Orde: Ornithischia
Onderorde: Cerapoda
Infraorde: Ceratopia
Familie: Ceratopidae
Onderfamilie: Ceratopinae
Geslacht
Agathaumas
Cope, 1872
Typesoort
Agathaumas sylvestris
Afbeeldingen Agathaumas op Wikimedia Commons Wikimedia Commons
Portaal  Portaalicoon   Biologie
Reptielen

Agathaumas is een geslacht van plantenetende ornithischische dinosauriërs, behorend tot de groep van de Ceratopia, dat tijdens het late Krijt leefde in het gebied van het huidige Noord-Amerika.

Vondst en naamgeving[bewerken]

In 1872 ontdekten de amateurgeologen Fielding Bradford Meek en Henry Martyn Bannister terwijl ze op zoek waren naar fossiele schelpen bij de Black Butte in Sweetwater County in Wyoming de resten van een dinosauriër. Beiden waren op dat moment officieel in dienst van Ferdinand Vandiveer Haydens Geological Survey of the Territories en meldden hun vondst aan de paleontoloog die aan die overheidsorganisatie verbonden was: Edward Drinker Cope. Cope onderzocht de vindplaats zelf, ontdekte nog meer botten van een gedeeltelijk skelet en raakte erg opgetogen van de vondst.

In 1872 nog benoemde Cope de typesoort Agathaumas sylvestris. De geslachtsnaam is afgeleid van het Klassiek Griekse agan, "bovenmatig", en thauma, "wonder", en staat in de mannelijke uitgang ~as. Cope was namelijk verwonderd door de enorme omvang van het beest, waarvan hij op dat moment dacht dat het het grootste landdier was dat ooit gevonden werd. In feite waren Britse paleontologen toen al tot de conclusie gekomen dat de nog veel grotere sauropoden ook landdieren waren in plaats van zeedieren maar dat was nog niet tot Cope doorgedrongen. De soortaanduiding betekent "van het bos" in het Latijn, een verwijzing naar de de vele fossiele plantenresten die ook op de vindplaats werden aangetroffen en die wezen op een leefgebied dat dicht begroeid was. Het woord wordt correct gespeld als silvestris en latere onderzoekers hebben de soortaanduiding vaak zo willen emenderen — wat ze poogden door de correcte spelling in hun publicaties te gebruiken — maar volgens de regels van de ICZN heeft de onjuiste spelling prioriteit en blijft de soortaanduiding sylvestris.

Het holotype, AMNH 4000, is gevonden in een laag van de Lanceformatie die dateert uit het Maastrichtien. Het bestaat uit delen van het bekken, zestien wervels waaronder alle sacrale en ribben. Dit was de eerste meer omvangrijke vondst die van een ceratopiër gedaan werd en Cope wist niet goed met wat voor soort dier hij van doen had.

Dat bleek ook in 1874 toen hij wat botten gevonden in Colorado, een bovenstuk van een scheenbeen en een centrum van een sacrale wervel, specimen USNM 244537, benoemde als een tweede soort van Agathaumas: Agathaumas milo. Cope gaf geen etymologie van de soortaanduiding en het is een raadsel wat hij ermee bedoelde. De vondst werd ook niet voldoende door hem beschreven zodat de naam een nomen nudum bleef. In feite zijn de botten van een hadrosauride.

Na 1887 werd door de vondsten van Othniel Charles Marsh eerst duidelijk om welk type dieren het ging. Cope, die een rivaal van Marsh was, eiste nu de eer op de groep ontdekt te hebben. Marsh' Triceratops ging hij stug met Agathaumas aanduiden. Anders dan hij hoopte had dit niet zo'n effect op de naamgeving. Triceratops flabellatus werd door Karl Rudolf Burckhardt in 1892 hernoemd tot Agathaumas flabellatus. Triceratops prorsus Marsh 1890 werd in 1893 door Richard Lydekker hernoemd tot Agathaumas prorsus. Zijn eigen Polyonax mortuarius Cope 1874 werd in 1901 door Oliver Hay hernoemd tot Agathaumas mortuarius en zijn Monoclonius sphenocerus Cope 1889 werd in 1913 door Gustav Tornier hernoemd tot Agathaumas sphenocerus. Zo recent als 1994 sprak Brent Breithaupt van een Agathaumas monoclonius.

Literatuur