Blokkade van de Schelde

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De blokkade van de Schelde is een reeks historische blokkades op de Schelde, in de omgeving van Antwerpen. Dit artikel behandelt ook de 19e-eeuwse tolheffing op de Schelde. De blokkades hadden een grote weerslag op de economie van de Zuidelijke Nederlanden, aangezien hierdoor Antwerpen zijn belangrijke positie verloor. Dankzij zijn strategische ligging, die zeeschepen tot diep in het binnenland voerden, via de Wester- en Oosterschelde, was Antwerpen in de 16e eeuw uitgegroeid tot het belangrijkste handelscentrum in het Europa ten noorden van de Alpen. Daarom werden ook andere steden in de Zuidelijke Nederlanden (met name Brussel, Leuven, Gent en Kortrijk) door de blokkade minder goed per schip bereikbaar. Ook voor de Noordelijke Nederlanden hebben ze een grote invloed gehad, want dankzij het verval van Antwerpen konden de Noord-Nederlandse havens verder uitgroeien tot wereldhavens. Dit mede doordat tijdens de Tachtigjarige oorlog veel vooral protestante handelaren uit Antwerpen en Vlaanderen zijn gevlucht naar het Noorden, met hun kennis en kapitaal. Dit droeg bij aan de Gouden Eeuw.

Eerste belemmeringen[bewerken]

In 1572 werd de scheepvaart over de Schelde een eerste maal geblokkeerd, door de Watergeuzen in de aanloop van het Beleg van Middelburg. Op dat moment was er nauwelijks een onderscheid te maken te maken tussen Noord- en Zuid-Nederland, zeker niet in deze regio. Het was een vrij algemene oproer tegen de Spaanse bezetting. Dit was het gevolg van de langdurige bezetting door de Spanjaarden, die met allerlei belastingen zowel in de Zuidelijke als Noordelijke Nederlanden de handel zwaar belastte en het opkomende protestantisme zwaar vervolgde. In eerste instantie was het slechts een kortstondige blokkade. Na de Spaanse Furie sloot Antwerpen zich aan bij de opstandelingen. Toen de Spanjaarden het beleg rond de stad sloegen werd op bevel van de hertog van Parma een brug gebouwd tussen de forten van Sint-Marie en Sint-Filips om zo alle toegangswegen via water tot Antwerpen te blokkeren. Deze brug vervulde het beoogde doel: vanaf maart 1585 was er opnieuw geen scheepvaart meer mogelijk over de Schelde. Al snel gaf de stad zich over aan de leger van Alexander Farnese.

Noord versus Zuid[bewerken]

Als gevolg hiervan werd de Schelde opnieuw afgesloten, ditmaal door een vloot van de Republiek. De opgelegde blokkade bestond uit lange, platboomde oorlogsschepen die bekendstonden als "drimmelaars" of "uitleggers". De vloot werd gesteund door de forten van Lillo en Liefkenshoek (toen nog in handen van de Republiek). In de periode 1585-1648 zijn door het Leger van Vlaanderen diverse mislukte pogingen gedaan om deze forten te heroveren. Strategisch voor het Noorden was ook de inname van Staats-Vlaanderen, waardoor de monden van de Schelde geheel op haar grondgebied kwamen te liggen. Bovendien viel hierdoor tevens de scheepvaart op de Sassevaart en het Zwin stil.

Alle vreemde schepen werden tegengehouden, enkel binnenvaart tussen de Noordelijke en de Zuidelijke Nederlanden was toegelaten. Antwerpse handelaars zetten dan ook Zeeuwse schippers in om goederen over te laden en naar Antwerpen te brengen. De overslag was uiteraard erg winstgevend voor de Zeeuwse havensteden, met name Middelburg, Vlissingen en in mindere mate Veere. De Zeeuwen wilden verhinderen dat de Schelde opengesteld zou worden toen de strijd tijdelijk werd gestaakt (1604). Hierin werden ze uiteraard gesteund door de Republiek, die ervoor beducht was Antwerpen en daarmee ook de Spanjaarden te versterken. Vandaar maakte het tijdelijke Twaalfjarige Bestand met de Spanjaarden geen einde aan de blokkade.

Maar ook Spaanse regering belemmerde de scheepvaart over de Schelde. Schippers moesten de zogenaamde "licenten" betalen omdat ze handel dreven met het vijandige Noorden.[1] Deze belastingen werden geheven ter hoogte van Lillo, waar Zeeuwse schepen hun lading moesten overladen op schepen uit het Zuiden en omgekeerd. (na de Vrede van Münster mochten ze verder varen tot in Antwerpen). Vandaar spreekt men ook wel van de "fiscale barrière tussen Lillo en Liefkenshoek". De licenten werden geheven voor militaire doeleinden, en daarom werden ze ingevoerd aan het begin van de Tachtigjarige Oorlog en afgeschaft na de Vrede van Münster. Toen bleek dat de Spaanse regering deels afhankelijk was geworden van de licenten, werden ze weer opnieuw ingevoerd (12 oktober 1654). Dit zorgde voor veel protest en zelfs onrust, waarna Don Juan hen afschafte in augustus 1656. In 1686 kwamen de licenten weer in voege. Ook de Republiek legde korte tijd licenten op aan al wie handel dreef met het Zuiden, tussen 1572 en 1577.[2] Zij bekostigde hiermee het onderhoud en de bevoorrading van de eigen oorlogsvloot op de Schelde en het leger in het algemeen.

Vergeefse onderhandelingen[bewerken]

In 1612 kwam een Antwerpse gezant bij de Staten van Zeeland alsnog ijveren voor de openstelling, en hij haalde aan dat dit beider partijen ten goede zou komen, want uiteindelijk zouden, volgens hem, enkel de Hollandse (Amsterdam, Dordrecht, Delft, Enkhuizen, Hoorn en Rotterdam) en de Vlaamse (Oostende en Duinkerke) zeehavens baat hebben bij de sluiting van de Schelde.[3] De Zeeuwse havensteden weigerden nog steeds hierover te onderhandelen, maar ze maakten wel gebruik van de gelegenheid om aan te dringen op lagere licenten in het Zuiden. Daartoe was de Spaanse regering uiteraard niet bereid, omdat ze beschikte over de Vlaamse zeehavens en reeds gewerkt werd aan de kanalen Gent-Brugge en Brugge-Oostende. In de zomer van 1613 waarschuwde een Antwerpse gezant genaamd Joost de Weert andermaal dat de zeehandel zich zou verplaatsen van Zeeland en Antwerpen naar Vlaanderen en Holland. Ook dit was zonder resultaat. Desondanks was de Zeeuwse hoofdstad Middelburg tot in het derde kwart van de 17e eeuw, na Amsterdam, de belangrijkste VOC-stad en grootste haven van de Republiek. Daarnaast waren ook Vlissingen en Veere belangrijke havensteden. Middelburg werd pas eind 17e eeuw door Rotterdam ingehaald.

Bij de Vrede van Münster kreeg de Republiek ook het recht de Sassevaart en het Zwin af te sluiten. De scheepvaart over deze waterwegen was echter al decennia niet meer vanzelfsprekend en werd reeds opgevangen door de kanalen die in het Zuiden waren gegraven. In 1784 probeerde keizer Jozef II alsnog de blokkade te doorbreken, hetgeen geslecht werd (in zijn nadeel) met de Keteloorlog. Met het hieruit volgende Verdrag van Fontainebleau werd besloten dat de Schelde gesloten bleef, maar dat de Zuidelijke Nederlanden hiervoor gecompenseerd zouden worden bij wijze van betaling. In november dat jaar betaalde de Republiek 8,5 miljoen gulden.

Vereniging[bewerken]

In 1792 voer een revolutionair eskader naar Antwerpen onder het inspiratie van de Franse Republiek de Schelde open, op grond van het natuurrecht dat zegt dat rivieren gemeenschappelijke eigendom zijn. Enkele jaren later bezetten de Fransen de Zuidelijke Nederlanden en brachten de Noordelijke Nederlanden onder hun controle als vazalstaat. Bij het Verdrag van Den Haag werd Staats-Vlaanderen bij het Scheldedepartement gevoegd en werd de Scheldevaart officieel vrijgesteld. Toch was ook toen de Schelde niet geheel vrij, omdat zowel Franse als Engelse slagschepen de toegang tot Antwerpen bewaakten; Franse schepen moesten erop toezien dat het Continentaal stelsel nageleefd werd, Engelse schepen wilden de Franse vloot uit Antwerpen overmeesteren (zie Walcherenexpeditie). Na de verdrijving van de Fransen werd Staats-Vlaanderen weer van Gent afgesneden en bij Zeeland gevoegd als Zeeuws-Vlaanderen. In het nieuwe Verenigd Koninkrijk der Nederlanden bleef de scheepvaart over de Schelde ongehinderd.

Scheldetol[bewerken]

Toen de Belgische Opstand uitbrak, werd de haven van Antwerpen opnieuw geblokkeerd. Dit gebeurde in oktober 1830 onder het bevel van kapitein Lewe van Aduard in het kader van de herovering van Antwerpen.[4] De Schelde bleef geblokkeerd tot in 1832, toen de Nederlanders de Citadel van Antwerpen ontruimden. Het Verdrag der XXIV artikelen bepaalde dat Nederland de vrije doorvaart diende te garanderen, en daartoe stond het in voor de bevaarbaarheid van de Schelde. Met de Scheldetractaten sloten België en Nederland nog talrijke overeenkomsten omtrent de scheepvaart over de rivier.

Maar het Verdrag der XXIV Artikelen gaf de Nederlanders tevens het recht 1,30 gulden tol te heffen per ton geladen goed. In 1863 wilden Auguste Lambermont en Charles Rogier dit recht afschaffen. Op 12 mei dat jaar sloten België en Nederland een verdrag dat het mogelijk maakte de Scheldetol af te kopen. Dit gebeurde op 16 juli, tegen een bedrag van 36.278.566 frank (hiervan nam België 1/3 voor zijn rekening, Engeland meer dan 1/4 en nog 19 andere landen de rest).Deze ingewikkelde afkoopconstructie geeft duidelijk aan hoezeer de Scheldeproblematiek een voortdurende internationale kwestie is geweest.[5] Het "Schelde Vrijmonument" (opgericht in 1883) op de Marnixplaats op Het Zuid werd gewijd aan de afkoop van de Scheldetol.