Cetiosauriscus

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Cetiosauriscus
Status: Uitgestorven, als fossiel bekend
Taxonomische indeling
Rijk:Animalia (Dieren)
Stam:Chordata (Chordadieren)
Klasse:Reptilia (Reptielen)
Superorde:Dinosauria (Dinosauriërs)
Orde:Saurischia
Onderorde:Sauropodomorpha
Infraorde:Sauropoda
Geslacht
Cetiosauriscus
von Huene, 1927
Typesoort
Cetiosauriscus stewarti
Afbeeldingen Cetiosauriscus op Wikimedia Commons Wikimedia Commons
Portaal  Portaalicoon   Biologie
Herpetologie

Cetiosauriscus is een geslacht van plantenetende sauropode dinosauriërs, behorend tot de groep van de Eusauropoda, dat tijdens het Jura leefde in het gebied van het huidige Engeland.

Naamgeving[bewerken]

De naamgevingsgeschiedenis van Cetiosauriscus is bijzonder ingewikkeld. In 1887 benoemde John Whitaker Hulke de soort Ornithopsis leedsii, gebaseerd op holotype BMNH R.1984-1988, beenderen gevonden door Charles Edward Leeds. In 1905 hernoemde Arthur Smith Woodward deze soort tot Cetiosaurus leedsi. Tegelijkertijd wees hij er een tweede fossiel uit de Leedscollectie aan toe: BMNH R.3078. In 1927 benoemde Friedrich von Huene voor de soort een nieuw geslacht: Cetiosauriscus, wat "gelijkend op Cetiosaurus" betekent. Von Huene deed dat zonder BMNH R.1984-1988 persoonlijk te onderzoeken en met, het wel bestudeerde, BMNH R.3078 te vergelijken. In 1929 maakte Von Huene van Ornithopsis greppini Von Huene 1922, een soort uit Zwitserland, een Cetiosauriscus greppini. Niet iedereen volgde hem in de nieuwe naamgeving; sommige onderzoekers bleven deze soorten onder Cetiosaurus rekenen; hijzelf sprak in 1932 weer van een Cetiosaurus greppini.

In 1980 benoemde Alan Charig voor BMNH R.3078 een aparte soort: Cetiosauriscus stewarti. De soortaanduiding eert Sir Ronald Stewart, de directeur van de London Brick Company die de kleigroeve bezat waar de vondst gedaan werd. Charig concludeerde dat Cetiosauriscus leedsi en Cetiosauriscus greppini beide nomina dubia waren. Volgens de regels zou Cetiosauriscus leedsi desalniettemin de (nieuwe combinatienaam van de) typesoort blijven en BMNH R.1984-1988 het genoholotype.

In 1990 schiep John Stanton McIntosh een vierde en een vijfde soort: Cetiosauriscus longus en Cetiosauriscus glymptonensis, door Cetiosaurus longus en Cetiosaurus glymptonensis aan Cetiosauriscus toe te wijzen. Charig kwam echter tot de gevolgtrekking dat ook deze nieuwe soorten nomina dubia waren, gezien de slechte staat van de beenderen. Om te voorkomen dat nog meer twijfelachtig materiaal via C. leedsi aan Cetiosauriscus zou worden toegewezen, diende Charig in 1993 bij de ICZN een petitie in om Cetiosauriscus stewarti de typesoort te maken. In 1995 oordeelde de commissie positief over deze Casus 2876 en besliste in Opinio 1801 overeenkomstig het gevraagde. Het resultaat is dat er (voorlopig) maar één geldige soort van Cetiosauriscus overblijft: de nieuwe typesoort Cetiosauriscus stewarti. Het genoholotype van Cetiosauriscus is nu BMNH R.3078.

Vondst en beschrijving[bewerken]

Een composietfoto van het skelet zoals eerst opgesteld; dit was geen museumopstelling

BMNH R.3078 werd in mei 1898 bij Fletton nabij Peterborough, Cambridgeshire, door arbeiders gevonden in lagen van de Oxford Clay Formation die stammen uit het middelste Callovien, ongeveer 162 miljoen jaar oud. De vindplaats was een leemput van de toenmalige New Peterborough Brick Company Limited die industrieel werd uitgegraven. De eerste botten werden door de student E.T. Leeds en zijn vader Alfred Nicholson Leeds schoongemaakt in hun huis te Eyebury. Henry Woodward, hoofd van de afdeling geologie van het British Museum of Natural History bezocht de verzameling begin augustus en keerde op 17 augustus terug met de beroemde Amerikaanse paleontoloog Othniel Charles Marsh die toen net Engeland bezocht. A.N. Leeds wees een aanbod van Marsh af en bood het specimen op 21 februari 1899 aan het BMNH aan voor £250,-, indertijd een kapitale som. De koop werd goedgekeurd op 25 februari en bekrachtigd op 17 maart. Het was toen de meest complete sauropode die ooit in het Verenigd Koninkrijk was gevonden en werd in volledigheid alleen in 1967 overtroffen door de Rutland Dinosaur, een exemplaar van Cetiosaurus oxoniensis. Een poging eind 1906 om nog meer materiaal te vinden liep op niets uit.

Onderdelen zoals tegenwoordig tentoongesteld

Het fossiel bestaat uit het achterdeel van een skelet, voornamelijk een aaneengesloten reeks achterste ruggenwervels, sacrale wervels en voorste staartwervels. Indertijd was het het meest complete sauropodenskelet dat in Europa gevonden was. Een onderscheidend kenmerk van de staartwervels van Cetiosauriscus is dat er een uitholling zit op de bovenkant van de doornuitsteeksels, die vrij dun en hoog zijn. De procoele (hol van voren, bol van achteren) staartwervels hebben daarbij dubbele onderste werveluitsteeksels, chevrons, die erg robuust en staafvormig zijn. De voorste staartwervels hebben de rudimenten van vleugelvormige staartribben. Tot het materiaal dat oorspronkelijk aan Cetiosauriscus is toegewezen, behoren ook een os scapulaocoracoïde met een lengte van 965 millimeter, het borstbeen (59,5 centimeter lang), een opperarmbeen (94 cm), een spaakbeen (76 cm), een ellepijp (76 cm), een dijbeen (136 centimeter lang, 190 millimeter schachtdoorsnede van voor naar achteren, 195 millimeter zijdelings) en middenvoetsbeenderen. Het eerste middenvoetsbeen heeft onderaan een opvallende bult aan de buitenzijde, die echter niet zo spits toeloopt als bij de traditionele diplodociden. Het calcaneum schijnt te ontbreken. Later zijn er nog verschillende losse beenderen gevonden. Het botweefsel heeft een sponsvormige pneumatisering, als bij meer basale sauropoden. Huidafdrukken uit de Oxford Clay, die kleine zeshoekige schubben tonen, zijn wel aan Cetiosauriscus toegeschreven.

De totale lengte van het dier is geschat op zo'n vijftien meter en het gewicht op negen ton. Daarbij gaat men uit van de veronderstelling dat Cetiosauriscus verwant was aan groepen met een vrij lange nek en dat orgaan ruim vier meter lang was. De heuphoogte was zo'n tweeënhalf à drie meter.

Fylogenie[bewerken]

Een diagram uit 1905 van het skelet

Cetiosauriscus werd door Von Huene toegewezen aan de Cardiodontinae binnen de Cetiosauridae. In 1978 concludeerde McIntosh dat het een lid was van de Diplodocidae vanwege de dubbele chevrons, de korte voorpoten en de bult op het middenvoetsbeen, en een plaatsing daarin of althans de Diplodocoidea is daarna vrij gebruikelijk gebleven. In dat geval zou het een van de oudste bekende leden van die groep geweest zijn. Kenneth Carpenter plaatste de soort in 1992 in de Mamenchisaurinae aangezien de gevorkte chevrons van Cetiosauriscus meer op die van Mamenchisaurus lijken. Indertijd werd die groep tot de Diplodocidae gerekend. Tegenwoordig worden de Mamenchisauridae gezien als meer basale Eusauropoda waarbij de dubbele chevrons zich ontwikkeld hebben als een geval van convergente evolutie. Darren Naish concludeerde in 2007 dat Cetiosauriscus desalniettemin een mamenchisauride was.

Een mogelijke positie van Cetiosauriscus in de evolutionaire stamboom, volgens een studie uit 2015 als zustersoort van Barosaurus, toont het volgende kladogram.

Eusauropoda 

Shunosaurus lii




Spinophorosaurus nigerensis




Omeisaurus




Mamenchisaurus





Cetiosauriscus stewarti



Barosaurus affinis





Jobaria tiguidensis





Amphicoelias latus




Lourinhasaurus alenquerensis




Camarasaurus




Turiasaurus riodevensis



Losillasaurus giganteus








Brachiosaurus sp.




Diplodocoidea


 Macronaria 


Giraffatitan brancai



Brachiosaurus altithorax





Ligabuesaurus leanzai



Isisaurus colberti