D21 (hunebed)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
D21 (hunebed)
D21 (hunebed)
D21 (hunebed)
Situering
Coördinaten 52° 57′ NB, 6° 48′ OL
Foto's
Hunebed D21 bij Bronneger, 2008
Hunebed D21 bij Bronneger, 2008
Portaal  Portaalicoon   Archeologie

Hunebed D21 is een portaalgraf. Het is een van de vijf hunebedden gelegen bij de plaats Bronneger in de provincie Drenthe. Van de vijf hunebedden is D21 de belangrijkste gezien de archeologische vondsten. Het is ook één van de meest fotogenieke hunebedden van Nederland, door de markante boom[1].

D21 en op de achtergrond D22, 2015

Op enkele meters van hunebed D21 is hunebed D22 te vinden waardoor deze ook wel tweelingen worden genoemd. Op korte afstand is een groep van drie hunebedden (D23, D24 en D25), ook zijn er twee grafheuvels uit de bronstijd te vinden in de nabijheid van deze hunebedden.

Bouw[bewerken]

het hunebed wordt toegeschreven aan de trechterbekercultuur.

Dit hunebed heeft drie grote dekstenen. Verder heeft dit hunebed 8 draagstenen, een grote beukenboom heeft de rol van een draagsteen overgenomen. Ook zijn er nog 2 sluitstenen en 1 poortsteen aanwezig, waarvan bij allen alleen de top boven de grond uitsteekt. Het hunebed is 7,7 meter lang en 2,9 meter breed[2].

De keldervloer is 6,50 meter bij 2,20 meter. De hoogte van de kamer varieert tussen de 1,50 tot 1,70 meter.

Geschiedenis[bewerken]

Het hunebed wordt voor het eerst vermeld door

D21 is in 1918 onderzocht door Dr. van Giffen. Hij ontdekte dat het hunebed uit meerdere vloerlagen bestond. In elke vloerlaag werden artefacten gevonden. Zo werden er meer dan 600 stuks aardewerk gevonden, gedateerd op 3400 v.Chr.[3].

Ongeveer één meter onder de grond trof de onderzoeker de ontbrekende draagsteen aan[4]. Het is waarschijnlijk dat deze steen al tijdens het gebruik van het graf moet zijn omgevallen. Van Giffen plaatste de steen weer terug op de plek waar de steen nu ook nog te vinden is. Het hunebed werd gerestaureerd in 1960-1961.

Society of Antiquaries[bewerken]

Rond 1870 waren de meeste hunebedden in bezit van de overheid en men besloot deze monumenten 'op te knappen'. Bezorgd om de 'restauraties' die door provincie en lokale overheden werden uitgevoerd, zoals het weggraven van de dekheuvels, stuurde de Society of Antiquaries in 1878 twee Engelse oudheidkundigen naar Drenthe. William Colling Lukis en sir Henry Dryden maakten in de periode van 1 tot 22 juli plattegronden en aangezichten van veertig Drentse hunebedden. Deze tekeningen (met beschrijvingen) waren van ongekend hoog niveau voor Nederlandse begrippen.

Hunebed D21 is weergegeven op Plan XVII en werd door de heren als hunebed I aangeduid. Op ca. 12,8 meter ten noordoosten van hunebed I ligt hunebed II.

Er zijn 9 draagstenen en drie dekstenen. Alle draagstenen zijn kunstmatig gespleten. De ingang lag tussen de tweede en derde draagsteen aan de zuidkant. Er is een lijn zichtbaar op de draagstenen, deze toont de recentelijke verlaging van de dekheuvel. Eiken bedreigen het hunebed. Ten tijde van het onderzoek door dr. L.J.F. Janssen lag het hunebed nog gedeeltelijk in de dekheuvel. Het hunebed is eigendom van het koninkrijk.

In 2015 werd het werk van de oudheidkundigen uitgegeven. In het Drents Museum was een tentoonstelling over het werk.[5][6]