De leerling van wie Jezus veel hield

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

De uitdrukking "de leerling van wie Jezus veel hield" (Grieks: ὁ μαθητὴς ὃν ἠγάπα ὁ Ἰησοῦς, ho mathētēs hon ēgapā ho Iēsous) ook wel Jezus' lievelingsleerling of Jezus' geliefde leerling komt zes keer voor in het Evangelie volgens Johannes.[1] Johannes 21:24 zegt dat dit evangelie geschreven is door of gebaseerd op het geschreven getuigenis van deze leerling (beide vertaalmogelijkheden zijn juist).

Er is consensus dat de geliefde leerling een historisch persoon was,[2] maar er is geen consensus over zijn identiteit.[3]

Vermeldingen in Johannes[bewerken | brontekst bewerken]

De leerling van wie Jezus veel hield wordt zes keer genoemd in het evangelie volgens Johannes:

  1. Het is de leerling die naast Jezus aan tafel lag bij het laatste avondmaal en aan Jezus vroeg wie hem zou verraden, nadat Petrus hem vroeg dit aan Jezus te vragen.[4]
  2. Bij de kruisiging zei Jezus tegen zijn moeder Maria: "Dat is uw zoon" en tegen deze leerling: "Dat is je moeder".[5]
  3. Toen Maria van Magdala het lege graf ontdekte, rende ze naar deze leerling en Petrus om dit te vertellen. De twee mannen renden naar het lege graf en de geliefde leerling was er het eerst. Petrus ging het graf echter als eerste binnen.[6]
  4. In Johannes 21 is deze leerling een van zeven vissers die was betrokken bij de wonderbaarlijke visvangst van 153 vissen.[7]
  5. In dit hoofdstuk vertelde Jezus ook aan Petrus hoe hij zou sterven. Petrus zag de geliefde leerling en vroeg: "En wat gebeurt er met hem, Heer?" Jezus antwoordde: "Het is niet jouw zaak of hij in leven blijft tot ik kom."[8]
  6. Aan het eind van dit hoofdstuk staat dat het boek zelf is gebaseerd op het geschreven getuigenis van de leerling van wie Jezus veel hield.[9]

Mogelijk sprak Johannes nog twee keer over deze anonieme leerling, namelijk in Johannes 1:35-40 en 18:15-16. De gebruikte uitdrukkingen komen overeen met Johannes 20:2.[10]

De synoptische evangeliën noemen niemand in de parallelle verhalen die zou kunnen worden geïdentificeerd met deze geliefde leerling. Integendeel, zij laten hem in zijn geheel weg. Zo zegt Lucas dat Petrus naar het lege graf rende en noemt geen andere leerling.[11] En geen van de synoptische evangeliën vermeldt dat een van de 12 apostelen aanwezig was toen Jezus aan het kruis hing.

Identificatie[bewerken | brontekst bewerken]

Traditioneel werd deze leerling geïdentificeerd als de apostel Johannes, die met de apostelen Petrus en Jakobus de Meerdere een bijzondere relatie met Jezus had.[12] Als Johannes 21:24 zo wordt geïnterpreteerd dat dit vers deze leerling als auteur aanwijst, zou de apostel Johannes gelijk zijn aan Johannes de Evangelist. Deze identificatie vond ingang vanaf uiterlijk het einde van de 1e eeuw.[13] Geleerden hebben het auteurschap van de Johannes-literatuur (het evangelie, drie brieven en de Openbaring van Johannes) betwijfeld sinds op zijn laatst de 3e eeuw, maar vooral sinds de Verlichting. Moderne onderzoekers verwerpen het idee dat de apostel Johannes de auteur was,[14][15] maar niet unaniem.[16]

Andere interpretaties zagen in deze leerling een andere apostel of een symbolische, door de evangelist bedachte figuur, die historisch niet te identificeren was. De uitdrukking "geliefde leerling" kan ook als een prototype van een leerling van Jezus worden gezien: hij is de persoon die in een persoonlijke vriendschap met hem leeft en zich onvoorwaardelijk door Jezus geliefd weet. In die zin kan iedereen een leerling worden van wie Jezus veel houdt.[17]

Rudolf Steiner zag in deze leerling de opgestane Lazarus,[18] net als Reinhard Nordsieck.[19] David Catchpole suggereerde dat Natanaël deze leerling zou kunnen zijn.[20] De Rooms-Katholieke theoloog Walter Simonis vermoedde dat deze leerling de evangelist Marcus was.[21]

Nieuwtestamenticus Richard Bauckman volgt de interpretaties van Papias, Ireneüs van Lyon en Polycrates van Efeze en identificeert deze leerling met Johannes de Presbyter uit Efeze, die volgens Polycrates een joodse hogepriester was, waarmee historisch een zoon of neef van de hogepriester Annas zou kunnen worden bedoeld.[22]

Redenen de naam niet te noemen[bewerken | brontekst bewerken]

Theorieën over de identiteit worden meestal begeleid door een poging te verklaren waarom er überhaupt een anonieme uitdrukking wordt gebruikt, in plaats van een naam. Er zijn talloze suggesties gedaan.

De traditionele verklaring is dat de auteur anoniem wilde blijven uit bescheidenheid. Een andere verklaring is dat anonimiteit noodzakelijk was om politieke redenen of om veilig te blijven, bijvoorbeeld in verband met de dreiging van vervolging. Misschien was de auteur bang in verlegenheid te worden gebracht door publicatie van het evangelie, omdat hij een hooggeplaatst persoon was in Jeruzalem, die verborgen hield dat hij aanhanger van het christendom was.[23] Of misschien leefde de auteur het teruggetrokken leven van ascese, misschien een van de vele niet bij name genoemde leerlingen in de evangeliën, die uit nederigheid of vanwege ascetische geloftes hun identiteit verborgen hielden of hun getuigenis pseudepigrafisch gaven onder de naam van hun spirituele meester.[24]

Martin L. Smith, lid van de Society of St. John the Evangelist, schreef dat de auteur van het Johannes-evangelie de identiteit van de geliefde leerling opzettelijk kan hebben verhuld zodat de lezers van het evangelie zich makkelijker zouden kunnen identificeren met de relatie die de leerling had met Jezus.[25]