De ringelingschat
| De ringelingschat | ||||
|---|---|---|---|---|
| Stripreeks | Suske en Wiske | |||
| Volgnummer | 19 | |||
| Scenario | Willy Vandersteen, VK 137 | |||
| Tekeningen | Willy Vandersteen | |||
| Eerste druk | 1951 | |||
| Lijst van verhalen van Suske en Wiske | ||||
| ||||
De ringelingschat is het negentiende stripverhaal uit de reeks van Suske en Wiske. Het is geschreven en getekend door Willy Vandersteen
Het werd gepubliceerd in De Standaard en Het Nieuwsblad van 2 februari 1951 tot en met 12 juni 1951. De eerste albumuitgave was in datzelfde jaar, in de toenmalige Vlaamse ongekleurde reeks waar dit verhaal albumnummer 13 kreeg. In 1962 verscheen De ringelingschat voor het eerst opnieuw, nu in de Vlaamse en Hollandse tweekleurenreeks. Op 1 oktober 1972 verscheen het verhaal voor de derde keer als album, in de inmiddels gestarte Vierkleurenreeks met volgnummer 137. De titel werd ook geschreven als De Ringelingschat.[1]
In 1995 werd de geheel oorspronkelijke versie nog eens uitgebracht in Suske en Wiske Klassiek.
Vanaf de Nederlandse uitgave in de tweekleurendruk is het taalgebruik gemoderniseerd en zijn enkele tekstballonnen gewijzigd. Ook is het voor de heruitgave gedeeltelijk hertekend; Vandersteen hanteerde zelf in de eerste jaren dat hij de strip maakte nog een erg kenmerkende tekenstijl.
Personages
[bewerken | brontekst bewerken]- Suske, Wiske (hier enige tijd als de jonkvrouw Louisa) met Schanulleke, tante Sidonia (hier enige tijd als Sidonhilde), Lambik (hier enige tijd als Bikfried), rijke dame en haar huishoudster, antiquair, professor Fritz von Strohalm, de Tijd, Susfried en Jefheim (schildwachten), Mispel de dwerg (wapensmid), Bobard het sprekende (en tevens liegende) paard met zes benen, burgers uit het 12e-eeuwse Xanten, meester Houtmaai (houtsnijder), koning Hagen Kart-Offel von Ringeling en zijn vrouw Brunhilde, de Ringelingers (de ridderministers van koning Hagen Kart-Offel), Faknier (koning der holdwergen), To-Tal-Krieg en andere draken, gemaskerde persoon
Speciale voorwerpen
[bewerken | brontekst bewerken]- Een zilveren drinkhoorn uit Xanten, het zwaard Balming
Het verhaal
[bewerken | brontekst bewerken]Lambik pakt zijn vroegere werk als loodgieter weer op.[2] Een vrouw bij wie hij het toilet repareert blijkt geen contant geld te hebben. In plaats daarvan geeft ze Lambik een 12e-eeuwse zilveren drinkhoorn uit Xanten. Lambik, die zich op dat moment niet bewust is van de waarde van dit voorwerp, besluit de hoorn meteen door te verkopen aan een antiquair, zodat hij alsnog zijn dagloon heeft. Even later ontmoet Lambik de Duitse geschiedwetenschapper Fritz von Strohalm, die de hoorn al langer op het spoor was en hem graag wil hebben voor zijn onderzoek. Tante Sidonia koopt intussen bij toeval dezelfde hoorn bij de antiquair waar Lambik net was.
's Nachts begint de hoorn op Sidonia's slaapkamer ineens te zoemen. De antiquair blijkt intussen in vermomming bij haar te hebben ingebroken; hij wilde de hoorn zelf weer in handen krijgen, nadat Von Strohalm er een twee keer zo hoog bedrag op had geboden als de 250 dollar die Sidonia heeft betaald. Even later belt ook Von Strohalm aan bij de vrienden. Hij legt uit waarom de hoorn zo speciaal is: toen koning Siegmund in het jaar 1100 stierf in Xanten, destijds een eigen koninkrijkje, had hij eerst zijn wijze stem verborgen in de hoorn. Siegmunds stem zal opnieuw uit de hoorn klinken als de hoorn eerst terug in het kasteel te Xanten is. Bovendien zal iedereen die aldaar uit de hoorn het water van de Rijn drinkt, naar het verleden kunnen reizen. Von Strohalm wordt even later gearresteerd, omdat hij voor een ontsnapte gek wordt aangezien.
Lambik, Suske, Wiske en Sidonia gaan met de trein naar Xanten om te bewijzen dat de professor niet gek is. In de kasteelruïne luisteren de vrienden naar de spreuken uit de hoorn. Het volgende moment komen ze gevangen te zitten in de kelder. Om te voorkomen dat ze hier van honger en dorst omkomen, drinken ze Rijnwater uit de hoorn. Daardoor komen ze in het koninkrijk Xanten[3] van het jaar 1100 terecht. Ze overnachten hier voor de stadsmuur.
Lambik slaapt in een wasmand, die in de rivier belandt en een eind afdrijft. Vervolgens zien twee schildwachten Lambik aan voor Bikfried, een legendarische figuur die in het verleden als baby de rivier is afgedreven in een wasmand en die is voorbestemd om een beroemde drakendoder te worden. De dwerg Mispel, tevens de wapensmid van de stad, daagt Lambik uit om het op te nemen tegen Bobard, een wonderpaard met zes poten. Zo moet Lambik definitief bewijzen dat hij geschikt is als drakendoder. Lambik slaagt er inderdaad in om Bobard te temmen, dankzij een klontje suiker dat hij stiekem aan het paard geeft. Als Bobard later het bloed van de door Lambik gedode draak Habakras drinkt, kan het paard spreken. Hetzelfde gebeurt met een roodborstje dat van het drakenbloed drinkt.

Koning Hagen Kart-Offel von Ringeling, tezamen met zijn Ringelingers, heft veel belasting bij het volk. Al dit goud – bij elkaar de "Ringelingschat" genoemd – gooit hij in de moerassen, om die te dempen. De bedoeling is dat het zo op den duur bruikbare landbouwgrond wordt. Hagens vrouw, Brunhilde, wil echter vooral nog meer luxe. Ze wil ook dat haar man een oorlog begint om nog meer goud te halen uit de veroverde gebieden. Tijdens een feestmaal met een muzikaal optreden van Sidonia stormt Bobard plotseling de zaal binnen, en meldt dat de hele Ringelingschat uit het moeras is verdwenen. Iedereen neemt aan dat To-Tal-Krieg, de draak, de schat heeft meegenomen om die te verslinden. Er worden bij de burgers weer nieuwe belastingen geheven. Dit goud wordt in de kelder van het kasteel opgeslagen, en er wordt opnieuw volop van feestgevierd. Suske besluit echter dat hij niet meer op deze manier wil leven, waarbij enkel de elite profiteert van het werk van gewone arbeiders. Hij vertrekt uit het kasteel en gaat in de leer bij de houtsnijder Holzmaai. Wiske en Sidonia blijven met Lambik op het kasteel, als de jonkvrouwen Louisa en Sidonhilde. Holzmaai vertelt tegen Suske dat To-Tal-Krieg de schat niet zelf kan hebben meegenomen, maar hem moet hebben gekregen van de Ringelingers.
Lambik vindt de holdwerg Faknier, die onzichtbaar is totdat hij zijn cape verliest, met een restant goud. Faknier zegt dat hij moet sterven nu zijn geheim bekend is, en hij springt met het goud de diepte in. Elfen vertellen Lambik later dat de dwergen van Mispel (tevens Fakniers broer) opdracht hebben gekregen om de schat te roven. Mispel vertelt tijdens een ontmoeting met Lambik dat er met het goud een oorlog moet worden gefinancierd. Hij wilde zelf rijk worden met het smeden van de wapens voor deze oorlog. Mispel smeedt, nadat hij zwaargewond raakt, het onvernietigbare toverzwaard Balming van koning Siegmund opnieuw, en hij geeft dit zwaard aan Lambik. Even later zorgt een gemaskerde persoon ervoor dat de smidse met een lawine wordt afgesloten en Lambik voorlopig opgesloten zit. De gemaskerde persoon wordt geholpen door het paard Bobard, dat een verrader blijkt te zijn. Lambik wordt later bij toeval bevrijd door een vuurspuwende draak die achter Suske en Wiske aan zat, en ervoor zorgt dat de sneeuw smelt.
To-Tal-Krieg krijgt, nadat hij al het belastinggoud heeft gekregen en opgegeten, van een gemaskerde persoon opdracht om een gat in de muur bij Xanten te slaan. Tante Sidonia en Wiske blijken toch niet voor de luxe te zijn gevallen, ze bleven in werkelijkheid in het kasteel om onderzoek te kunnen doen. Sidonia vermomt zich enige tijd als de gemaskerde persoon om voor de rest van de kasteelbewoners niet op te vallen. Intussen probeert de echte gemaskerde Wiske om het leven te brengen, wat mislukt dankzij Suske. De vier vrienden ontdekken het plan van de gemaskerde en Lambik weet To-Tal-Krieg uit te schakelen. Hij wast zich in het drakenbloed en wordt hierdoor onkwetsbaar, behalve op één plek op zijn rug waar een boomblaadje op hem valt. Lambik vecht hierna tegen de aanstormende Ringelingers bij het gat in de muur, dankzij zijn onkwetsbaarheid houdt hij ze allemaal moeiteloos tegen.
De gemaskerde raakt Lambik met een speer precies op zijn enige nog kwetsbare plek. Lambik blijft ongedeerd doordat Sidonia net daarvoor Schanulleke hier heeft geplakt. Lambik doet op dat moment tegenover iedereen alsof hij dodelijk gewond is om de aandacht af te leiden, en slaat intussen de gemaskerde ter plekke neer. Het blijkt koning Hagen zelf te zijn. Samen met zijn vrouw en de Ringelingers wilde hij een oorlog beginnen met de buurstaat, en zelf snel hiervan rijk worden. Hagen werd door Bobard steeds op de hoogte gehouden van de plannen die de vrienden tegen hem maakten. De Ringelingers en het echtpaar Kart-Offel moeten als straf voor hun wandaden opnieuw het moeras dempen met het goud uit de maag van To-Tal-Krieg. Bobard krijgt als straf voor zijn leugens een slot op zijn paardenbek. De vrienden maken eerst aanstalten om Lambik te begraven, waarna blijkt dat hij enkel was flauwgevallen.
De vrienden hebben hun taak in het 12e-eeuwse Xanten nu volbracht, en ze worden door Vadertje Tijd teruggebracht naar hun eigen tijd. Daar worden ze uit de kelder van de ruïne bevrijd door professor Von Strohalm, die nadat hij weer is vrijgelaten België is uitgezet en naar Xanten kwam.
Achtergronden
[bewerken | brontekst bewerken]
- Dit is een van de verhalen uit de serie met de meeste verwijzingen naar de – toen pas enkele jaren geleden – Tweede Wereldoorlog, bijvoorbeeld via namen van bijpersonages.
- Het verhaal is gebaseerd op zowel het Nibelungenlied uit de 13e eeuw als op Der Ring des Nibelungen, een compositie van Richard Wagner, geschreven tussen 1853 en 1874.
- Het gegeven dat de held onkwetsbaar is, op één plek op zijn lichaam na, is een verwijzing naar de sage van Siegfried uit het hiervoor genoemde Nibelungenlied. Dit gegeven is verder te herleiden tot de Griekse mythologie: in de legende van Achilles gebeurt al iets vergelijkbaars.[4]
- De namen van Brunhilde en Sidonia's alias "Sidonhilde" zijn verwijzingen naar Brünnhilde, een ander belangrijk personage uit het Nibelungenlied.
- "Bobard", de naam van het sprekende paard, is een informeel Frans woord voor "leugen".
- Een ander belangrijk onderwerp is hier de belastingstaat, waar Vandersteen veel kritiek op had (net als in bijvoorbeeld De bokkenrijders, een verhaal van iets eerder).[5]
- Dit is een van de verhalen waarin Lambik op enkele plaatjes een typische zwarte bolhoed draagt (net als in bijvoorbeeld De sterrenplukkers, dat enkele jaren na De ringelingschat uitkwam). Lambik eet in dit verhaal zijn bolhoed op terwijl de vrienden in de kelder van de kasteelruïne zijn opgesloten, om te voorkomen dat hij verhongert. Het moet dus een ander exemplaar zijn dan in latere verhalen.
- In de eerste druk sprak Lambik (alias Bikfried) een soort steenkolenduits, in de latere drukken werd dit vervangen door gewoon Nederlands.
- In de eerste druk heet de houtsnijder bij wie Suske in de leer gaat Holzmaai. Dit werd later Houtmaai, wat "houtkever" betekent.
- In de eerste druk zong tante Sidonia nog het Duitstalige oorlogslied Lili Marleen om de kasteelbewoners te ontroeren. In herdrukken werd dit veranderd naar haar signatuurlied Het Hutje aan de Zee
- De naam Kart-Offel is een toespeling op Kartoffel, het Duitse woord voor aardappel.
- De naam To-Tal-Krieg verwijst naar een zeer bekend geworden oproep die de nazileider Joseph Goebbels in 1943 aan het Duitse volk richtte: Wollt ihr den totalen Krieg? ("Willen jullie de totale oorlog?")
- De mispel was in de middeleeuwen een veelvoorkomende vrucht.
- Het magische zwaard Balming is een toespeling op meerdere bekende middeleeuwse verhalen en legenden. In The Lord of the Rings van Tolkien gaat het om het zwaard Narsil. In de legendes rondom koning Arthur duikt ook een dergelijk een magisch zwaard op, Excalibur, dat eerder niet gebruikt kan worden.
- Wanneer de troepen van Kart-Offel oprukken om het buurland te veroveren, zingen zij het soldatenlied Erika: Auf der Heide blüht ein kleines Blümelein BING! und BANG! das BOEM! heiszt Eeeee... rika!!!. Ook dit is een duidelijke verwijzing naar de Tweede Wereldoorlog; dit lied werd gezongen door de Duitse soldaten.
- In de oorspronkelijke druk adviseerde Lambik aan Strohalm in het laatste prentje: "Als ge nog eens iets wilt doen waarvoor ge niet vervolgd zult worden blaas dan de IJzertoren eens op", gevolgd door een prentje van Wiske met het schaamrood op de kaken (dat ook in de latere versie is te zien). De IJzertoren, een Vlaams-nationalistisch symbool, was in 1946 door onbekenden gedynamiteerd. Het duurde enkele jaren voordat de toren weer opgebouwd werd. In de herdrukte versies is deze tekst aangepast, omdat de strip inmiddels zo bekend was dat het focussen op de actualiteit in Vlaanderen niet meer wenselijk werd gevonden.[6] Lambik zegt hier nu tegen Strohalm: "...blijf dan in je eigen land" (bedoeld is uiteraard Duitsland).
- De eerste druk van De ringelingschat dateert uit 1951, twee jaar voor De dolle musketiers. In de herdrukte versie van het verhaal uit 1972 in de Vierkleurenreeks is twee keer alsnog de naam van Jerom toegevoegd.
- Ook is in de heruitgave in de Vierkleurenreeks het jaartal waarin de vrienden leven voordat ze door Vadertje Tijd naar het verleden worden gestuurd, aangepast naar 1972. (Eenzelfde soort aanpassing werd gedaan in Lambiorix, dat ook in dat jaar opnieuw uitkwam.)
Uitgaven
[bewerken | brontekst bewerken]| Publicaties | ||||
|---|---|---|---|---|
| Krant of tijdschrift | Nummer | Publicatiedatum | Voorganger | Opvolger |
| De Standaard / Het Nieuwsblad | 16 | 2 februari 1951 - 12 juni 1951 | Het zingende nijlpaard | De tuf-tuf-club |
| Het Nieuwsblad van het Zuiden | 14 | 10 april 1957 - 21 augustus 1957 | De spokenjagers | De snorrende snor |
| Albumuitgaven | ||||
|---|---|---|---|---|
| Stripreeks of collectie | Nummer | Eerste druk | Voorganger | Opvolger |
| Vlaamse ongekleurde reeks | 13 | 1951 | Het zingende nijlpaard | De tuf-tuf-club |
| Hollandse ongekleurde reeks | 8 | 1957 | De stierentemmer | De dolle musketiers |
| Vlaamse tweekleurenreeks | 7 | 1962 | geen | De tamtamkloppers |
| Hollandse tweekleurenreeks | 8 | 1962 | geen | De tamtamkloppers |
| Vierkleurenreeks | 137 | oktober 1972 | De bokkerijders | Bibbergoud |
| Suske en Wiske Collectie | 18 | 1986 | ||
| Bibliofiele uitgave | 1990 | |||
| Rode klassiek reeks | 17 | 16 februari 1995 | Het zingende nijlpaard | De tuf-tuf-club |
| Lambik Familiestripboek | 2 | november 1998 | ||
| Originele Verhalen | 5 | 2000 | ||
| Uitgave VUM-groep | 13 | 29 april 2005 | Het zingende nijlpaard | De tuf-tuf-club |
| Vrienden voor het leven (trilogie) | 7 december 2005 | Sidonie een tante | De penselentrilogie | |
| Anderstalige uitgaven | ||||
|---|---|---|---|---|
| Taal | Reekstitel | Albumtitel | Datum | Opmerkingen |
| Frans | Bob et Bobette | Le trésor de Fiskary | 1953 | Ongekleurde reeks |
| Portugees | Zé & Maria | Na busca do tesouro | 1958 | Braziliaanse reeks |
| Frans | Bob et Bobette | Le trésor de Fiskary | oktober 1972 | Vierkleurenreeks |
| Twents | Suske en Wiske | ’t Zulveren heurnke | december 2000 | |
Externe link
[bewerken | brontekst bewerken]- Samenvatting van het verhaal op suskeenwiske.ophetwww.net
- ↑ Suske en Wiske Overzichtscatalogus
- ↑ Zie ook De sprietatoom, Lambiks allereerste verhaal
- ↑ Dit moet op dat moment een deel van het Heilige Roomse Rijk zijn
- ↑ Hier komt de term achilleshiel vandaan.
- ↑ De Ringelingschat als Kritiek op de Belastingstaat. Gearchiveerd op 20 maart 2023.
- ↑ Hetzelfde is bijvoorbeeld gebeurd bij de heruitgave van De lachende wolf