Fenicische mythologie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De Fenicische mythologie was een overblijfsel van het religieus systeem dat tijdens en voor het Neolithicum en nog deels tot in de IJzertijd werd in acht genomen door de archaïsche autochtone bevolking in de Levant, meer bepaald in wat er van het oude Kanaän restte, namelijk Fenicië. Er was oorspronkelijk in dit systeem sterke overeenkomst met de Anatolische mythologie (en beide waren sterk beïnvloed door de oeroude Mesopotamische mythologie).

Deze mythologieën waren geaxeerd op de Moedergodincultus en vertoonden in de loop van de geschiedenis een neiging tot polytheïsme. In de huizen van de steden vereerden burgers de Godin middels hun huisgoden die er, symbolisch, typische aspecten van weergaven. Het pantheon was aanvankelijk meer een kwestie van namen en functies van hetzelfde goddelijke principe. Maar in tegenstelling tot de Kanaänitische mythologie werden vooral in de Fenicische onder druk van volkeren van buitenaf steeds meer mannelijke goden toegevoegd. Verder zou zij van grote invloed blijken op de Griekse mythologie en nadien ook op de Romeinse.

Herkomst en ontwikkeling[bewerken]

De Fenicische mythologie bevat ook mythen van de Amorieten, Moabieten, en Ammonieten.

Het oude Kanaän bestond uit veel welvarende steden met vruchtbare omliggende landbouwgebieden onder gezag van de tempel, aan het hoofd waarvan een priesteres stond. Deze heerseres werd op zeker moment Baälat genoemd (wat gewoon 'meesteres' betekent in het Kanaänitisch), en haar ceremoniële gemaal was dan ook 'de Baäl' ("heer"). (Latere Hittietische en Hoerritische teksten gebruiken hetzelfde teken voor Baäl als de Akkadiërs. In het Sanskriet betekent bala "machtig", "sterk"). Dezelfde term werd later in de Bijbel zelfs door de joden gebruikt om hun eigen mannelijke godheid mee aan te duiden:"Dien uw Baäl".[bron?]

Maar de Oppergodin van de hoofdstad Ugarit was zoals overal in deze streek de Moedergodin Astarte of Ishtar (later in het zuiden Ashtoreth genoemd.

Een andere gedaante van de Godin bestond onder de naam Asherah, die ook al in Mesopotamië bekend was. Het woord betekent staande zuil en dit symbool is een teken van het gezag van de Godin van de vruchtbaarheid en refereert aan de levensboom. Er stond ook altijd een vijgenboompje naast het altaar van Astarte of Ishtar. Deze kleine vijgenboom is de wilde of Egyptische vijgenboom die aan de godin is gewijd en in het hele Midden-Oosten en Egypte op talloze afbeeldingen uit archaïsche tijden is te zien. Het eten van de vrucht zou een licht hallucinogeen effect hebben gehad en geestverheffend werken. "Kennis van Goed en Kwaad", zoals in de latere Hebreeuwse mythe van de 'zondeval' (Genesis 3[1]) werd aangegeven, zou erdoor worden verscherpt en de 'appel' van deze boom der kennis die door de slang aan Eva werd aangewezen, zou een sycomorevrucht zijn[2]. En de 'heilige tak' die in de tempel werd rondgegeven, zoals door Ezechiël werd beschreven, bevatte mogelijk dezelfde vrucht.

Tegen de 14e eeuw v.Chr. was een groot gedeelte van de bevolking van Ugarit Hoerritisch. (In de Bijbel van de Hebreeën wordt de bevolking die zij bijvoorbeeld in Ashdod voor de Filistijnen aantroffen Anakim genoemd.)

De latere gemaal van Asherah werd El[3]. Deze godheid is blijkbaar in een latere fase ingevoerd, waarschijnlijk onder invloed van de Hurrieten.

Tussen ca. 1200 en 1100 v.Chr. raakte het grootste deel van Kanaän bezet door Israëlieten, terwijl het noordelijke onder Aramees bestuur kwam. Het kleine overblijvende gebied, dat onder Kanaänietisch bestuur bleef, werd door de Grieken Fenicië genoemd, hetgeen 'purper' betekent verwijzend naar de beroemde kleurstof die het land produceerde.

Cultus[bewerken]

De religieuze praktijken toonden aanvankelijk grote overeenkomst met die van het oude Kanaän en dus het Minoïsche Kreta met festivals voor de inzegening van seizoenen voor de landbouw, investituur van de nieuwe Baäl, offers aan de Godin, grote volksverzamelingen met feest en spel, zogenaamde tempelprostitutie enz. Op hoger gelegen plaatsen waren heiligdommen als ommuurde plateaus aangelegd waarop ook een offeraltaar zou hebben gestaan, zoals de bergheiligdommen op Kreta.

In het hele land van het vroegere Kanaän hebben archeologen pilasters opgegraven die er veelvuldig voorkwamen met betrekking tot de Moedergodincultus en asherah werden genoemd. Asherah was dan ook geruime tijd de naam van de Godin.

Qadash Kinahnu was een van de Canaänitisch-Fenicische tempels.

In Fenicië (Syrië) en Palestina werd Adonis/Tammuz vereerd als de god van het graan, dat sterft onder de maalsteen om tot brood gebakken te worden. Zo werd Adonis/Tammuz in Bethlehem (letterlijk 'huis van het brood') als de god van het brood vereerd. Adonis was omwille van zijn jeugdige schoonheid symbool van de lente en de opbloeiende natuur.

Godheden[bewerken]

Adonis - Anat - Aphrodite - Astarte - Jemshid - Kotar - Leviathan - Mot - Melqart - Reshef - Shachar Shalim - Tanit - Yam

De god Yam is de godheid van de oerchaos waarvan hij de macht van de onbeheerste ziedende zee vertegenwoordigt. Hij is degene die over stormen en rampen heerst. De verering van de god Yam zou volgens sommige bronnen aan de oorsprong liggen van de Joodse god Jahweh, de God van de Israëlieten. Men baseert zich daarbij mede op de negatieve benadering van Baäl die in de Hebreeuwse Bijbel naar voren komt.

Betrouwbaarheid van de bronnen[bewerken]

Zoals bij alle volkeren en oude beschavingen waarvan we geen overgeleverde teksten bezitten, of waar weinig getuigenismateriaal van over is, of bij volkeren wier cultuur op een orale traditie gebaseerd was, moeten we het vooral van de archeologie hebben en van teksten die door andere volkeren over hen zijn nagelaten. Deze laatsten behoren tot een andere cultuur en hun teksten zijn ter zake dan ook vaak onvolledig, tegenstrijdig of tendentieus. De archeologie kan deze passages hetzij bevestigen hetzij ontkrachten. Vaak geven getuigenissen blijkbaar een vals beeld, omdat het soms om concurrerende groepen gaat, zoals de Grieken en de Feniciërs, of de Puniërs en de Romeinen. Ze geven niet de volledige waarheid weer, of maken gewag van feiten die door hen niet of fout worden begrepen, of ze drukken zich ronduit vijandig en laatdunkend uit over degenen waarover ze rapporteren omdat ze die als hun vijand hebben gezien.

Grieken en Romeinen lieten een beeld over Feniciërs na alsof het om een erg wreedaardig volk zou zijn gegaan dat mensenoffers bracht. Ze vergaten daarbij even de tijd van Iphigenia toen diezelfde offers in Griekenland plaatsvonden, terwijl de Romeinen blijkbaar geen probleem hadden met aan de lopende band uitvoeren van kruisigingen. Dit soort rituelen was bij alle archaïsche beschavingen gebruikelijk, zij het in diverse vormen. Het is daarom noodzakelijk dit aspect van de cultuur tot zijn juiste proporties te herleiden, teneinde de grootsheid van voorbije beschavingen in te kunnen schatten evenals de waarde van hun nalatenschap. Op die manier zijn de geschriften helemaal niet zonder betekenis.

Referenties[bewerken]

  1. Genesis 3 De zondeval
  2. Stone M., Eens was God als Vrouw belichaamd. De onderdrukking van de riten van de vrouw, Katwijk, 1979. ISBN 9060775821, p. 237
  3. Stone, Merlin Eens was God als Vrouw belichaamd (1979), p. 121: "Ugarit teksten verwijzen steeds naar de god El als Toru-El suggererend dat hij ook banden heeft met de Indo-Europese stormgod."