Parzival

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Een scène uit Perceval van Chrétien de Troyes
Parzival, geschilderd door Hermann Hendrich

Parzival (Welsh: Peredur), ook gespeld als Parsifal, Parcifal, Parsival of Parcival, was één van de ridders van de legendarische koning Arthur. Zijn levensverhaal is aan het begin van de 13e eeuw beschreven door Wolfram von Eschenbach in de versroman Parzival.

Al eerder beschreef Chrétien de Troyes diens geschiedenis in de roman Perceval ou le Conte du Graal (in het Nederlands vertaald door Ard Posthuma als De Graal, Athenaeum 2006). In de Middelnederlandse literatuur komt de figuur van Percheva(e)l voor in fragmenten van een 13e-eeuwse vertaling/bewerking van Chrétien de Troyes' Conte du Graal, alsook in de vroeg-veertiende-eeuwse Haagse Lancelotcompilatie.[1]

Het verhaal[bewerken]

Toen Parzivals moeder, Herzeloyde, zwanger was, sneuvelde zijn vader Gahmuret op het slagveld. Zijn moeder besloot daarom ervoor te zorgen dat haar zoon niet hetzelfde lot zou overkomen en bracht hem groot in volledige afzondering in het woud Soltane, weg van het hof. Gahmuret had eerder de Moorse koningin van Zazamanc, Belacane, tot vrouw genomen. Hun zoon Feirefiz, half zwart/half wit, was hun zoon en Parzivals halfbroer.[2]

Op een dag ontmoette Parzival in een bos echter een ridder, wiens levensverhaal hem zo fascineerde, dat hij naar het hof van Arthur wou gaan, hetgeen hij deed, ondanks het protest van zijn moeder. Daar overwon hij Ither de Rode Ridder. Hij nam diens wapenuitrusting en paard over en heette voortaan zélf de Rode Ridder. Parzival raakte betrokken bij de queeste naar de Heilige graal.

Na omzwervingen, waarbij hij Condwir amurs van Pelrapeire tot vrouw nam, bereikte Parzival de graalburcht Munsalvaesche van de zieke Visserkoning Anfortas. Midden in de nacht werd hij wakker. Voor zijn verbaasde ogen kwam er een vreemde stoet langs. Een van de passanten droeg een vreemde schotel waaruit licht kwam, een ander een bloedende lans. Parzival kon geen woord uitbrengen. Aan de basis van zijn onvermogen om te spreken lag een misplaatste hoffelijkheid. Parzival was opgegroeid in de bossen als jeugdige jongeling die niet of nauwelijks beleefdheids- en omgangsvormen had geleerd. Hij vroeg daarom veel, net als een kind. Als hij later onderricht kreeg hoe zich te gedragen als een galante ridder, leerde hij, dat hij niet zoveel vragen moest stellen.

In één van de versies verliet hij de volgende morgen het kasteel. Toen hij nog even omkeek, zag hij het kasteel zomaar verdwijnen. Dan besefte hij dat hij de kans van zijn leven had gemist: in de nachtelijke stoet werd immers hem de graal aangeboden. Hij besefte dat zijn aangeleerde beleefdheid hem had verhinderd oprechte belangstelling te tonen. In een andere versie ontsnapte hij uit het kasteel omdat hij, toen hij sliep, het gevoel had aan alle kanten geslagen te worden en hij weg wou. Toen hij weg was (ontsnapt), kreeg hij berouw omdat hij de Visserkoning had moeten helpen, maar het uit beleefdheid niet had gedaan.

Parzival zou opgenomen worden in de tafelronde van koning Artus (Arthur), maar Cundrie la sorcière van de graalburcht beschuldigde Parzival er van zijn taak niet te hebben volbracht. Ondertussen werd ridder Gawan (Walewein) uitgedaagd door Kingrimursel. Een groot deel van het boek Parzival gaat over de avonturen van Gawan: de strijd voor de stad Bearosche en te Schanpfanzun; de ontmoeting met Orgeluse de Logroys, die hem bespotte; de strijd met een leeuw en zijn verblijf te Schastel marveile van Clinschor (Klingsor), het wonderkasteel met het wonderbed; de sprong over de kloof Li gweiz prelljus en het bemachtigen van de krans van koning Gramoflanz; het huwelijk met Orgeluse en het herkennen van zijn eigen moeder Sangive, zuster Itonje en Arthur's moeder Arnive (Igraine) onder de gevangenen van het wonderkasteel.

Er was een tweekamp tussen Gawan en Parzival en tussen Gawan en koning Gramoflanz. Vervolgens ontstond er een strijd tussen Parzival en zijn halfbroer Feirefiz uit Tribalibot (India). De strijd eindigde met algehele verzoening en Cundrie la sorcière kwam Parzival uitnodigen om nogmaals naar de graalburcht te komen.

Toen gingen Parzival en Feirefiz terug naar de graalburcht Munsalvaesche van de Visserkoning en ditmaal greep Parzival de kans aan om Anfortas te vragen wat zijn kwaal was, hetgeen als de ultieme edelmoedige daad werd gezien. Hierop kreeg Parzival toegang tot de graal en werd hij de nieuwe graalkoning. Parzival herenigde zich met zijn vrouw Condwir amurs en hun zonen Kardeiz en Loherangrin (Lohengrin). Feirefiz ging gedoopt en gehuwd met de graaldraagster Repanse de Schoye naar het Oosten. Zij baarde in India Johan, die later Priester Johan (Prester John, Pape Jan) zou worden genoemd. Johan zou de stichter zijn geweest van een dynastie met dezelfde naam. Begin 13e eeuw versloeg Dzjengis Khan een zekere Presbyter Johannes (Ong Khan) 'wiens grote macht over de hele wereld vermaard was.'.[3] Het verhaal Parzival eindigt met de geschiedenis van Lohengrin en een epiloog:

'Als meester Cristjan van Troys (Chrétien de Troyes) dit verhaal onrecht heeft aangedaan, kan dat Kyot, die ons het ware verhaal heeft overgebracht, terecht vertoornen. De Provenzal vertelt waarachtig en volledig hoe Herzeloydes kind de graal verwierf zoals hem was beschikt, nadat Anfortas die had verbeurd. Het ware verhaal en het slot van dit avontuur werden ons gezonden in dit land vanuit de Provenz.'[4]

Visserkoning, zou tevens een verwijzing kunnen zijn naar Jezus, welke als een visser bekendstond. Beide eveneens door een lans verwond, en waarvan het bloed in de Graal werd opgevangen.

Wagners opera's[bewerken]

De componist Richard Wagner liet zich door het verhaal van Von Eschenbach inspireren tot het schrijven van de opera Parsifal. Ook in Wagners eerdere opera Lohengrin wordt Parzival al genoemd, als de vader van de ridder Lohengrin.

Huub Oosterhuis[bewerken]

De Nederlandse dichter en theoloog Huub Oosterhuis wijdde in 1970 een leerdicht aan het thema onder dezelfde titel 'Parcival'; met verwijzingen naar de middeleeuwse sage schoof hij zichzelf in de rol van de ridder (Prins, Hogepriester) die de mensheid verlost.[5]