Sarasvati (godin)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Sarasvati met de vina
Sarasvati met Vitarka Mudra, het gebaar voor discussie en leren

Sarasvati (Sanskriet: सरस्वती, waterige) wordt in de Vedas beschouwd als riviergodin (moedergodin) van de stroom (oorspronkelijk de oeroceaan), het vrouwelijk aspect van schepping, de vruchtbaarheid. Daarna is zij, voornamelijk als Hindoeïstische godheid, de godin van kennis, kunst, muziek, dichtkunst, wijsheid, retorica, schrift en literatuur. Want dat alles borrelt als vanzelf op uit het aldoordringend water van de oeroceaan, de bron van alle leven. Zij is het vrouwelijke scheppingsprincipe, daar waar het mannelijke haar echtgenoot Brahma is. Ze verblijven samen in Brahmaloka. Andere namen van Sarasvati zijn: Satarupa, Savitri, Gayatri en Brahmani. In de latere mythologie werd ze met Vâch, de koegodin van de spraak, geïdentificeerd.

'Sarasvati' is ook de (een) naam die in de Indusbeschaving aan een aspect van de Maha Devi, (de 'grote godin' moeder) werd gegeven, namelijk het beminnelijke, vruchtbare energiegevende aspect (shakti) in tegenstelling tot haar andere uiterste Kali.

Soms wordt de naam wel als 'Saraswati' uitgesproken, omdat de Indische uitspraak van de labiodentale v tussen onze v en w in ligt.

Kenmerken[bewerken]

Zij staat meestal afgebeeld met een vina, een snaarinstrument, in haar handen, en is herkenbaar doordat deze vina twee kalebassen heeft. In de snaren ontstaan de trillingen van de hele schepping, die zich als golven om haar heen uitbreiden. Aangezien ook de Sanskriet woorden uit deze trillingen bestaan, draagt zij soms een boek (van palmbladen) als weergave van de diepere kennis die in de Vedische hymnen opborrelt in het bewustzijn van de rishis (zieners). Het is tevens haar associatie met het schrift. Zij is de moeder van de Veda's en bedacht de Devanagari letters.

Soms wordt ze met vier armen afgebeeld. Met een rechterhand geeft ze een bloem aan haar echtgenoot. In een linkerhand heeft ze de parelketting Sivamala (Shiva's 'rozen'krans).

Meestal staat zij in een dansende houding zoals een apsara, de tekenen van vruchtbaarheid geprononceerd zichtbaar. Volgens sommigen gaat de buikdans evenals de trommel die er bij gebruikt wordt terug tot de tijd van de moedergodincultus. Dansende bewegingen zouden de beweging van planeten en sterren weergeven. De trommel, in dit geval de damaru in zandlopervorm is tevens een symbool van schepping door generatie van trillingen. Het geeft de hartslag van de kosmos aan waaruit alle creatie ontstaat. Shiva Natarasha (dansende Shiva) houdt in één van zijn handen eveneens een damaru.

De godheden krijgen ook altijd een rijdier toebedacht dat hun waarde als emotionele drijfkracht het best weergeeft. Sarasvati's rijdier is een pauw.

Op de afbeelding hiernaast ziet men twee zuiltjes op de achtergrond. De zuil of pilaster is van oudsher het symbool bij uitstek van de moedergodin. Het zou stammen uit de tijd dat zij in grotten werd vereerd, waar stalagmieten en stalactieten tot de inspiratie leidden (ca. 7000 v.Chr.). De zuil is tevens het symbool van de axis mundi of wereldas die hemel en aarde gescheiden houdt, verbindt en ondersteunt: Sarasvati staat als scheppingsprincipe in voor de dynamische band tussen oneindige oeroceaan en de daaruit gestructureerde werelden.

Midden op de zuiltjes staat een rozas. Dit gestileerd bloemmotief met 4 of 8 blaadjes is in vele culturen een frequent weerkerend symbool in verband met de moedergodincultus. Men ontmoet het ook in de vroeg Minoïsche beschaving.

Skanda Purana[bewerken]

In de Skanda Purana wordt er onderscheid gemaakt tussen Sarasvati en Gayatri. Sarasvati kwam te laat bij een groot offer opdagen, waarbij alle goden aanwezig waren. Brahmâ gaf Indra de opdracht een andere vrouw te halen om als zijn echtgenote aanwezig te zijn bij de offerplechtigheid. Indra bracht het melkmeisje Gayatri mee en Brahmâ huwde haar ter plekke, zeggend dat zij de moeder van de Veda's zou worden. Toen Sarasvati aankwam werd ze woedend en zei, dat Brahmâ slechts één dag in het jaar zou worden aanbeden, Indra door zijn vijanden in ketens zou worden geslagen, Vishnoe onder de mensen geboren zou worden en zijn vrouw aan zijn vijand zou verliezen, Rudra zijn mannelijkheid zou verliezen, Agni alles, schoon of niet, zou opeten. Ook de priesters en Brahmanen werden door haar vervloekt. Tegen Lakshmi zei ze, dat ze nooit op dezelfde plek zou blijven (als godin van het geluk) en trouw aan wie smerig, weerzinwekkend, zondig, wreed, dwaas en barbaars was. En Indrani (de echtgenote van Indra) voorspelde ze, dat Indra's invaller op de troon, Nahusha, haar zou begeren. Sarasvati sprak daarbij de vloek uit dat de vrouwen van alle goden kinderloos zouden blijven. Gayatri kon de vloeken een beetje verzachten toen Sarasvati de vergadering had verlaten. Tegen Indra zei ze, dat zijn zoon hem zou bevrijden. Vishnoe zou zijn vrouw terugvinden. Al zou Rudra zijn mannelijkheid verliezen, de Linga zou als zijn vertegenwoordiger universeel worden aanbeden. De godinnen zouden ondanks hun kinderloosheid niet teleurgesteld zijn. De mensen zouden de Brahmanen als goden vereren en de vereerders van Brahmâ zouden uiteindelijk allemaal in hem worden opgenomen.[1]

Ter vergelijking[bewerken]

Er is er een zekere overeenkomst van deze godin met de Mesopotamische Nanibgal.

Afbeeldingen[bewerken]

  1. Hindu mythology, W.J.Wilkins, 1882, Rupa & Co, Delhi, 1994, pp. 107-115