Tenzin Gyatso (dalai lama)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Tenzin Gyatso
Nobelprijs Medaille Tenzin Gyatso in 1989
Tibetaans བསྟན་འཛི ན་རྒྱ་མཚོ་
Tibetaans pinyin Dainzin Gyaco
Wylie bstan 'dzin rgya mtsho
Traditioneel Chinees 丹增嘉措
Vereenvoudigd Chinees 丹增嘉措
Hanyu pinyin Dānzēng Jiācuò
Andere benamingen Jetsün Jampä Ngawang Lobsang Yeshe Tenzin Gyatso
Goede Heer, Zachtmoedige Glorie, Welbespraakte Meevoelende Geleerde Verdediger van het Geloof, Zee van Wijsheid
Portaal  Portaalicoon   Tibet

Tenzin Gyatso, geboren als Lhamo Dhöndup (Taktser, 6 juli 1935) is de huidige, veertiende dalai lama. De dalai lama's zijn de belangrijkste tulkus, gereïncarneerde lama's, van de gelug, een van de tradities binnen het Tibetaans boeddhisme.

Vanaf de vijfde dalai lama Ngawang Lobsang Gyatso (16171682) kan de dalai lama beschouwd worden als de belangrijkste lama van het Tibetaanse boeddhisme. Deze vijfde dalai lama was ook de eerste van de in totaal twee dalai lama's die werkelijk bestuurlijke en politieke macht over Tibet hebben uitgeoefend. De tweede dalai lama met reële politieke en bestuurlijke macht was de dertiende in de lijn van de successie, Thubten Gyatso (1876-1933). De opvatting dat de dalai lama de spiritueel leider van het gehele Tibetaanse boeddhisme is, dateert van de twintigste eeuw en is niet onomstreden. Die opvatting heeft voornamelijk in de periode van de ballingschap vanaf 1959 gestalte gekregen.

Naam[bewerken | brontekst bewerken]

De naam die hij bij zijn inhuldiging op 22 februari 1940 kreeg, is Jampel Ngawang Lobsang Yeshe Tenzin Gyatso. Tenzin betekent Verdediger van de leer; Gyatso betekent oceaan.

Gewoonlijk wordt hij als "de dalai lama" en niet met zijn naam aangeduid. In het Westen spreekt men hem vaak aan met "Uwe Heiligheid". Tibetanen zelf noemen hem meestal de "Gyalwa rinpoche" (waardevolle overwinnaar) of Yeshe Norbu (wensvervullende juweel). De bijnaam van Tenzin Gyatso is Kundun, wat "aanwezigheid" betekent.

Achtergrond[bewerken | brontekst bewerken]

De tempel van het klooster Kumbum
Tenzin Gyatso in 1941

Zoektocht[bewerken | brontekst bewerken]

Na het overlijden van de dertiende dalai lama Thubten Gyatso (1876-1933) ontstond in Tibet een machtsstrijd. Daarbij werden seculiere kandidaten als Thubten Kunphela (1905-1963) en later Lungshar (1880-1938) uitgeschakeld. Er werd via een divinatieprocedure uiteindelijk weer een tulku als regent in Tibet geselecteerd, de dan 23-jarige Reting lama, Jampal Yeshe Gyaltsen (1910-1947).

De eerste verantwoordelijkheid voor een regent was het organiseren van zoektochten die zouden leiden naar de ontdekking van een nieuwe reïncarnatie als opvolger. In dat kader ondernam de regent met een relatief groot gezelschap de traditionele tocht naar het meer van Lhamo Latso. De Reting Lama kreeg daar naar eigen zeggen een visioen van letters, drijvend op het oppervlak, waarvan hij de inhoud ruim een jaar later bekendmaakte. Volgens Tenzin Gyatso zelf, in zijn autobiografie Vrijheid in ballingschap (1990), was de regent een 'oude lama'.[1] In het visioen kwamen drie letters Ah, Kah en Mah voor en een deel van een tempel die in Chinese stijl was gebouwd met drie verdiepingen en een dak van goud en turkoois. De regent zag ook een klein huis met vreemd gevormde dakgoten. Volgens de regent zou de letter Ah staan voor Amdo, een gebied dat sinds 1728 politiek en administratief deel uitmaakte van eerst de toenmalige Chinese provincie Gansu en vanaf 1929 van de toen gevormde provincie Qinghai.

Er werden in drie richtingen zoektochten georganiseerd. In mei 1937 arriveerde een van de zoektochten bij het klooster Kumbum in Amdo, waarvan de belangrijkste tempel de vorm heeft van een Chinese pagode met een goudkleurig dak. De letter ka zou een aanwijzing zijn voor het klooster Kumbum. Dit was de belangrijkste overweging om de zoektocht ook verder in dit gebied te concentreren. In juni brachten de leden van de zoektocht een beleefdheidsbezoek aan Ma Bufang (1903-1975), de islamitische krijgsheer en feitelijk machthebber in Qinghai.

Uiteindelijk werd er een lijst gemaakt van in totaal veertien kandidaten uit dat gebied. Een daarvan was een jongen met de naam Lhamo Döndup (wens-godin) uit het dorp Taktser (Brullende Tijger). Hij woonde in een huis met een vreemde dakgoot, die bestond uit uitgegutste knoestige jeneverbestakken. Ketsang Rinpoche - rinpoche (de kostbare) is een titel voor spirituele meesters - was de leider van het gezelschap dat het huis van Lhamo Döndups ouders bezocht. Hij deed alsof hij een van de bedienden was en speelde met het kind, dat hem herkende en riep: 'Sera Lama, Sera Lama!' Sera was het klooster van de Kewtsang rinpoche. Een paar dagen later keerde het gezelschap terug als officiële delegatie. De traditie vereiste dat ieder van de kandidaten onder meer een test zou moeten doen, waarbij uit gelijksoortige artikelen, zoals bijvoorbeeld twee gebedssnoeren een keus moest worden gemaakt. Een van de twee artikelen was dan iets dat tot het persoonlijk eigendom van de overleden dalai lama had behoord. Op basis van dit soort testen en een aantal gunstige en uitzonderlijke voortekenen kwam de delegatie tot de conclusie dat Lhamo Döndup de nieuwe reïncarnatie zou moeten zijn. Het kind zou feilloos de bezittingen van de dalai lama er uit hebben gehaald met de woorden: 'Dat is van mij!'[2]

Familie[bewerken | brontekst bewerken]

Lhamo Döndup kwam uit een welvarend gezin van kleine, vrije boeren. zijn ouders waren niet van adel. In Taktster waren zo'n twintig families. Zijn vader bezat een klein stukje landbouwgrond, dat ze zelf bewerkten en waar ze gerst, boekweit en aardappelen verbouwden, maar hij had ook dieren als betrouwbaarder bron van inkomsten. Ze hadden vijf of zes dzomo's (een kruising tussen een jak en een koe), scharrelkippen, tachtig schapen en geiten en een paar jaks. Hij was dol op paarden en had er altijd wel twee of drie. Graan of een paar schapen werden af en toe verhandeld. Wat over was werd geruild. Soms kwam hij thuis met een nieuw paard en hij had een zekere reputatie als genezer van paarden. Hij was vooral een van de grote handelaren in paarden in het gebied.[bron?] Lhamo Döndup kreeg zestien kinderen, waarvan er zeven in leven bleven. Lhamo Döndup was het negende kind. Hij had drie oudere broers en een 18 jaar oudere oudere zuster, Tsering Dolma. De oudste broer van Lhamo Döndup, Thubten Jigme Norbu (1922-2008) was al eerder als tulku (een incarnatie van een hoge lama) erkend en woonde in het klooster Kumbum. Gyalo Thondup was acht jaar ouder. Lobsang Samten was maar drie jaar ouder en werd ook naar Kumbum gezonden om monnik te worden.

Taal[bewerken | brontekst bewerken]

De veel grotere etnische diversiteit in Amdo dan in Centraal-Tibet, alsmede het veel grotere aantal migratiebewegingen dat daar had plaatsgevonden, had ertoe geleid dat de scheidslijnen tussen de vele talen in het gebied lang niet altijd etnisch bepaald waren. Lhamo Döndup sprak alleen het lokale dialect van Amdo Chinees, omdat dit in de regio en het gezin waar hij opgroeide de enige voertaal was.

Betaling[bewerken | brontekst bewerken]

De leiders van de zoektocht probeerden Ma Bufang ervan te overtuigen dat Lhamo Döndup slechts een van meerdere kandidaten was en verzochten zijn medewerking hem naar Lhasa te brengen. Ma Bufang had echter al snel het vermoeden dat dit de beoogde kandidaat was en vroeg een grote som geld voor die medewerking. Lhamo Döndup werd ook overgebracht naar het klooster Kumbum. Zijn broer Lobsang Samten was daar ook. Na enige maanden arriveerde het geldbedrag. Ma Bufang bleef echter voor vertraging zorgen en vroeg nog eens het drievoudige van het inmiddels ontvangen geldbedrag. Inmiddels weigerden ook de monniken uit het klooster Kumbum de jongen te laten gaan. De leiding van het klooster vroeg een complete set van de kleren van de overleden dalai lama, een van zijn tronen, een in goud geschreven versie van de kangyur en een complete versie van de tengyur, de beide boeken die gezamenlijk de canon van het Tibetaans boeddhisme vormen.

Pas in het voorjaar van 1939 werd een oplossing bereikt. De leider van de zoektocht kwam tot een overeenkomst met een groep islamitische handelaren, die via India een pelgrimstocht naar Mekka zouden maken. Die groep zou het geldbedrag (toenmalige waarde ongeveer £ 25 000) aan Ma Bufang betalen. Dat zou door de Tibetaanse regering in India aan hen in roepia's terugbetaald worden. Feitelijk betekende het dat deze islamitische handelaren garandeerden dat Ma zijn woord zou houden en de jongen de gelegenheid zou geven naar Lhasa te reizen alsmede dat zij een veilig escorte voor een deel van de route zouden kunnen vormen.

Lhasa[bewerken | brontekst bewerken]

Eind juli 1939, haast twee jaar na de ontdekking van Lhamo Döndup, vertrok de delegatie naar Lhasa, waar men na een reis van drie maanden in begin oktober aankwam. Het was de gewoonte dat de naaste familie van de dalai lama in de adelstand werd verheven en een mooi huis in Lhasa kreeg. In de Doeguthang-vlakte, drie kilometer buiten de stadspoorten, was een enorm tentenkamp opgesteld met in het midden een wit-blauwe tent, 'de grote Pauw', met de troon. Op 22 februari 1940 werd hij als de nieuwe en veertiende dalai lama met de naam Tenzin Gyatso geïnstalleerd.

Mogelijke economische factoren[bewerken | brontekst bewerken]

Veel tibetologen veronderstellen economische relaties tussen het selectieproces en het gebied waarin naar de laatste dalai lama's werd gezocht. Tenzin Gyatso was de vijfde van een reeks van dalai lama's vanaf de negende dalai lama die van buiten Centraal-Tibet, het door een Tibetaanse regering bestuurde gebied, afkomstig was. De achtste dalai lama was de laatste die in de aristocratie van Centraal-Tibet gevonden werd. De positie van een dalai lama bracht met zich mee dat zijn familie na zijn erkenning meteen in de hoogste adelstand van Tibet werd verheven en landerijen, veestapels en horigen kreeg toegewezen. Het onder de familie te verdelen land moest afkomstig zijn van de overheid of van bestaande adellijke families die het land in de vorm van een leen hadden ontvangen. In de praktijk had dat meestal plaatsgevonden door vererving.

De herverdeling daarvan werd vanaf het begin van de negentiende eeuw steeds moeilijker. Om al te grote spanningen tussen de bestaande adel uit Centraal-Tibet enerzijds en weliswaar niet-aristocratische, maar altijd toch welvarende families anderzijds te voorkomen, ging men op zoek naar kandidaten buiten dit gebied. Families van buiten Centraal-Tibet konden ook gemakkelijker worden gelieerd aan bestaande grootgrondbezitters die zelf geen nakomelingen hadden. Ten tijde van de selectie van Trinley Gyatso (18571875) was de situatie ten aanzien van herverdeling van land zo nijpend geworden, dat de Tibetaanse regering de familie van Trinley Gyatso dwong zich te liëren aan die van de familie van de achtste dalai lama. Ook de naam, Lhalu, van de laatste familie werd overgenomen. De familie speelde in de 20e eeuw een zeer belangrijke rol in de Tibetaanse politiek. Lungshar en Lhalu Tsewang Dorje waren enkelen van hen.

De periode 1940-1950[bewerken | brontekst bewerken]

Geestelijk leider[bewerken | brontekst bewerken]

Het jaar 1940 verbleef Lhamo Thondup in de Norbulingka. Gyop Kenpo was een van zijn oudere leraren. In de winter van 1940 werd Lhamo Thondup naar de Potala gebracht en er officieel geïnstalleerd als de geestelijke leider van Tibet. Hij zat er voor het eerst op de reusachtige, met juwelen ingelegde Leeuwentroon in de Si shi phuntsog, de hal van alle goede daden van de geestelijke en de tijdelijke wereld, de belangrijkste regeringskamer in de oostelijke vleugel. Hij zag vlak daarna voor het eerst de cham dansen.

De novice en de regent[bewerken | brontekst bewerken]

Het politieke toneel in Tibet werd voor een groot deel beheerst door talloze intriges. De regent had na de ontdekking van Tenzin Gyatso steeds meer macht naar zich toegetrokken. In toenemende mate kenmerkte zijn bewind zich door grote corruptie, harde uitschakeling van tegenstanders en grote zelfverrijking door de regent.

In 1941 ontstond er echter een probleem. In dat jaar moest de nieuwe dalai lama zijn monniksgelofte afleggen. Voor de Tibetaanse monnik zijn er 253 regels (voor nonnen 364). De belangrijkste vier zijn eenvoudig verboden: een monnik mag niet doden, niet stelen, niet over zijn geestelijke verworvenheden liegen en moet strikt celibatair blijven. De 'blinde' seksuele begeerte wordt niet alleen onderdrukt, maar dient door de kracht van de rede te worden overstegen.

Hij werd tot novice gewijd in de Jokhang-tempel met de ceremonie taphue (het knippen van het haar). Vanaf dat moment moest hij kaalgeschoren zijn en zich kleden in een kastanjebruin monniksgewaad.

In de traditie was dat een verantwoordelijkheid voor de regent. De Reting rinpoche, de regent van Tibet en ook zijn oudere leraar, knipte als symbolische daad zijn haar af. Onderdeel van die monniksgelofte is een belofte tot het aangaan van de celibaatsverplichting. De rinpoche was tijdens zijn regentschap 'een nogal controversiële figuur geworden.' Er waren geruchten dat hij niet de juiste persoon was om de haarknip-ceremonie uit te voeren. De traditie schreef ook voor, dat die belofte alleen in ontvangst genomen kon worden door iemand die zelf in het celibaat leeft.

Geestelijken van de gelug werden geacht celibatair te zijn, hoewel homoseksuele contacten in de praktijk volgens Goldstein werden getolereerd.[3] De Reting Lama had echter een openlijk biseksuele levenswandel, waaronder ook verhoudingen met gehuwde vrouwen.[4]

Er werd gesuggereerd dat de regent zijn gelofte van celibaat verbroken had en daarom geen monnik meer was. Ook was er openlijke kritiek op de manier waarop hij een ambtenaar gestraft had, die hem in de Nationale vergadering tegengesproken had. Toch verloor Lhamo Thondup zijn naam om die van de regent (Jampel Yeshe) aan te nemen. zijn volledige naam werd: Jampel Ngawang Lobsang Yeshe Tenzin Gyatso. Tenzin Gyatso kreeg Tathak (Tagdrag) als jongere leraar toegewezen. De Ketsang rinpoche werd zijn derde leraar. Vlak na het begin van zijn noviciaat gaf de Reting rinpoche het regentschap op, 'voornamelijk omdat hij zo impopulair was.' De Reting Lama werd gedwongen terug te treden en werd opgevolgd door een veel oudere tulku, de Tagdrag rinpoche, Ngawang Sungrab Thutob (1874-1952). Deze nam Tenzin Gyatso de monniksgelofte af.

De zesjarige Tenzin Gyatso werd gevraagd wie hem moest vervangen en hij noemde Tathak (Tagdrag) Rinpoche. Tathak werd nu zijn oudere leraar en Ling Rinpoche zijn jongere leraar. Drie monniken werden zijn persoonlijke bedienden: Chöpon Khnepo, Meester van het Ritueel, de Sölpen Khenpo, Meester van de Keuken en Simpon Khenpo, Meester van de Garderobe. De Dongyer Chenmo was het Hoofd van de Hofhouding.

De eerste jaren van de nieuwe regent werden gekenmerkt door een poging tot terugkeer naar de ethische standaarden die onder de dertiende dalai lama golden. Hij durfde ook op te treden tegen de vader van de dalai lama, die voortdurend ontevreden was over de hem toegewezen landgoederen en huizen in Lhasa. De vader, met inmiddels de titel Yabshi Kung, had daarnaast andere eisen, zoals vrijheid van belasting. Hij trachtte in regeringszaken te interveniëren en eiste ongehoorde protocollaire voorrechten. In 1942 greep de regent in en liet overal in Lhasa plakkaten aanbrengen waarin het gedrag van de vader veroordeeld werd en aangekondigd werd dat verder misbruik van zijn positie niet getolereerd zou worden. In latere jaren verviel de regent echter ook tot de praktijken van machtsmisbruik van zijn voorganger. Zijn vader stierf toen Tenzin Gyatso twaalf jaar was.

De tot terugtreden gedwongen Reting lama ondernam in de lente van 1947 een poging tot een staatsgreep. Hij wilde het regentschap terugeisen en 'werd gesteund door enkele monniken en ambtenaren die een samenzwering tegen de Tathag rinpoche organiseerden.' Die poging werd verijdeld en de Reting lama werd gearresteerd en naar de Potala gebracht. Hij vroeg toestemming om Tenzin Gyatso te zien, maar dat werd uit zijn naam geweigerd. Tenzin Gyatso vroeg zich later af of hij niet meer had kunnen doen. Hij betreurde ook de vernietiging van het Reting-klooster, 'een van het oudste en mooiste van Tibet'. 'Hoe dan ook, de hele zaak was nogal dom, en ondanks zijn fouten heb ik nog steeds een diepe persoonlijke bewondering voor de Reting rinpoche als mijn eerste leraar en guru.'[5] In de gevangenis werd Reting Rinpoche vermoord. 'na zijn dood werden zijn namen (Jampel Yeshe) van de mijne afgehaald, tot ik ze vele jaren later, op aanwijzing van het orakel, weer toevoegde.'

Tenzin Gyatso ging niet lang daarna met de Tathag rinpoche naar de Drepung- en Sera-kloosters, waar hij debuteerde als dialecticus. Rond die periode ontving hij van de Tathag rinpoche 'de speciale leer van de vijfde dalai lama', die de Grote Vijfde in een visioen ontving.

Opleiding[bewerken | brontekst bewerken]

Tenzin Gyatso leerde eerst lezen. Potala was geen aangename plek om te wonen. Naast het feit dat het een paleis was, waren er ook het Namgyal-klooster (het overwinnende) en een school voor monniken om tsedrung (ambtenaar) te worden. Ook was in het Potala de vergaderruimte van de leden van de regering (Kashag). Tenzin Gyatso kreeg de slaapkamer van de Grote Vijfde (gestorven 1682), die het Potala had neergezet op de plaats van een kleiner gebouw. De slaapkamer was koud, slecht verlicht en er liepen muizen, die van de boterlampjes aten. Na het lezen, leerde Tenzin Gyatso schrijven. Hij leerde zowel het Uchen (voor manuscripten), als het U-me (voor officiële documenten en persoonlijke brieven). Na het schrijven kwam het 'uit het hoofd leren' en reciteren. Hij volgde het lesprogramma voor monniken, dat leidde tot de titel geshe, 'een zeer onevenwichtig programma en op veel manieren totaal ongeschikt voor de leider van een land in de twintigste eeuw'. Er waren vijf hoofdvakken (logica, Tibetaanse kunst en cultuur, Sanskriet, geneeskunde en boeddhistische filosofie) en vijf bijvakken (poëzie, muziek en drama, astrologie, metrum en zinsbouw, synoniemen). Boeddhistische filosofie was het belangrijkste hoofdvak en het was onderverdeeld in vijf categorieën: prajnaparamita (de vervolmaking van wijsheid), madhyamika (de filosofie van de middenweg), vinaya (het geheel van de orderegels voor kloosterlingen), abidharma (metafysica) en pramana (logica en epistomologie). De graad van geshe werd eigenlijk toegekend op basis van boeddhistische filosofie, logica en dialectiek (de kunst van het debatteren). Verschillende vakken, als Sanskriet, begon Tenzin Gyatso pas later te studeren. Toen hij twaalf jaar was kreeg hij twee tsenshap, experts in de dialectiek.

Tenzin Gyatso kreeg twee mentoren, Lobsang Yeshe Tenzin Gyatso, de derde Trijang rinpoche (jongere leraar toen Tenzin Gyatso negentien jaar was) en Thubten Lungtog Tenzin Trinley, de zesde Ling rinpoche, die verantwoordelijk werden voor zijn intellectuele en religieuze vorming. Beiden waren leerlingen van Pabongka, de invloedrijkste tulku van de gelug uit de eerste helft van de twintigste eeuw. De Trijang rinpoche was de belangrijkste vertegenwoordiger van die stroming in de gelug die overtuigd was van de intellectuele superioriteit van de gelug ten opzichte van andere tradities in het Tibetaans boeddhisme. Zijn invloed op de dalai lama is tot diep in de ballingschap aanwezig geweest.

De Tagdrag rinpoche, Ngawang Sungrab Thutob (1874-1952), laatste regent in Tibet van 1941-1950

Eeuwige vrede[bewerken | brontekst bewerken]

Aan de ingang van de Jokhang-tempel, 'het meest heilige gebouw in heel Tibet', gebouwd door koning Songtsen Gampo in de 7e eeuw voor een beeld dat zijn Nepalese vrouw Bhrikuti Devi voor hem had meegebracht, staat een stenen monument met een inscriptie in het Tibetaans en Chinees, dat het verdrag, een eeuwige vrede, vermeldt dat in 821-822 tussen Tibet en China werd gesloten. De Tibetaanse heerser was toen Tri-tsug Detsen en de Chinese keizer Wen Wu Hsiao-te Hang-ti, elkanders 'neef en oom' (of schoonzoon en schoonvader).

'De Grote Koning van Tibet, de wonderbaarlijke Goddelijke Heerser, en de Grote Koning van China, de Chinese Heerser Hang-ti, die elkanders neef en oom zijn, hebben een bondgenootschap gesloten tussen hun beider koninkrijken. Een grootse overeenkomst zijn zij aangegaan en hebben zij bekrachtigd; goden en mensen zijn hier getuige van, opdat dit verdrag altijd zal blijven bestaan. Een verklaring van deze overeenkomst is in deze stenen pilaar gegraveerd, om toekomstige generaties er van op de hoogte te stellen. De Wonderbaarlijke Goddelijke Heerser Tri-tsug Detzsen en de Chinese Koning Wen Wu Hsiao-te Hang-ti, neef en oom, hebben in hun verreikende wijsheid getracht alle oorzaken van kwaad te voorkomen, tot welzijn van beide landen, nu en in de toekomst (..) Vanuit het verlangen slechts vrede en welzijn te bewerkstelligen voor al hun onderdanen, hebben zij zich het hoge doel voor ogen gesteld om duurzame welvaart te grondvesten; en zij hebben dit grote verdrag gesloten om hun besluit de eeuwenoude vriendschap, het wederzijds respect en de oude vriendschappelijke burenrelatie te herstellen, gestand te doen. Tibet en China zullen zich houden aan de grenzen zoals die op dit ogenblik zijn. Alles wat ten oosten daarvan ligt, behoort tot het land Groot-China; en alles wat ten westen daarvan ligt, behoort tot het land van Groot-Tibet. Aan geen van beide zijden zal voortaan strijd gevoerd worden, noch land afgenomen. Wie zich verdacht maakt, zal worden gearresteerd (..) Beide partijen zullen elkaar behandelen met het gebruikelijke eerbetoon en respect, geheel conform de vriendschappelijke relatie tussen neef en oom. (..) Iedereen zal in vrede leven en deel hebben aan de zegening van het geluk, tienduizend jaar lang. (..) De Drie Kostbare Juwelen, de Verzameling der Heiligen, de Zon en de Maan, de Planeten en de Sterren zijn hierbij aangeroepen als getuigen, opdat dit altijd zo zal blijven. Er is een eed gezworen met plechtige woorden en dierenoffers; zo is de overeenkomst bekrachtigd. Indien de partijen, hetzij Tibet, hetzij China, zich niet houden aan deze overeenkomst of haar op enigerlei wijze schenden, zal niets van hetgeen de andere partij ter vergelding zal ondernemen, beschouwd worden als verbreking van het verdrag van haar kant. (..) kopieën van het verdrag zijn opgeborgen in de koninklijke archieven van elk van beide partijen.'

Aardbeving[bewerken | brontekst bewerken]

Midden in de zomer van 1950, 'in het jaar van de IJzeren Hond', vlak voor het opera-festival, begon de aarde te trillen. Er klonken 30 tot 40 explosies. Het ging om een natuurverschijnsel. Er was een vreemde rode gloed aan de nachtelijke hemel te zien. 'Het was een aankondiging van de goden, een onheilspellend voorteken van de verschrikkelijke dingen die stonden te gebeuren. (..) Misschien is er een wetenschappelijke verklaring voor, maar ik heb zelf het idee dat hetgeen er gebeurde elke wetenschap te boven ging en iets heel mysterieus was.'[6]

De Chinese inval[bewerken | brontekst bewerken]

De situatie in Tibet verslechterde daarna heel snel.

Tibet was volstrekt onvoldoende voorbereid op de veranderingen na 1945. Er waren slechts enkele Tibetanen met een realistisch besef van internationale betrekkingen en machtsverhoudingen en die zaten zeker niet op de sleutelposities. Op de onafhankelijkheid van India in 1947 en wat dat voor gevolgen voor Tibet zou kunnen hebben was nauwelijks geanticipeerd.

Republiek China[bewerken | brontekst bewerken]

In 1946 zond de Tibetaanse regering na de Japanse nederlaag een brief naar Chiang Kai-shek, de president van de Republiek China, waarin overdracht geëist werd van gebieden zoals Amdo en het grootste deel van Kham, die al sinds begin 18e eeuw politiek en administratief deel uitmaakten van Chinese provincies.

Er zijn vele grote naties op de wereld die ongehoorde macht en rijkdom hebben vergaard, maar er is slechts een natie die geheel is toegewijd aan het welzijn van de mensheid en dat is het religieuze land van Tibet..... Als de tegenstanders Tibet ongestoord en in vrede laten en niet doorgaan met het bezet houden van afgepakt gebied, dan zullen de naties van deze wereld niet getroffen worden door hongersnood en oorlog door de krachten van de Drie Juwelen en de beschermers van het boeddhistische geloof. Dit is van ongelooflijke betekenis voor zowel de vrede op individueel als collectief niveau en het welzijn (van de mensheid) in het algemeen.

Mao Zedong roept op 1 oktober 1949 de Volksrepubliek China uit

Volksrepubliek China[bewerken | brontekst bewerken]

In 1949 was de nederlaag van de Kwomingtang in China een feit en werd de Volksrepubliek China uitgeroepen. De Communistische partij benadrukte de gehele hereniging van China, een punt dat men had overgenomen van de Kwomingtang. De "bevrijding" van Tibet van "imperialistische krachten" en "de re-integratie met het moederland" waren dan ook speerpunten van beleid.

'Vreedzame bevrijding'[bewerken | brontekst bewerken]

Twee dagen na de aardbeving kwam een koerier met een telegram van de gouverneur van Kham, die gestationeerd was in Chamdo, over een overval op een Tibetaanse post door Chinese soldaten. In de herfst van 1949 waren er al grensincidenten geweest met Chinese communisten, 'ondanks het feit dat alle Chinese functionarissen die in Lhasa woonden, het land waren uitgezet.' Het Tibetaanse leger telde 8500 officieren en manschappen, geen partij voor het volksbevrijdingsleger (PLA). De 'vreedzame bevrijding' van Tibet was begonnen op de verjaardag van de machtsovername van de communisten in China (1 oktober 1949).

In oktober 1950 stak het Chinese leger van 80.000 man de Jangtsekiang over en kwam uit bij Chamdo in door de regering van Tibet beheerst gebied. Het daar aanwezige Tibetaanse leger trok zich terug maar werd op die terugtocht omsingeld. Op 19 oktober gaf het zich over. Het volksbevrijdingsleger rukte niet verder op in afwachting van komende onderhandelingen tussen Lhasa en Peking.

De Tibetaanse regering was ernstig verdeeld over de te volgen politiek. Er waren zowel facties die voor voortzetting van gewapend verzet waren als facties die wensten te onderhandelen met de Chinezen.

Politiek leider[bewerken | brontekst bewerken]

De dalai lama moest twee jaar eerder dan gewoonlijk zijn volledige bevoegdheid krijgen. In die situatie bereikte men wel overeenstemming dat aan de beide staatsorakels een oordeel zou worden gevraagd. Aan het eerste, het orakel van Gadung, werd de vraag gesteld welke actie genomen moest worden om het religieuze en politieke systeem van Tibet te kunnen continueren en wie daarvoor de verantwoordelijkheid moest dragen. Het orakel van Gadung gaf daarop eerst een vaag en onbevredigend antwoord. Hij werd echter gedwongen een duidelijker antwoord te geven.

Indien de Alles-Wetende en Alles-Ziende Guru de religieuze en politieke verantwoordelijkheid aanvaardt, zal dat de Dharma, Tibet en alle wezens ten goede komen.

Dat werd uitgelegd als een uitspraak dat Tenzin Gyatso de religieuze en politieke verantwoordelijkheden in eigen hand diende te nemen. Het orakel van Nechung bevestigde deze uitspraak.

Het staatsorakel, de kuten, legde de dalai lama een witte zijden offersjaal op de schoot met de woorden: Thu-la bap (Zijn tijd is gekomen). 'Dorje Drakden had gesproken. (..) Al jarenlang had het orakel openlijke minachting getoond voor de regering en mij met grote hoffelijkheid behandeld.'[7] Zijn oudste broer, nu Takster rinpoche, kwam in Lhasa aan en was aan Chinese gevangenschap ontkomen, door te doen alsof hij met hen collaboreerde. Hij moest de dalai lama overhalen samen te werken met de Chinezen of hem anders doden. Tenzin Gyatso verleende algehele amnestie aan alle gevangenen.

Tenzin Gyatso werd op de leeftijd van zestien jaar ook in formele zin met de daarbij behorende bevoegdheden op 17 november 1950 geïnstalleerd als dalai lama. Hij is dan ook de politiek leider van Tibet.

Hij werd zo de onbetwiste leider 'van zes miljoen weerloze Tibetanen, die oog in oog stonden met een invasie door een land dat toen al meer dan zeshonderd miljoen inwoners telde. En ik was pas vijftien jaar oud.'[8] Hij stond aan het hoofd 'van een unieke, maar vervallen regeringsvorm, die helaas na zoveel jaren regentschap tamelijk corrupt was geworden. Koop en verkoop van hoge posities was bijvoorbeeld heel gewoon.' Iedere post werd door twee mensen vervuld, een leek en een monnik. Er waren aanvankelijk 175 van deze dubbele posities. Hij benoemde twee nieuwe eerste ministers: als monnik Lobsang Tashi en als leek Lukhangwa.

Dromo[bewerken | brontekst bewerken]

De Tibetaanse regering bleef bezorgd dat het Chinese leger op zou trekken naar Lhasa. Er werden 50 tot 60 kisten 'met allerlei kostbaarheden, voornamelijk gouden munten en staven zilver uit de kelders van de Potala' vooruitgezonden, door Kenrap Tenzin, vroeger Meester van de Garderobe, nu bevorderd tot Chikyab Kenpo, buiten medeweten van Tenzin Gyatso om.[9] De als gewoon burger vermomde dalai lama, een uitgebreide staf en het grootste deel van de regering vertrok daarom op 16 december 1950 naar Dromo nabij Yatung, een plaats 300 kilometer verderop, vlak bij de grens met Sikkim. Na een reis van bijna twee weken kwamen ze aan. Bij de elite in Lhasa veroorzaakte dat paniek. De op dat moment nog in Lhasa aanwezige Heinrich Harrer beschreef later dat iedere dag karavanen met goederen, geld en goud de stad verlieten in de richting van India, gevolgd door de families van de adel in Tibet. Lukhangwa en Lobsang Tashi, de eerste ministers, bleven in Lhasa, de Ling rinpoche en de Trijang rinpoche, de eerste tsenshap, waren meegekomen. Ze hoorden in Dromo dat alleen de delegatie naar China niet was afgewezen. Er was 'al bijna een halve eeuw een Engelse handelsdelegatie in Tibet.' Onder Hugh Richardson was de delegatie ook na de onafhankelijkheid van India in 1947 blijven bestaan. 'Het was dus haast niet te geloven dat de Engelse regering er nu mee instemde dat China bepaalde rechten kon doen gelden op Tibet. Blijkbaar waren zij vergeten dat in het verleden, toen Younghusband zijn verdrag sloot met de Tibetaanse regering, zij Tibet als een volledig soevereine staat beschouwd hadden.'[10] De Tibetaanse handelsdelegatie was in 1948 nog in Washington ontvangen door de vice-president. 'Dus ook daar was men drastisch van mening veranderd.'

Een rapport van Ngabo Ngawang Jigme, de gouverneur van Chamdo, deelde mee dat het grootste deel van Chamdo in Chinese handen was. Ngabo werd aan het hoofd gesteld van een delegatie, die met China zou onderhandelen. Tenzin Gyatso hoopte dat Ngabo 'de Chinezen duidelijk zou kunnen maken dat Tibet niet zat te wachten op 'bevrijding', maar gewoon de vreedzame relaties met ons grote buurland wilde voortzetten.' Via Radio Peking in de Tibetaanse taal, toen Tenzin Gyatso, in z'n eentje 's avonds zat te luisteren, kwam het bericht, dat die dag een Zeventien-punts Verdrag voor de vreedzame bevrijding van Tibet ondertekend was door China en de 'plaatselijke regering' van Tibet. De radio verkondigde, dat 'gedurende de afgelopen honderd jaar of langer' agressieve imperialisten Tibet binnengedrongen waren en 'allerlei misleidende en provocerende daden hadden verricht' en dat 'in die omstandigheden de Tibetaanse nationaliteit en het Tibetaanse volk ondergedompeld werden in slavernij en diep lijden.' Volgens Tenzin Gyatso een 'onvoorstelbare mengeling van leugens en opgezwollen cliché's.' In de eerste paragraaf van het verdrag stond: 'het Tibetaanse volk zal de handen ineenslaan om de imperialistische agressors uit Tibet te verdrijven. Het Tibetaanse volk zal terugkeren tot de grote familie van het Moederland - de volksrepubliek China'. Het laatste buitenlandse leger op Tibetaanse bodem was het Mantsjoe-leger in 1912 geweest en er waren op dat moment 'slechts een handvol Europeanen in Tibet'. Terugkeren naar het Moederland 'was een schaamteloos verzinsel. Tibet had nooit bij China gehoord' en in feite was het zo 'dat Tibet oude rechten had op grote delen van China. Bovendien zijn de volken van Tibet en China wat ras en cultuur betreft totaal verschillend. Wij spreken niet dezelfde taal, en het Tibetaanse schrift lijkt in geen enkel opzicht op het Chinese.' De Internationale Commissie van Juristen stelde: 'Tibets positie bij de uitdrijving van de Chinezen in 1912 kan terecht beschreven worden als feitelijke onafhankelijkheid. Wij zijn dan ook van mening dat de gebeurtenissen van 1911-1912 de wederopbloei aangeven van Tibet als volledig soevereine staat, zowel feitelijk als wettelijk onafhankelijk van Chinees toezicht.'[11] Ngabo had geen enkele bevoegdheid 'gekregen om namens mij iets te ondertekenen, enkel om te onderhandelen. Ik had de staatszegels bij mij gehouden in Dromo om daarvan verzekerd te zijn. (..) Kortgeleden [vóór 1990] hebben enkele leden van de delegatie [in Peking] in hun memoires het volledige verhaal verteld van hoe zij het verdrag onder dwang hebben ondertekend en vervalste zegels gebruikten van de Tibetaanse staat.'[12] Er was een Chinese delegatie in Calcutta op weg naar Dromo en onder meer Heinrich Harrer, vanuit Kalimpong, adviseerde de dalai lama om in ballingschap te gaan. Maar Tenzin Gyatso besloot af te wachten. Op 16 juli 1951 arriveerde de Chinese delegatie onder generaal Chiang.

Terug in Lhasa[bewerken | brontekst bewerken]

Tenzin Gyatso keerde terug naar Lhasa, generaal Chiang vertrok twee dagen later uit Dromo. Tenzin Gyatso trok langs het Samding-klooster, 'de plaats van Dorje Phagmo, een van de meest belangrijke bodhisattva's. Het was ook een van de mooiste kloosters in Tibet', als enige bestuurd door een vrouw. De abdis werd later 'jarenlang door onze nieuwe meesters (..) misbruikt. Het is tragisch dat het klooster met alle bijbehorende gebouwen, net als zoveel duizenden andere sinds het eind van de jaren vijftig, is verwoest en dat de eeuwenoude tradities ervan verloren zijn gegaan.' Hij trok vervolgens langs het Yamdrok Meer en het klooster van Tathag rinpoche en keerde, na negen maanden afwezigheid, half augustus, nog maar zestien jaar, terug in Lhasa. Op 26 oktober 1951 vielen Chinese troepen, 3000 man, Lhasa binnen, onder hen generaal Tang Kan-sen en generaal Chiang Kuo-ha. Korte tijd later arriveerden nog twee grote detachementen met trommels, rode vaandels en afbeeldingen van Mao en zijn rechterhand Zhu De. In de periode 1951-52 begon Tenzin Gyatso zijn Lam Rim meditaties. De geheime, mondelinge overleveringen worden alleen door ingewijden gegeven. Na de aankomst van de laatste 20.000 soldaten begon er een ernstig voedseltekort te ontstaan. De bevolking in Lhasa was in een paar weken tijd bijna verdubbeld. Al gauw werd er geen geld meer betaald door de Chinezen en ze begonnen voedsel en onderdak op te eisen 'alsof ze er zonder meer recht op hadden'. Er kwamen meer functionarissen en ambtenaren uit China en de situatie tussen de Chinese leiders en de twee Tibetaanse eerste ministers verslechterde; 'zij bemoeiden zich met alles'. De Tibetaanse regering was 'allesbehalve vrij om haar eigen zaken te behartigen, zoals in het verdrag stond.'[13] Er ontstond hoogoplopende ruzie tijdens een vergadering waarbij Fan Ming, de rechterhand van Chiang, voorzitter was. Lukhwanga vertelde, dat de mensen zeer ontzet waren over de aanwezigheid van zoveel soldaten. 'Bovendien maakten zij er zich zorgen over dat Chamdo niet meer onder het bestuur van de centrale regering was teruggebracht en dat er geen tekenen waren te bespeuren dat elders in Tibet de PLA op het punt stond terug te keren naar China. Wat betreft de voorstellen over inlijving van het Tibetaanse leger, als dat inderdaad zou gebeuren, zou dat zeker tot moeilijkheden leiden.'[14] De dalai lama aanvaardde daarna het ontslag van zijn twee eerste ministers, omdat 'hun beider levens gevaar liepen'. Ze legden in het vroege voorjaar van 1952 hun ambt neer. Toen de drie jaar jongere Panchen Lama in Lhasa arriveerde, betreurde Tenzin Gyatso het 'dat hij vrijwel in de schoot van de Chinezen was opgegroeid en pas nu naar het klooster Tashilhunpo ging om daar zijn rechtmatige positie in te nemen.' Hij vond hem een vrolijk en plezierig mens en voelde zich erg tot hem aangetrokken. Tenzin Gyatso stelde een Hervormingscommissie in, onder meer voor het instellen van een onafhankelijke rechtsspraak, de ontwikkeling van een goed onderwijsprogramma, het afschaffen van 'schulden door overerving', het kwijtschelden van schulden die niet aan de regering konden worden terugbetaald, en het aanleggen van een wegennet met transportmogelijkheden. Volgens het verdrag kon de plaatselijke regering in Tibet naar eigen inzicht hervormingen invoeren, zonder dat 'de overheid' (de Chinezen) daar zeggenschap in zou hebben. De 'bevrijders' hadden echter andere ideeën over bijvoorbeeld de organisatie van de landbouw. Pogingen tot hervormingen van de dalai lama legden de communisten volkomen naast zich neer. De collectivisatie, die zij invoerden, was 'verantwoordelijk voor een grote hongersnood en voor de hongerdood van honderdduizenden Tibetanen'.[15] In de zomer van 1953 ontving Tenzin Gyatso van Ling rinpoche de Kalachakra-inwijding. In 1954 ontving hij de volledige wijding als boeddhistische bikshu (monnik), voor het beeld van Chenrezig in de Jokhang-tempel. Ook deze ceremonie werd door de Ling rinpoche geleid.

Het 17-puntenakkoord[bewerken | brontekst bewerken]

Het 17-puntenakkoord

De Tibetaanse regering trachtte de kwestie van de inval op de agenda van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties te krijgen. De meest voor de hand liggende landen om een dergelijk verzoek te ondersteunen, India, Groot-Brittannië en de Verenigde Staten, waren om uiteenlopende redenen daartoe niet bereid. De Koreaanse Oorlog had ook een hogere politieke prioriteit.

Er startten uiteindelijk onderhandelingen in Peking. Op 23 mei 1951 werd onder immense Chinese druk het zogenaamde 17-puntenakkoord getekend, dat op 20 oktober van dat jaar werd geratificeerd door de dalai lama, de regering van Tibet en de Nationale Assemblee. Het akkoord regelde de voorwaarden van de vrijwillige terugkeer van Tibet onder Chinees gezag. Tibet ging deel uitmaken van de Volksrepubliek. De regering van Tibet (vanaf dat moment de regionale regering van Tibet) zou alle hulp bieden bij de komst en huisvesting van het volksbevrijdingsleger.

Onderdeel van het 17-puntenakkoord waren een aantal bepalingen die inhielden dat in het tot 1950 door de regering in Lhasa bestuurde gebied de op dat moment bestaande sociale ordening en structuur voorlopig zou worden gehandhaafd. Mao Zedong hoopte op die manier bij de Tibetaanse elite draagvlak te vinden voor de nieuwe situatie. Globaal kan gesteld worden dat de Chinese politiek om de Tibetaanse elite te committeren tot aan 1959 heeft standgehouden. Het was deze elite, de adel en hoogste geestelijkheid, die ook het meest te verliezen zou hebben bij fundamentele wijziging van de sociale ordening.

Verhouding met de pänchen lama[bewerken | brontekst bewerken]

Er was al eerder in de onderhandelingen een breekpunt geweest. Dat handelde over de positie van de pänchen lama. Het punt van erkenning door Lhasa van de pänchen lama Lobsang Trinley Chökyi Gyaltsen speelde hierin een grote rol. Deze tiende pänchen lama was in de laatste maanden van het regime van de Kwomingtang door hen geïnstalleerd. In de 19e eeuw hadden de pänchen lama's aanzienlijk belangrijker posities ingenomen dan de dalai lama's. Een conflict tussen de dertiende dalai lama en de negende pänchen lama had geleid tot een vlucht uit Tibet van de laatste in 1923 en een ballingschap die tot zijn dood in 1937 zou duren.

Tenzin Gyatso en de Tibetaanse regering hadden tot dan toe altijd geweigerd Lobsang Trinley Chökyi Gyaltsen te erkennen. De onderhandelingen bereikten een punt waarin de Chinezen stelden niet verder te willen spreken als deze pänchen lama niet geaccepteerd zou worden. Dit werd in een telegram duidelijk gemaakt aan de dalai lama die op dat moment al in Yatung verbleef. De dalai lama had een uitdrukkelijke voorkeur voor een kandidaat, die in het klooster Drepung verbleef. Er moest nu echter een beslissing genomen worden. De dalai lama voerde een divinatieprocedure uit die onder de gegeven omstandigheden uiteraard Lobsang Trinley Chökyi Gyaltsen als de uiteindelijke keus legitimeerde.

  • Punt 5 van het akkoord sprak uit dat de status, functies en macht van de pänchen lama gehandhaafd zouden worden.
  • Punt 6 van het akkoord sprak uit dat de met de status, functies en macht van de dalai lama en dat van de pänchen lama bedoeld wordt, de status, functies en macht van de dertiende dalai lama en de negende pänchen lama toen zij nog vriendschappelijke betrekkingen onderhielden.

In april 1952 ontmoetten de dalai lama en de pänchen lama elkaar in Lhasa voor de eerste maal. Er werd onderhandeld hoe men punt 6 van het 17-puntenakkoord moest plaatsen. Er werd besloten dat het jaar 1897 het uitgangspunt moest zijn. Er werd verder besloten dat alle mensen in dienst van de dalai lama Tashilhunpo, de traditionele verblijfplaats van de pänchen lama's nabij Shigatse moesten verlaten. Opnieuw bleven echter oude twisten spelen, zoals het feit hoeveel belasting Tashilhunpo moest betalen. Het was een eis van de groep van de pänchen lama dat alle belastingen die sinds 1928 op Tashilhunpo waren geheven door de Tibetaanse regering moest worden teruggestort. Uiteindelijk ging die regering met een groot deel van die eis akkoord.

De periode 1951- 1959[bewerken | brontekst bewerken]

De sociale ordening bleef grotendeels ongewijzigd. Er bleef een Tibetaanse regering met de dalai lama aan het hoofd. Die regering bleef de beschikking houden over een eigen leger, de eerste jaren over een eigen munt, bleef belasting innen, was verantwoordelijk voor de organisatie van zijn eigen bureaucratie en de rechtspraak. Een aanzienlijk deel van de seculiere elite en met name de adel in Tibet profiteerde ook van de investeringen die met de opbouw van infrastructuur samenhingen. De Chinese aanwezigheid werd echter door een grote meerderheid van de Tibetaanse bevolking als een bezetting gezien. Er waren in deze jaren ongeveer 20.000 Chinese troepen op een bevolking van toen ongeveer 1.300.000 Tibetanen in Centraal-Tibet.

Er waren dan ook groepen die zich bleven keren tegen de bezetting. Die groepen verenigden zich begin 1952 in een beweging onder de naam De Tibetaanse Volksvereniging. Het was zowel een anticommunistische als anti-Chinese beweging die ook zeer kritisch was ten opzichte van de Tibetaanse regering. De verstandhouding tussen de Chinezen en twee ministers van het Tibetaanse kabinet, Lobsang Tashi en Lukhangwa, die openlijk en materieel de uitgangspunten van de beweging ondersteunden werd ook onhoudbaar. Onder Chinese druk werden begin mei 1952 beide ministers ontslagen en de Tibetaanse Volksvereniging verboden. De Tibetaanse regering gaf een proclamatie uit, waarin gesteld werd dat groepen of individuen die acties zouden voorbereiden of ondernemen tegen de geest van het 17-puntenakkoord gestraft zouden worden.

Bezoek aan Peking[bewerken | brontekst bewerken]

Heenreis[bewerken | brontekst bewerken]

Mao Zedong, de dalai lama en de pänchen lama in Peking

In het begin van 1954 kregen de 19-jarige dalai lama en de 16-jarige pänchen lama een uitnodiging voor een bezoek aan Peking, waar ze eind van dat jaar arriveerden. De totale Tibetaanse groep die naar Peking reisde bestond uit ongeveer 500 personen. Daaronder waren de belangrijkste tulkus van alle tradities binnen het Tibetaans boeddhisme, de eerste keer in de Tibetaanse geschiedenis dat die elkaar ontmoetten. Verder reisden er familie, twee leraren van de dalai lama, zijn twee tsenshap, de Kashag en een groot aantal functionarissen mee. Ze vertrokken in het midden van de zomer en staken in boten van dierenhuiden de Kyichu-rivier over. De afstand tussen Lhasa en Peking is ongeveer 3000 kilometer. Er waren nog geen wegen tussen de twee landen, maar er was begonnen met de Qinghai-autoweg, waarbij de Chinezen 'Tibetanen als dwangarbeiders gebruikten.'[16] De eerste halte was bij het Ganden-klooster, de derde grote kloosteruniversiteit in Tibet. De dodge van de 13e dalai lama werd ingeruild voor een ezel. In Kongpo waren de wegen weggespoeld en de bruggen naar beneden gestort. Er waren overstromingen en aardverschuivingen. Er was zware regenval geweest. Drie jonge Chinese militairen overleden, toen ze de Tibetanen tegen lawines moesten beschermen. Vanaf Poyul was de weg begaanbaar en reisde het gezelschap verder met jeeps en vrachtauto's. Chamdo, de hoofdstad van Kham, werd bereikt. Met een jeep werd de dalai lama naar de eerste Chinese stad Chengdu gebracht. In Shingang voegde de panchen lama, die enige maanden eerder uit Shigatse was vertrokken, zich bij het gezelschap. Ze vlogen naar Xian, vandaar ging het per trein naar Peking. De dalai lama werd er door een enorme menigte jonge mensen ontvangen, 'maar het duurde niet lang voordat ik mij realiseerde dat hun glimlachen en uitroepen volstrekt onoprecht waren en dat zij alleen maar de bevelen gehoorzaamden'. Hij werd begroet door Zhou Enlai, de eerste minister en Zhu De, de vice-voorzitter van de volksrepubliek. De dalai lama werd dikke vrienden met de tolk Phuntsog Wangyal, die als kind op de christelijke missieschool had gezeten in zijn geboorteplaats Bathang. Wangyal trad op als vertaler tussen Mao (die hij verafgoodde) en de dalai lama. Volgens Wangyal was religie niet betrouwbaar om je leven op te baseren. Volgens de dalai lama legde de Boeddha zelf de nadruk 'op de noodzaak om iets diepgaand te onderzoeken voordat je het als waar of vals beschouwt.' En was 'religie van essentieel belang (..) vooral voor degenen die zich met politiek bezighouden.' Na een paar dagen ontmoetten de dalai lama en Mao, de 'Grote Stuurman', elkaar. 'Hij had niet bepaald de aura van een bijzonder intelligent mens, maar toen we elkaar de hand schudden, had ik het gevoel alsof ik in de aanwezigheid was van een sterk magnetisch veld.' Hij had 'een voelbare uitstraling van autoriteit en eerlijkheid' en de dalai lama vond hem 'volledig oprecht en zeer besluitvaardig' en inspirerend.[17]

Peking[bewerken | brontekst bewerken]

Formeel was de reis ter gelegenheid van de bespreking in het Nationaal Volkscongres van de nieuwe grondwet van de volksrepubliek. Tijdens het bezoek werd de dalai lama benoemd tot vicevoorzitter van het Volkscongres (of van de 'stuurgroep van de volksrepubliek China'[18]). De Tibetanen wilden hun behoeften in overeenstemming brengen met de verlangens van China en de dalai lama trad zelf op als bemiddelaar tussen de Kashag en de communistische leiders. Mao wilde een punt van de Zeventien-punts 'Overeenkomst' voorlopig negeren: het vestigen van een Commissie voor Militaire Zaken in Tibet. Beter was het volgens hem 'om een comité van voorbereiding voor het "autonome gebied" van Tibet in te stellen.'[19] De wensen van het Tibetaanse volk zouden zelf het tempo van hervorming bepalen. Volgens Mao was het enige doel van China's aanwezigheid in Tibet om de Tibetanen te helpen. 'Jullie hebben een schitterende geschiedenis. Lang geleden hebben jullie zelfs een groot deel van China veroverd, maar nu zijn jullie achterop geraakt en willen wij jullie helpen. Over twintig jaar zullen jullie ons ver vooruit zijn en dan zal het jullie beurt zijn om China te helpen.' De dalai lama werd enthousiast 'over de mogelijkheden van een verbinding met de volksrepubliek China' en bestudeerde het marxisme. Gelijkheid en rechtvaardigheid voor iedereen, zou een geneesmiddel zijn voor alle kwalen van de wereld. Maar er werd, volgens de dalai lama, uitsluitend de nadruk gelegd 'op de materialistische visie van het menselijk bestaan. Hier kon ik het niet mee eens zijn. Ik maakte mij ook ongerust over de methoden die door de Chinezen gebruikt werden om hun doeleinden na te streven en die heel star waren.' Toch wilde de dalai lama 'lid van de Partij' worden. De dalai lama geloofde dat een synthese tussen de zuivere marxistische theorieën en boeddhisme mogelijk was. Hij begon Chinees te leren en lichaamsoefeningen te doen. De bijeenkomsten en conferenties waren heel indrukwekkend, 'maar met verloop van tijd begon ik mij te realiseren hoe kunstmatig de meeste van deze bijeenkomsten waren. De mensen waren bang om voor hun mening uit te komen.' Hij kon 'de paranoia zien waarmee het grootste deel van de ambtenaren hun dagelijks werk deden. Zij waren voortdurend doodsbang voor hun baan, en voor hun leven.'[20] Naast Mao zag de dalai lama Zhou Enlai ('eigenlijk was hij overbeleefd, wat onveranderlijk een teken is dat iemand niet te vertrouwen is') en Lu Rau-chi ('hij was heel hard') regelmatig. Een hoge ambtenaar van het Ministerie van Minderheden, Liu Ka-ping, eigenlijk een moslim, gaf de dalai lama les over het marxisme en de Chinese revolutie. Hij bracht tien weken door in Peking.

In Peking ontmoette de dalai lama een aantal staatshoofden waaronder Pandit Nehru, Chroesjtsjov en Bulganin. Er kwamen duizenden Mongolen naar Peking om de dalai lama en panchen lama te zien. De Chinezen waardeerden het niet om Tibetanen en Mongolen samen te zien, vanwege het verleden, waarin Tibetaanse strijdkrachten in de 8e eeuw China dwongen om schatting te betalen en 'Mongolië had van 1279 tot 1368 feitelijk de heerschappij over China gevoerd, na de succesvolle invasie van Kublai Khan, de Mongoolse krijgsheer. (..) Kublai Khan werd boeddhist en had een Tibetaanse goeroe.' Die lama redde vele Chinese levens, want hij overtuigde de Mongoolse leider af te zien van het verdrinken van duizenden Chinezen in de zee, om 'de aanwas' te beperken.[21]

De dalai lama had een twaalftal ontmoetingen met Mao Zedong. De dalai lama vond hem indrukwekkend en er fysiek bijzonder uitzien, met een donkere, doorschijnende huid 'alsof hij een bepaald soort zalf gebruikte'. Maar zijn kleren zagen er 'altijd volstrekt versleten uit. Zijn overhemden waren tot op de draad versleten en de jasjes die hij droeg waren armoedig'. Alleen zijn schoenen waren altijd goed gepoetst.

Tijdens die bijeenkomsten werd ook het besluit genomen voor de totstandkoming van het Voorbereidingscomité van de Tibetaanse Autonome Regio. De Chinese leiding zag hierin een eerste stap in de richting van een integratie van Centraal-Tibet in de bestuurlijke structuur van de Volksrepubliek. Voor een aantal Tibetanen opende zich hiermee de mogelijkheid om binnen die nieuwe structuur – en uiteraard binnen de politieke randvoorwaarden – leidinggevende posities te gaan innemen.

De dalai lama werd voorzitter van dat comité. Dat werd het jaar daarna uitgewerkt in een verdeling van het gebied van Centraal-Tibet in drie regio's:

  • de regio U met aan het hoofd de dalai lama;
  • de regio Tsang, met aan het hoofd de pänchen lama;
  • de regio Chamdo (globaal 1/3 deel van het historische gebied van Kham).

Dit werd in het kamp van de pänchen lama als een overwinning gezien, aangezien het materieel betekende dat de dalai lama en de pänchen lama in Tibet een gelijke status hadden verkregen. De spanning tussen de beide kampen was ook merkbaar in het volgende jaar.

Rondreis door China[bewerken | brontekst bewerken]

Een ander doel van het bezoek was de Tibetanen de industriële vorderingen en vooruitgang van China te laten zien. De dalai lama werd dan ook, tijdens een uitgebreide tocht in de winter van 1954, rondgeleid op scheepswerven, fabrieken etc. Vaak dateerden die al uit de periode van Republiek China. De meeste Tibetaanse functionarissen 'waren totaal niet geïnteresseerd in wat er geboden werd'. Zijn moeder, die ook mee was, vond deze tijd 'verschrikkelijk'. Ze werd ziek, maar genas en zou nog 25 jaar leven. Ook zijn twaalf jaar jongere broer Tenzin Choegyal was mee. Die leerde in enkele maanden vloeiend mandarijnchinees. De dalai lama had wel belangstelling voor de materiële ontwikkeling in China. Hij was onder de indruk van de communistische 'zware industrie'. Hij wilde graag dezelfde vooruitgang voor zijn eigen land. Hij was geboeid door een hydro-elektrisch krachtstation in Mantsjoerije en zag eindeloze mogelijkheden voor een dergelijke krachtgenerator in Tibet. De dalai lama had kennis opgedaan van de basisprincipes van elektrische energie, omdat hij in Lhasa aan een oude dieselgenerator had gewerkt. De Chinese autoriteiten stonden geen contact met het gewone Chinese volk toe, onder het voorwendsel van veiligheid. Maar ook alle Chinese functionarissen werden geïsoleerd gehouden van het gewone volk en 'was het verboden om iets onafhankelijks te ondernemen.' De Serkon rinpoche, een van zijn tsenshap, was als enige in staat gewoon rond te lopen en kreeg een grondig beeld van het leven in de nieuwe volksrepubliek. 'Hij schilderde een heel somber beeld van de enorme armoede en angst onder de bevolking.' Eind januari 1955 waren ze terug in Peking.

Laatste ontmoeting met Mao[bewerken | brontekst bewerken]

In het voorjaar keerde de dalai lama terug naar Tibet, maar de dag vóór zijn vertrek, had hij zijn laatste ontmoeting met Mao. Die zei: 'Je houding is goed, weet je. Religie is vergif. Eerst beperkt het de bevolkingsgroei doordat de monniken en nonnen in celibaat leven, en ten tweede houdt het de materiële vooruitgang tegen.' Toen werd de dalai lama plotseling bang. 'Zo, dacht ik, uiteindelijk ben je toch een vernietiger van de dharma.'[22] Hij was later verbaasd dat Mao gedacht kon hebben 'dat ik niet tot in de kern van mijn wezen religieus was' en weet het aan zijn 'enorme belangstelling voor wetenschappelijke zaken en materiële vooruitgang' en Mao's 'onwetendheid over de boeddhistische filosofie'. De dalai lama wilde Tibet op dezelfde wijze als de volksrepubliek moderniseren en zijn manier van denken was 'fundamenteel wetenschappelijk'. Van zijn gevolg hadden weinigen 'een gunstige indruk van China en zij waren bang dat de starre methoden van de communisten tot de onderdrukking van Tibet zouden leiden.' Er ging bovendien een gerucht dat Gan Kung, een hoge ambtenaar van de Chinese regering, wegens kritiek op Lu Rau-chi, 'op de meest afgrijselijke manier was vermoord'. Volgens de dalai lama waren Tibetanen gelukkiger dan Chinezen, wegens culturele factoren: de relatie tussen landheer en horige was in Tibet veel milder en de omstandigheden van arme mensen waren minder hard, het feodale systeem was niet hetzelfde als in China; barbaarse praktijken als afbinden van voeten of castreren bestonden niet in Tibet en waren in China 'heel gewoon'.[23]

De dalai lama en panchen lama brachten in 1956 een bezoek aan India ter gelegenheid van het 2500e geboortejaar van Gautama Boeddha. De dalai lama sprak herhaaldelijk met Jawaharlal Nehru en Zhou Enlai die daarvoor speciaal naar India was gekomen. De pänchen lama voelde zich in deze gespreksrondes onderbedeeld.

Politieke heropvoeding[bewerken | brontekst bewerken]

In april 1954 had Nehroe een nieuw Chinees-Indiaas verdrag ondertekend, de Panch Sheel overeenkomst. Daarin was een memorandum opgenomen 'waarin stond dat India en China zich onder geen enkele voorwaarde zouden bemoeien met elkaars 'binnenlandse aangelegenheden'; volgens dit verdrag maakte Tibet deel uit van China.' Binnen tien jaar was Nehroe gedwongen zijn politiek ten aanzien van China te herzien en gaf hij toe dat India 'geleefd had in een valse illusie die zij zelf had gecreëerd'. In 1962 zou er een oorlog tussen India en China uitbreken.[24]

In de zomer van 1955 werden er 'nieuwe belastingen geheven op huizen, landerijen en vee, en (..) werden ook de kloosterbezittingen aangeslagen voor belasting (..) een enorme belediging.' Grote landgoederen werden in beslag genomen en het land herverdeeld. Landeigenaren werden publiekelijk aangeklaagd en gestraft voor 'hun misdaden jegens het volk' en zelfs ter dood gebracht. Er was een 'klopjacht' begonnen onder de vele duizenden nomaden. Het nomadenbestaan werd door de 'nieuwe meesters' als 'iets weerzinwekkends, iets barbaars' beschouwd. Chinezen gebruikten vaak het woord Mantze (barbaar) voor de Tibetaan. De plaatselijke bevolking werd geïndoctrineerd en opgehitst tegen hun eigen religie. 'Monniken en nonnen werden mishandeld en in het openbaar vernederd. Ze moesten bijvoorbeeld meewerken aan het uitroeien van insecten, ratten, vogels en allerlei ongedierte, terwijl de Chinezen op de hoogte waren 'dat iedere vorm van doden tegen de boeddhistische leer ingaat. Wie weigerde werd afgeranseld.'

Installatie PCART[bewerken | brontekst bewerken]

Eind 1955 werd begonnen met voorbereidingen voor de installatie van het Voorbereidend Comité voor het Autonome Gebied van Tibet (PCART), 'Mao's alternatief van een militair bestuur.' Toen de Chinezen de persoonlijke wapens van de Khampa's begonnen in te nemen, kwam het tot geweld. Vluchtelingen trokken naar Lhasa en vertelden verschrikkelijke verhalen 'over nietsontziende grofheid en vernedering. (..) Er werden niet alleen 'in het openbaar mensen afgeranseld en ter dood gebracht, maar dikwijls werd een van de kinderen van het slachtoffer ook nog gedwongen het vonnis te voltrekken.' Chinezen gebruikten ook de methode van thamzing, aan de armen ophangen, waarna mensen uit het publiek, 'ook vrouwen en kinderen, naar voren worden geroepen om nog meer verwondingen toe te brengen.' De Chinezen hoopten hiermee een 'politieke heropvoeding' te bevorderen. Er kwamen vluchtelingen uit Kham en Amdo aan in Lhasa. Tijdens openbare bijeenkomsten werden 'volksleiders' gekozen, 'wat in Tibet nog nooit was voorgekomen'. Na de Se-tri Chenmo ceremonie, waarbij de dalai lama een enorme, met juwelen bezette troon kreeg, dat ook symbool stond voor het verbond Chushi Gangdruk (vier rivieren, zes landstreken, de traditionele naam voor Kham en Amdo samen), groeide een wijdvertakte guerilla verzetsbeweging.

In april 1956 kwam maarschalk Chen Yi naar Lhasa als plaatsvervangend eerste minister en minister van buitenlandse zaken van de volksrepubliek China en vertegenwoordiger van voorzitter Mao. De PCART werd officieel geïnstalleerd. Er zouden nieuwe regeringsdepartementen worden gecreëerd, zoals financiën, onderwijs, landbouw, communicatie, gezondheidszorg, religie en veiligheid en die zouden onder het beheer komen van de PCART. 'Ook het bestuur over Chamdo kwam weer in Lhasa en dit werd tezamen het Autonome Gebied van Tibet genoemd. De rest van Kham echter en geheel Amdo bleef onder de directe invloed staan van Peking.' Het comité moest uit 51 regionale afgevaardigden bestaan, waarvan er maar vijf Chinees waren. Zonder verkiezingen maakte Chen Yi de namen bekend en zij waren op enkelen na 'allemaal door de Chinezen in het zadel geholpen. (..) Met andere woorden, het was een grote schijnvertoning' (tzuma). Plaatselijke leiders in Kham werden opgetrommeld voor een bijeenkomst in het fort Jomdha Dzong, ten noord-oosten van Chamdo. Het fort werd door 5000 man van de PLA omsingeld en de gevangenen mochten er pas uit als ze instemden met hervormingen en beloofden mee te helpen met de uitvoering ervan. De Khampa's gaven na twee weken toe, vluchtten naar de heuvels en zo was een kern van vogelvrije guerilla's door de Chinezen gecreëerd. De Chinese autoriteiten van Kartze in Kham gaven een krant uit, met een foto van een rij afgehakte hoofden van 'reactionaire misdadigers'. 'Dit was het eerste bewijs van de Chinese gruweldaden dat mij onder ogen kwam. Voortaan wist ik dat alle vreselijke dingen die ik over het gedrag van onze nieuwe meesters hoorde, de waarheid waren.'[25]

Het verbond van de Khampa/Amdowa vrijheidsstrijders vernielde in mei en juni 1956 trajecten van de Chinese militaire weg en een groot aantal bruggen, waarna de PLA 40000 man versterking kreeg en werd het Lithang-klooster in Kham gebombardeerd. Hierna volgde 'de meedogenloze marteling en terchtstelling van vrouwen en kinderen wier echtgenoten en vaders bij de verzetsbeweging betrokken waren. Helemaal onvoorstelbaar was de walgelijke mishandeling van monniken en nonnen; na hun gevangenneming werden deze eenvoudige, vrome mensen gedwongen - in het openbaar hun gelofte van celibaat met elkaar te verbreken en zelfs mensen te doden.' De dalai lama ging met generaal Chiang Kuo-ha in gesprek, maar deze discussie had geen enkele zin. Brieven aan Mao bleven onbeantwoord. Ook de tolk Phuntsog Wangyal kon niets betekenen, hij werd later van zijn ambt ontheven, gevangengezet en tot 'ongewenst persoon' verklaard tot eind jaren zeventig. 'Ik besefte hierdoor des te meer dat het chinese leiderschap niet echt marxistisch was, gericht op het creëren van een betere wereld voor iedereen, maar in feite uitermate nationalistisch. Deze mensen waren eigenlijk niets anders dan Chinese chauvinisten, die zich voordeden als communisten: een stel kortzichtige fanatiekelingen.'[26]

Bezoek aan India[bewerken | brontekst bewerken]

In het voorjaar van 1956 kwam kroonprins, de maharadja kumar van Sikkim, Thondup Namgyal, naar Lhasa met een uitnodiging van de Indiase Maha Bodhi organisatie, een vereniging van boeddhisten in het gehele subcontinent, de Boeddha Jyanti-vieringen, ter gelegenheid van de 2500ste verjaardag van de geboorte van Boeddha bij te wonen. Voor Tibetanen is India Aryabhumi (het land der heiligen) en de dalai lama was verheugd. Generaal Fan Ming verving Chiang Kuo-ha en gaf geen toestemming. Toen Chiang Chin-wu terugkwam uit Peking mocht de dalai lama wel naar India vertrekken.

Eind november 1956 begon de reis met klein gevolg. In Shigatse werd de panchen lama opgehaald. In Chumbithang werd van generaal Tin Ming-Yi afscheid genomen, die hem waarschuwde voor 'buitenlandse imperialisten, spionnen, revanchisten en al die andere demonen uit het communistisch pantheon.' Bij het Tsong Meer werden de dalai lama en zijn vier broers Taktser Rinpoche, Gyalo Thondup, Lobsang Samten en Tendzin Choegyal, verenigd. In Gangtok, de hoofdstad van Sikkim, werd de dalai lama begroet door de maharadja Tashi Namgyal. De volgende dag vloog hij van Bagdogra naar Alahabad en New Delhi, waar hij werd verwelkomd door minister-president Nehroe en Radakrishnan, de vice-president. In Rashtrapati Bhavan ontmoette hij Rajendra Prasad, de president van India. De volgende dag maakte hij een bedevaart naar Rajghat. De dalai lama was er net als Mahatma Gandhi van overtuigd dat de houding van geweldloosheid (Ahimsa) 'de enige ware manier was van politiek voeren'. Na de vieringen, maakte Nehroe tijdens een gesprek duidelijk dat India de dalai lama geen steun kon verlenen. Maar Nehroe zou spreken met Zhou Enlai, die op doorreis naar Europa, de volgende dag in New Delhi zou zijn. De dalai lama had een onderhoud met Zhou Enlai ('Chew and Lie' in een van de Indiase kranten), wat nergens toe leidde. De dalai lama maakte een bedevaart naar de heilige plaatsen in India, vergezeld door de panchen lama: door het land van Sanchi naar Ajanta, naar Bodh Gaya en Sarnath. In Bihar bezocht hij Nalanda, 'de plaats waar vroeger de grootste en beroemdste boeddhistische universiteit had gestaan, die al honderden jaren in puin lag. Hier hadden veel Tibetaanse geleerden gestudeerd.' Hij besefte hier 'hoe waar de leer van de vergankelijkheid is.' In Bodh Gaya kreeg hij bericht dat Zhou Enlai hem nogmaals wilde spreken en in Sarnath van generaal Chiang Chin-wu een telegram om naar Lhasa terug te keren. Zhou Enlai vroeg hem in Nalanda, als vertegenwoordiger van de volksrepubliek China, een cheque en reliek van Tang s'en , een Chinese spirituele meester, aan de organisatie te overhandigen. De dalai lama sprak er met Nehroe, die hem eerst adviseerde samen te werken met de Chinezen en niet naar Kalimpong te reizen, maar later zei hij hem dat India een vrij land was en dat hij er zeker van was dat de dalai lama geen van haar wetten zou overtreden. In Kalimpong had de 13e dalai lama tijdens zijn ballingschap in India gewoond en Tenzin Gyatso verbleef in hetzelfde huis en kreeg van het gezin van de Buthanese minister-president dezelfde kamer. De orakels van Nechung en Gadong gaven hem het advies naar Lhasa terug te keren. Zijn broers hadden buiten zijn medeweten contact opgenomen met de Amerikaanse Central Intelligence Agency (CIA), die de Tibetaanse vrijheidsstrijders op beperkte schaal hulp wilden bieden, 'als onderdeel van hun wereldwijde pogingen om alle communistische regeringen ten val te brengen.' De dalai lama wilde 'de Chinezen nog één kans' geven en ging eind maart 1957 op weg naar Lhasa.

Verzet in Kham[bewerken | brontekst bewerken]

Khampa's

Het 17-puntenakkoord was echter niet van toepassing op het grootste deel van Kham. Dat gebied was niet voor 1950 bestuurd geweest door een Tibetaanse regering. Maatregelen met het doel de oude hiërarchie van landeigenaren en landloze boeren om te vormen naar coöperatieve vormen, ontmoette daar gelijk weerstand. In 1956 was er op veel plaatsen in Kham al sprake van gewapend verzet tegen de Chinezen. Begin 1958 begon het Chinese leger een offensief tegen de Khampa's. In steeds grotere aantallen werden die gedwongen hun toevlucht te zoeken in Centraal-Tibet. In augustus 1958 werd voor het eerst sinds jaren weer een vergadering belegd door de Tibetaanse Nationale Assemblee. Het enige agendapunt was "De manier om de opstand van de Khampa's teniet te doen en de Centrale Regering (bedoeld werd de Chinese regering in Beijing) tevreden te stellen". De vergadering kwam tot geen enkele concrete conclusie.

Gebeurtenissen in maart 1959[bewerken | brontekst bewerken]

In begin 1959 waren er enkele tienduizenden vluchtelingen uit Kham in Lhasa en omgeving. Het straatbeeld in Lhasa en omgeving werd in belangrijke mate bepaald door gewapende Khampa-strijders. Een aantal lagere overheidsfunctionarissen hadden sympathie voor de zaak van de Khampa's. Op 10 maart 1959 zou de dalai lama een voorstelling bijwonen op het hoofdkwartier van de Chinese militaire commandant in Lhasa. Een aantal van die functionarissen verspreidden op 9 maart het gerucht, dat tijdens of direct na de voorstelling de dalai lama door Chinese troepen naar Beijing ontvoerd zou worden. Dat gerucht bracht een grote volksmassa op de been, die zich verzamelde voor het Norbulingka, het paleis waar de dalai lama op dat moment verbleef.

De massa, voor het grootste deel inwoners van Lhasa, geloofde het gerucht en trachtte op deze wijze de dalai lama te beschermen door te verhinderen dat hij naar de voorstelling kon gaan. Tibetologen en historici (Matthew Kapstein, Sam van Schaik en vooral Tsering Shakya) hebben de beweging de eerste opstand van het "gewone volk" in Tibet genoemd. In hun waardesysteem stond de positie van de dalai lama centraal. De uitholling van zijn positie in de jaren daarvoor werd door hen gezien als bedreiging van en aanval op het Tibetaans boeddhisme zelf, de kern van hun identiteit. De massa was in de eerste plaats tegen de Chinese bezetting. Het werd echter ook heel snel een opstand tegen de – in hun ogen met de Chinezen collaborerende – Tibetaanse elite. Enkele Tibetaanse ministers werden gedood en huizen en bezittingen van andere leden van de Tibetaanse elite werden vernield.

De volgende dagen vonden grote demonstraties plaats, waarin de onafhankelijkheid van het land werd geëist. De demonstranten eisten ook van de dalai lama en de Tibetaanse regering dat die zich achter deze eisen stelden. Op 16 maart trok de Tibetaanse regering de conclusie dat men het Norbulingka moest ontruimen. Als men daar zou blijven zou het paleis het centrum van de volksopstand kunnen worden. Het werd noodzakelijk geacht om afstand te creëren tussen de gebeurtenissen direct buiten het paleis en de dalai lama. Het plan was om de dalai lama naar een veiliger gebied te brengen, van waaruit onderhandeld kon worden met de Chinezen.

Op 17 maart lukte het de dalai lama en zijn entourage het paleis te verlaten. Vier dagen later arriveerde de groep in de dzong van Lhuntse, ongeveer 70 kilometer ten noorden van de grens met India. Vanuit hier zou men kunnen onderhandelen met de Chinezen. Er werd een nieuwe Tibetaanse regering gevormd. Het Chinese leger, dat tot dan toe geen actie had ondernomen, greep op 20 maart hard in. Na drie dagen had het de controle over Lhasa terug. Er zijn zeer wijd uiteenlopende ramingen over het aantal slachtoffers, maar vele duizenden zijn het ongetwijfeld geweest.

De berichten die de dalai lama in de dzong van Lhuntse bereikten waren verward en gedeeltelijk onjuist, zoals meldingen over de vernietiging van het Norbulingka en het Potalapaleis. Mede op basis hiervan werd het besluit genomen dat een verdere aanwezigheid van de dalai lama in Tibet onmogelijk was geworden en besloot men de Indiase grens over te vluchten. Hiermee begon de ballingschap van de dalai lama.

De ballingschap[bewerken | brontekst bewerken]

In India verwierp de dalai lama het 17-puntenakkoord en riep de onafhankelijkheid van Tibet uit, inclusief Amdo en Kham. Na de vlucht van de dalai lama verliet vrijwel de gehele adel in Tibet het land. Ook de belangrijkste geestelijke leiders zoals de karmapa, de sakya trizin en vele anderen verlieten met hun gevolg het land. De grootste vluchtelingenstroom uit Tibet vond plaats in de periode 1959-1965. Er zijn in die periode ongeveer 75.000 à 80.000 mensen gevlucht. Volgens informatie van de regering in ballingschap uit 2009 woonden er toen ongeveer 140.000 Tibetanen buiten China, waarvan het grootste deel in India. De dalai lama heeft sinds 1960 Dharamsala vlak boven het dorp McLeod Ganj als zijn vaste verblijfplaats. Zijn nieuwe huis werd Swarg Ashram, de voormalige residentie van de districtscommissaris in de tijd van de Engelsen. Toen heette het Highcroft House. Drie andere huizen stonden ter beschikking van zijn ambtenaren. Aanvankelijk waren ze met nog geen honderd Tibetanen, maar in 1990 waren het er al meer dan vijfduizend. Zijn moeder woonde net als in Birla House in Mussoorie bij hem in. Hij had twee Lhasa Apso honden, Sangye en Tashi. Tashi had hij van Tenzin Norgay gekregen, de beklimmer van de Mount Everest. De dalai lama was met Engelse les begonnen in Mussoorie, maar kreeg nu twee jaar les van Nair, een verbindingsofficier van de Indiase regering. Hij hervatte zijn religieuze studie. 'En hoewel de realisering van bodhichitta (het verlangen het boeddhaschap te bereiken voor het welzijn van alle levende wezens) nog ver van mij af stond, merkte ik dat ik, nu ik bij mijn studie niet meer zo onder druk stond, er veel meer plezier in had en veel kon doen.'

Binnen twee weken na aankomst in Dharamsala werd het eerst kinderverblijf geopend voor 50 kinderen. Er was een groeiend aantal wezen onder de nieuwkomers. Zijn zuster trad als leidster op. Omdat er onvoldoende middelen waren, werd een Zwitserse vriend, dr. Aeschmann in de arm genomen, om te onderzoeken of er Tibetaanse kinderen in Zwitserland konden worden geadopteerd. De Zwitserse regering was bereidwillig en nam direct 200 kinderen op. Ook enkele ouderen gingen in Zwitserland studeren en er was ruimte voor duizend volwassen vluchtelingen.

De dalai lama kwam persoonlijk in contact met leden van de Internationale Commissie van Juristen, 'die ons het jaar daarvoor met haar werk zo had bemoedigd.' Hij werd uitgenodigd een getuigenis af te leggen voor hun Commissie voor Gerechtelijk Onderzoek. De resultaten werden in augustus 1960 openbaar gemaakt. 'Opnieuw stelden de juristen zich geheel op het standpunt van de Tibetanen. China, zo verklaarde men, had zestien artikelen van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens geschonden en zich schuldig gemaakt aan volkerenmoord (genocide). Ook werden de walgelijke wreedheden (..) nader toegelicht.'[27]

Het gebied binnen de oranje lijn zou de autonome status vergelijkbaar met Hongkong moeten krijgen

De 50 tot 60 kisten met kostbaarheden die Kenrap Tenzin, de Chikyab Kenpo, in 1950 al in Sikkim had gedeponeerd, kwamen nu goed van pas. Alles werd op de vrije markt in Calcutta verkocht en bracht ongeveer 8 miljoen dollar op. Er werd in een aantal ondernemingen geïnvesteerd, maar de pogingen om blijvende inkomsten te genereren liepen op niets uit. Een achtste van het oorspronkelijke bedrag werd gered en ondergebracht in 'His Holiness the Dalai Lama's Charitable Trust'.

Na de oorlog met China in 1962 overleed Nehroe in 1964 en werd opgevolgd door minister-president Lal Bahadur Shastri. 'Evenals Nehroe was Shastri de Tibetaanse vluchtelingen zeer toegenegen. Meer nog dan Nehroe eigenlijk, want ook in politiek opzicht was hij onze bondgenoot.' Op 1 september 1965 brak de oorlog uit met Pakistan. Die werd beëindigd op 10 januari 1966. Een paar uur na de ondertekening stierf Lal Bahadur Shastri. Hij werd opgevolgd door Indira Gandhi, de dochter van Nehroe. Ook zij schonk 'warme steun aan de Tibetaanse vluchtelingen'. In maart 1977 deed zij afstand van haar machtspositie.

In 1968 verhuisde de dalai lama van Swarg Ashram naar Byrn Cottage. Hij stichtte het nieuwe Namgyal-klooster en in 1970 ook de nieuwe tempel, Tsuglakhang. Naast het klooster kwam de School voor Boeddhistische Dialectiek.

De leiders in Peking noemden de dalai lama de 'wolf in een monnikspij' en schilderde hem in Lhasa af 'als iemand die zich voordeed als religieus leider, maar in werkelijkheid een dief, een moordenaar en een rover was. Ook beweerden zij dat ik mevrouw Gandhi nogal verbazingwekkende seksuele diensten bewees!'

Na 1980 kwamen besprekingen tot stand tussen China en vertegenwoordigers van de Tibetaanse regering in ballingschap die tot in 1986 geduurd hebben, maar uiteindelijk geen resultaat hadden. In 1981 presenteerde de Chinese leiding een voorstel met vijf punten. In ieder geval een van die punten was onaanvaardbaar voor de dalai lama. De inhoud van dat punt was, dat de dalai lama dezelfde status zou hebben als voor 1959 en opnieuw benoemd zou worden tot vicevoorzitter van het Nationaal Volkscongres, het parlement van de Volksrepubliek China. Hij zou Tibet net zoveel als hij wenste kunnen bezoeken, maar de functie vereiste dat zijn verblijfplaats in Peking zou zijn.

In 1982 werd door vertegenwoordigers van de dalai lama een eigen voorstel geformuleerd. Centraal daarin stond de unificatie van Centraal-Tibet, Amdo en Kham – tezamen ongeveer 25% van het Chinese grondgebied – tot één enkele bestuurlijke en politieke eenheid. Dit gebied zou dan dezelfde status krijgen als Hongkong na de overdracht door Groot-Brittannië aan China. Dit voorstel werd door de Chinezen verworpen.

De dalai lama ging bij het niet kunnen bereiken van een akkoord zich steeds meer richten op het mobiliseren van steun in het Westen. In 1987 hield hij zijn eerste politieke redevoering in de Verenigde Staten. Hij herhaalde daar in essentie de voorstellen die de Chinezen al eerder hadden afgewezen.

Deng Xiaoping formuleerde hierna een voorstel, waarin de dalai lama wel in Lhasa kon wonen, onder de voorwaarde dat hij publiek het idee van Tibetaanse onafhankelijkheid verwierp. Het antwoord van de dalai lama was een andere politieke toespraak in Straatsburg met dezelfde essentie als die in de V.S. Dat werd door de Chinese leiding als een indirecte vorm van onafhankelijkheid beschouwd.

De pänchen lama had Tibet na 1959 niet verlaten. Lobsang Trinley Chökyi Gyaltsen zat in de periode van de Culturele Revolutie ruim 10 jaar in eenzame opsluiting. In het iets liberalere klimaat van de jaren 80 kon de pänchen lama een beperkte rol spelen in het gebruiken van zijn positie om nog iets te redden van de Tibetaanse cultuur en religieuze praktijk. Zijn rijkdom en status werden gedeeltelijk hersteld en gecompenseerd. In januari 1989 overleed hij.

Tenzin Gyatso ontving een uitnodiging om de begrafenisplechtigheden in Peking bij te wonen met het signaal dat het mogelijk was om op het hoogste niveau te overleggen. Onder druk van vooral westerse adviseurs uit de diverse ngo's weigerde de dalai lama de uitnodiging te aanvaarden. Een belangrijke overweging was daarbij dat dit het beeld van een balling (die dan in China toegelaten zou worden en weer kon terugkeren) zou schaden.

Later in dat jaar vonden de gebeurtenissen op het Tiananmen plaats en de meer gematigde krachten aan de Chinese top verloren hun invloed. De toon in de Chinese pers ten aanzien van de dalai lama werd weer aanzienlijk harder. Enkele maanden later ontving de dalai lama de Nobelprijs voor de Vrede. De toespraak van de dalai lama tijdens het accepteren van de prijs werd door de Chinese leiding als een pleidooi voor een indirect geformuleerde onafhankelijkheid opgevat.[28]

In 1995 trachtte de dalai lama de Chinese leiding voor een voldongen feit te zetten met de bekendmaking van de selectie van Gendün Chökyi Nyima tot de elfde pänchen lama. De Chinese leiding liet hierop via de procedure van de Gouden urn Gyancain Norbu selecteren.

Meerdere historici hebben de dalai lama in deze periode aanzienlijke politieke onhandigheid en gebrek aan staatsmanschap verweten. Een van de bekendste Tibetaanse historici Tsering Shakya, zelf met zijn ouders in 1959 naar India gevlucht, verwijt de Tibetaanse regering in ballingschap verzuimd te hebben de mogelijkheden aan te grijpen om op het hoogste niveau te kunnen onderhandelen. In plaats daarvan werden er te veel fact-finding missions naar Tibet gezonden. Er werd te veel tijd verloren met het zoeken naar triviale concessies en de gesprekken met de Chinese leiding werden te lang op een te laag niveau door daarvoor ongeschikte personen gevoerd. (Bedoeld wordt met name Gyalo Döndrub, de broer van de dalai lama.) Na 1989 verloor de Chinese leiding de interesse om tot een vergelijk te komen.

De meeste historici zijn echter ook van opvatting, dat de essentie was dat van Chinese zijde alleen een beperkte culturele autonomie werd geboden en de positie van de dalai lama in de ballingschap ook weinig speelruimte bood. Er waren groepen in de ballingschap als bijvoorbeeld het Tibetaans Jeugdcongres die met niets anders dan volledige onafhankelijkheid genoegen wensten te nemen en al zeer grote moeite hadden met de voorstellen van de dalai lama,

Het beperken van de gevraagde speciale gebiedsstatus tot Centraal-Tibet (het gebied dat tot 1950 bestuurd werd door een Tibetaanse regering) was onaanvaardbaar geweest voor de Khampa's en hun in ballingschap geboren nazaten. Zij beschouwden zich als de enigen die in de periode 1955-1959 daadwerkelijk verzet hadden gepleegd en beschouwden velen in de ballingschap nog als voormalige collaborateurs. Er waren ook groeperingen Khampa's in de ballingschap, die pleitten voor een eigen staat Kham, onafhankelijk van Peking maar ook van Lhasa. Een verder toegeven van de dalai lama aan Chinese eisen had in de Tibetaanse gemeenschap in de ballingschap tot een onherstelbare scheuring geleid.

In de periode 2000-2008 hebben op initiatief van het Europees Parlement nog een aantal gespreksrondes plaatsgevonden, maar die handelden niet of nauwelijks over de bestuurlijke toekomst van Tibet.

Toekomst van Tibetaans boeddhisme buiten Tibet[bewerken | brontekst bewerken]

Een van de gevolgen van de ballingschap is een zekere verspreiding van het Tibetaans boeddhisme naar het westen. Ook de dalai lama heeft in het westen onderwijs gegeven, waaronder de Kalachakra, een complex systeem van instructies en onderricht dat meestal aan grote groepen wordt onderwezen.

Er is een debat ontstaan over de toekomst van het Tibetaans boeddhisme. Een toenemend aantal lama's en bewegingen zoals bijvoorbeeld Sogyal Rinpoche, de beweging Nieuwe kadampa heeft Tibet en feitelijk ook het hele Himalayagebied als voertuig en adherentiegebied voor het Tibetaans boeddhisme opgegeven. Ruim 50 jaar Tibetaans ballingschap zonder vooruitzicht op - in die ballingschap - gewenste veranderingen en een Tibet dat sinds 1959 immense veranderingen heeft ondergaan spelen daarbij een rol. Deze groeperingen zien hun rol in het Westen vooral als het behouden en doorgeven van de wijsheid van het Tibetaanse boeddhisme.

Tenzin Gyatso heeft meerdere malen de grote obstakels aangegeven om werkelijk als een Tibetaans boeddhist in de westerse cultuur te kunnen leven en verbindt de overleving van het Tibetaans boeddhisme met de politieke kwestie van Tibet.

We moeten de noodzakelijkheid van het overleven en het bewaren van het Tibetaans boeddhisme juist plaatsen. Hiervoor is het land, het fysieke land van Tibet cruciaal. We doen ons best de Tibetaanse tradities buiten Tibet te bewaren. Maar er is een gevaar dat dit zal veranderen, dat het Tibetaans boeddhisme niet zal overleven zonder de beschermende schil van ons vaderland. Voor de zaak van dit Tibetaans boeddhisme, dat gezien kan worden als de vervolmaking van de Boeddha Dharma is het heilige land van Tibet van vitaal belang. Het is onwaarschijnlijk dat het [Tibetaans boeddhisme] kan overleven als een culturele en spirituele realiteit als de fysieke verschijning gesmoord wordt in Chinese bezetting. Dus ... actieve steun voor de Tibetaanse zaak is geen politieke zaak. Het is het werk van de Dharma.[29]

Controverses in de ballingschap[bewerken | brontekst bewerken]

Tenzin Gyatso in Nederland op 8 oktober 1973

Vanaf ongeveer 1970 ontstonden er spanningen tussen de dalai lama en een aantal invloedrijke geestelijken binnen zijn eigen gelugtraditie. Het was op dat moment duidelijk, dat er van een spoedige terugkeer naar het land van herkomst geen sprake meer kon zijn. De herkomst van de vluchtelingen in de ballingschap was ook nogal divers. Vele duizenden kwamen uit gebieden waarover de regering van Tibet nooit zeggenschap had uitgeoefend of waarvan de oriëntatie op politieke en culturele centra als Lhasa en Shigatse afwezig was. Er waren groeperingen zoals groepen Khampa's, die in het verleden en voor 1950 ronduit vijandig tegenover het regime in Lhasa hadden gestaan.

De dalai lama ging vanaf de jaren 70 werken aan het creëren van een vorm van een pan-Tibetaanse identiteit in de ballingschap. Daar was ook politieke noodzaak voor aanwezig. Om voor instituties als een Tibetaanse regering in ballingschap en Tibetaanse parlement in ballingschap draagvlak te creëren was medewerking noodzakelijk van alle binnen de ballingschap vertegenwoordigde geestelijke stromingen. Daarin pasten geen al te sektarische opstellingen. Vanaf die periode probeerde de dalai lama een meer eclectische, meer boven de partijen in de ballingschap staande rol te spelen. In zijn eigen persoonlijke tempel liet hij rituelen uit de nyingmatraditie uitvoeren. Dat leidde tot een conflict met die geestelijken in de ballingschap die overtuigd waren van de morele en intellectuele superioriteit van de gelug ten opzichte van de andere stromingen in het Tibetaans boeddhisme. Zij zagen een dalai lama in de eerste plaats als hun dalai lama, de dalai lama van de gelug en gehouden om in de eerste plaats en bovenal de doctrine van de gelug uit te dragen.

In 1973 verscheen het Gele boek (Yellow Book). Het werd gepubliceerd door Zemey Rinpoche, die de tekst had ontvangen van Trijang Rinpoche, de leermeester van de dalai lama. De tekst verhaalt in detail de rampen die bij naam genoemde lama's, monniken en leken van de gelug zijn overkomen, omdat ze de rechte orthodoxe weg van de gelug onvoldoende naleefden. In ieder van die gevallen schrijft de tekst de marteling, ziekte of de dood van betrokkenen toe aan het feit dat door hun handelen de gramschap van Dorje Shugden, de beschermgod van de gelug, was opgewekt

De dalai lama kon dit niet anders zien dan als een aanval op zijn positie en was wel gedwongen te reageren. Een van de eerste reacties van de dalai lama was dat hij tijdens het losar in 1976 de traditionele wensen voor een lang leven op deze wereld weigerde. De acceptatie van die wensen zijn in de traditie een teken van de verbintenis tussen hem en het Tibetaanse volk. Door deze te weigeren bracht hij tot uitdrukking dat die band werd ondermijnd en dat het gedrag van Tibetanen niet verenigbaar was met zijn aanblijven als dalai lama. Daarbij vermeldde hij dat hij signalen had gekregen dat het tijd was om weer tijdelijk op de Hemelse Velden te verblijven, waarmee hij het signaal afgaf dat hij overwoog zichzelf binnenkort te laten overlijden. Die weigering en mededeling creëerde een schok in de Tibetaanse gemeenschap.

Het Nechung-orakel beval erop dat er door de Tibetaanse gemeenschap een astronomisch aantal mantra's gereciteerd moesten worden. Dat gebeurde ook en na ongeveer een half jaar accepteerde de dalai lama de traditionele wensen alsnog.

In 1977 werd Zemey Rinpoche uitgesloten van bijeenkomsten waar de dalai lama sprak. Er was inmiddels een breuk met Trijang Rinpoche. In het Tibetaans boeddhisme komt het zelden voor dat er tussen leraar en leerling, ook al is de laatste een dalai lama, een onherstelbare breuk is. De kloosters in ballingschap kregen het bevel om Dorje Shugden niet meer te vereren. Afbeeldingen en standbeelden van Dorje Shugden moesten worden verwijderd. Het conflict had tot resultaat, dat een aantal lama's de gelug verlieten en een nieuwe boeddhistische beweging stichtten, de Nieuwe kadampatraditie.

Er zijn nogal wat onafhankelijke waarnemers die deze eerste reacties van de dalai lama excessief noemden en oordeelden dat deze juist sterk bijdroegen aan een toenemende polarisatie in dit conflict. De dalai lama zou bewust politiek gebruik hebben gemaakt van de overtuiging dat voor de meeste Tibetanen niets belangrijkers is dan het leven van de dalai lama; als iemand gekenschetst wordt als een vijand van de dalai lama, wordt diegene meteen ook als een verrader gezien.

Deze Dorje Shugden-controverse werd in 1996 meer zichtbaar voor het publiek in het westen, toen de Nieuwe kadampatraditie (NKT) en diens goeroe en oprichter, Kelsang Gyatso een mediacampagne tegen de dalai lama startten. In die mediacampagne werd de dalai lama tijdens zijn bezoek aan onder meer Engeland betiteld als gewetenloze dictator en onderdrukker van religieuze vrijheid. In 2008 tijdens een bezoek aan Australië waren er opnieuw demonstraties van Dorje Shugden-aanhangers. De NKT verwees onder meer naar de volgende richtlijn van het Tibetaans parlement in ballingschap, die toont hoe politieke en religieuze aspecten in het Tibetaanse boeddhisme met elkaar verweven zijn:

De departementen, diensten en hun ondergeschikte afdelingen, kloosters en hun afdelingen die functioneren onder de administratie van de Tibetaanse regering in ballingschap dienen strikte instructies te krijgen, in overeenstemming met de regelgeving, om zich niet in te laten met de verering van Shugden. Wij willen daarbij duidelijk maken dat als individuele burgers Shugden vereren, dit de gemeenschappelijke belangen van Tibet, het leven van Zijne Heiligheid, de dalai lama zal schaden en die geesten zal sterken die tegen de religie zijn.[30]

Trinley Thaye Dorje heeft de steun van de dalai lama in de karmapa-controverse

Een tweede controverse betreft de karmapa-controverse. De karmapa is de oudste tot op heden bestaande reïncarnatielijn binnen het Tibetaans boeddhisme. (Enkele eeuwen ouder dan die van de dalai lama's.) De karmapa is de belangrijkste tulku van de karma kagyütraditie. Sinds 1998 zijn er meerdere personen met ieder hun eigen kamp, die claimen de reïncarnatie te zijn van de in 1981 overleden zestiende karmapa. Hoewel beide kampen dit ontkennen, is het voor iedere waarnemer duidelijk dat het conflict in belangrijke mate te maken heeft met de zeggenschap over het omvangrijke eigendom van de traditie. Er is niets in de Tibetaanse traditie of geschiedenis aan te wijzen dat een dalai lama in een conflict binnen een andere geestelijke traditie een rol heeft te spelen. Tenzin Gyatso heeft echter een duidelijke keus gemaakt voor een van de kandidaten. Dat kamp heeft die steun in dank aanvaard, maar het heeft in het andere kamp tot oppositie tegen hem geleid.

Opvolging[bewerken | brontekst bewerken]

De huidige dalai lama heeft meerdere en vaak ook verschillende uitspraken gedaan over zijn opvolging. Daarbij zijn uitspraken die in het westen enig opzien baarden, maar feitelijk tot stand kwamen om een westerse interviewer een plezier te doen. Een voorbeeld daarvan is de uitspraak dat de volgende dalai lama heel goed een vrouw zou kunnen zijn.

Het is echter duidelijk, dat, vanuit de situatie in de ballingschap gezien, er geen sprake kan zijn dat na zijn overlijden zijn reïncarnatie gezocht kan worden in het Tibet van de huidige bestuurlijke omstandigheden.

Het Chinese Bureau van religieuze zaken heeft een maatregel afgekondigd die op 1 september 2007 van kracht werd, waarin op grond van bepaalde criteria vooraf toestemming moet worden verkregen om een zoektocht naar een nieuwe incarnatie te organiseren. Vervolgens moet de organisatie van die zoektocht ook aan een aantal criteria voldoen. Artikel 8 (van de in totaal 14) spreekt uit dat voor tulku's die historisch gezien door middel van de loterijprocedure van Gouden urn geselecteerd zijn dit nu ook dient te gebeuren, tenzij er vooraf toestemming is verkregen dit niet te doen. (De tiende tot en met twaalfde dalai werden via die procedure geselecteerd en voor de dertiende werd toestemming verkregen die niet toe te passen.) Artikel 2 sluit iedere bemoeienis van buitenlandse (niet Chinese) kant uit ten aanzien van het selectieproces. Het is duidelijk, dat deze bepalingen erop gericht zijn om - als politieke opportuniteit dat zou vereisen – het selectieproces van een volgende dalai lama in Chinese handen te houden.

De dalai lama heeft op 24 september 2011 hierop gereageerd met een verklaring. Dit is in formele zin tot nu toe zijn belangrijkste bericht omtrent zijn opvolging. In hetzelfde jaar heeft de dalai lama zijn bestuurlijke verantwoordelijkheden voor de gemeenschap in de ballingschap neergelegd. Die worden nu uitgeoefend door de rechtstreeks gekozen Lobsang Sangay, premier van de Tibetaanse regering in ballingschap.

Zoals ik eerder heb opgemerkt is reïncarnatie een fenomeen dat alleen kan plaatsvinden door de vrijwillige keus van de betreffende persoon of op zijn minst door de kracht van zijn of haar karma, verdiensten en gebeden. Daarom heeft alleen de persoon die reïncarneert de uitsluitende bevoegdheid (te besluiten) waar en hoe de wedergeboorte plaats zal vinden en hoe die reïncarnatie herkend kan worden.

Als ik ongeveer 90 jaar ben, zal ik de belangrijkste lama's van de verschillende geestelijke tradities, het Tibetaanse volk en anderen die volgens de regels van het Tibetaans boeddhisme leven raadplegen en evalueren of het instituut Dalai Lama wel of niet gecontinueerd dient te worden. Op basis daarvan zullen wij een beslissing nemen. Als besloten wordt de reïncarnatielijn van de dalai lama's voort te zetten en er dus behoefte is aan een vijftiende dalai lama zal de verantwoordelijkheid daarvoor in de eerste plaats berusten bij diegenen die belast zijn met de Gaden Phodrang Trust.

Zij dienen dan de leiders van de tradities in het Tibetaans boeddhisme te raadplegen alsmede de betrouwbare Beschermgoden van de Dharma die onafscheidelijk verbonden zijn met de lijn van de dalai lama's. Zij zullen zich moeten laten adviseren door deze wezens en de procedures voor het zoeken naar en erkenning van de volgende reïncarnatie moeten doen in overeenstemming met de tradities uit het verleden. Ik zal daarvoor duidelijke geschreven instructies achterlaten. Het is essentieel dat, naast de reïncarnatie die erkend wordt via deze legitieme methode, er geen enkele erkenning of acceptatie kan zijn voor een kandidaat die gekozen is vanwege politieke redenen, waaronder ook die in de Chinese Volksrepubliek.[31]

De hele verklaring heeft een aantal opmerkelijke kanten. De Gaden Phodrang Trust is de organisatie verantwoordelijk voor de ondersteuning van de reïncarnatielijn van de dalai lama's en beheert ook het economisch eigendom van die lijn. Het is opmerkelijk, dat de verantwoordelijkheid daar wordt gelegd en niet bij de Tibetaanse regering in ballingschap. Het zou onder meer kunnen betekenen, dat de dalai lama voor zijn opvolger geen rol met politieke verantwoordelijkheden meer ziet.

In de verklaring gaat de dalai lama ook uitgebreid in op het fenomeen van emanatie. De dalai lama's zijn niet alleen de reïncarnatie van hun voorganger, maar worden ook geacht de emanatie, de verschijning op aarde, te zijn van de bodhisattva Avalokiteshvara. De gehele verklaring van de dalai lama laat ruimte dat een opvolger van hem gevonden kan worden via een systeem waarbij van iemand erkend wordt dezelfde emanatie te zijn als de dalai lama's. Dit in plaats van of in aanvulling op een selectie via reïncarnatie. Bij een selectie via emanatie is het mogelijk, dat de dan geselecteerde persoon reeds een (jong)volwassen man is, die reeds geselecteerd kan worden voor de dood van degene die hij moet opvolgen. Hierdoor kan het grote nadeel van het hanteren van het instrument reïncarnatie bij selectie van opvolgers vermeden worden. Het duurt altijd ongeveer twintig jaar om een opvolger te vinden en op te leiden.

Onderscheidingen[bewerken | brontekst bewerken]

President George W. Bush, Senator Robert Byrd en Nancy Pelosi, Voorzitter van Huis van Afgevaardigden overhandigen de dalai lama de Congressional Gold Medal

Tenzin Gyatso heeft – naast de Nobelprijs voor de Vrede in 1989 - een zeer groot aantal andere onderscheidingen ontvangen. Enkele daarvan zijn de Congressional Gold Medal, de hoogste burgerlijke onderscheiding van de Verenigde Staten. Op 22 juni 2006 verkoos het Canadese Parlement Tenzin Gyatso tot Ereburger van Canada. Verder gaven zeer veel universiteiten hem een eredoctoraat in het algemeen, ontving hij veel verschillende doctoraten op de terreinen Boeddhistische Filosofie, Godsdienstwetenschap, Literatuur, Rechtsgeleerdheid, Theologie, Menslievende Literatuur en Kunsten, en eredoctoraten voor Internationale Diplomatieke Wetenschap, Sociale Wetenschappen, Godsdienstfilosofie en Geesteswetenschappen. Daarnaast ontving hij van een aantal steden de Sleutel tot de Stad: San Francisco op 27 september 1979, Los Angeles in september 1979 en New York op 25 september 2005. Verder riepen verschillende gemeenteraden hem uit tot Ereburger van de Stad: hij werd ereburger van Wrocław (24 juni 2008), Rome en Venetië (9 en 10 februari), Parijs (7 juni), Warschau (29 juli 2009) en Boedapest. In 2012 werd de Templeton Prize aan hem toegekend.

Filmografie[bewerken | brontekst bewerken]

Tenzin Gyatso, 2007

Een van de eerste boeken over Tenzin Gyatso die het grote publiek bereikte was het boek Zeven jaar in Tibet van de Oostenrijkse bergbeklimmer Heinrich Harrer. Van dit boek verscheen de documentaire uit 1956 van regisseur Hans Nieter die een nominatie voor een Gouden Palm ontving op het filmfestival van Cannes De verfilming van 1997 onder regie van Jean-Jacques Annaud met Brad Pitt in de hoofdrol leverde drie prijzen op en daarbij nog tien nominaties.

Maar ook andere films droegen bij aan een grotere bekendheid over de dalai lama, met name Kundun van regisseur Martin Scorsese uit 1997.

Een groot aantal documentaires behandelen het leven van Tenzin Gyatso en de situatie van Tibet. Veel van deze documentaires zijn in het Nederlands ondertiteld, zoals The Unwinking Gaze van regisseur Joshua Dugdale waarin hij gedurende drie jaar de veertiende dalai lama volgde in de uitvoering van zijn taken. Verder had hij een belangrijke rol in Dalai Lama Renaissance, On Life & Enlightenment, The Tibetan Book of the Dead, The Jew in the Lotus, Wheel of Time, 10 Questions for the Dalai Lama en The Dalai Lama: 50 Years After the Fall. Daarnaast komen vaak archiefbeelden van hem terug in films over Tibet. Voorbeelden hiervan zijn onder meer Tibet's Stolen Child, Refuge en Ce qu'il reste de nous.

Bibliografie[bewerken | brontekst bewerken]

Veel boeken beschrijven de dalai lama en daarnaast heeft hij zelf ook een aantal boeken geschreven en was hij co-auteur van veel andere. Deze bibliografie is beperkt tot de boeken die hij zelf (mede) heeft geschreven. Onder meer De kunst van het geluk, Meditatieoefeningen voor een zinvoller leven, Open je hart en Vrijheid in ballingschap zijn meermaals herdrukt.

In 1990 schreef hij zijn autobiografie Vrijheid in ballingschap. Al eerder, in 1962, schreef hij ook een autobiografie, "Mijn volk en mijn leven". De volgende lijst is een weergave van zijn boeken in het Nederlands sinds 1986:

Boeken in coauteurschap
  • Gyatso, Tenzin, Jr., Donald S. Lopez (1995) De weg naar vrijheid, ISBN 90-632-5484-9
  • Gyatso, Tenzin, Thupten Jinpa (1996) De wereld van het Tibetaanse boeddhisme, ISBN 90-550-1222-X
  • Gyatso, Tenzin, Aleid Swierenga (1996) Verlichting van hart en geest, ISBN 978-90-6325-503-9
  • Gyatso, Tenzin, Jr., Donald S. Lopez (1997) Leven in vrede, sterven in vrede, ISBN 978-90-6325-526-8
  • Gyatso, Tenzin, Howard Cutler (1999) De kunst van het geluk, ISBN 90-550-1605-5
  • Gyatso, Tenzin, Lies van Velsen (1999) De vier edele waarheden, ISBN 90-389-0774-5
  • Gyatso, Tenzin, Koosje van der Kolk (1999) De kracht van geduld, ISBN 90-718-8613-1
  • Gyatso, Tenzin, Thom Hoffman, Rob Hogendoorn (2000) De kracht van vriendelijkheid, ISBN 90-567-0040-5
  • Gyatso, Tenzin, Renuka Singh, Jaap Westerbos (2000) De weg tot rust, ISBN 90-550-1800-7
  • Gyatso, Tenzin, Lies van Velsen, Dominique Side (2000) Wijsheid en mededogen, ISBN 90-389-1097-5
  • Gyatso, Tenzin, José Ignacio Babezón, Marian de Heus (2000) Leegte en helderheid, ISBN 90-748-1535-9
  • Gyatso, Tenzin, Daniel Goleman, Gert-Jan Kramer (2001) Op zoek naar evenwicht, ISBN 90-550-1839-2
  • Gyatso, Tenzin, Paul Jeffrey Hopkins, Vivian Franken (2001) De Dalai Lama over de zin van het leven, ISBN 90-215-9887-6
  • Gyatso, Tenzin, Renuka Singh, rinpoche, Lama Zopa (2002) De veranderde geest, ISBN 90-550-1893-7
  • Gyatso, Tenzin, Thupten Jinpa, Patrick Gaffney (2002) Dzogchen, ISBN 90-567-0067-7
  • Gyatso, Tenzin, Lies van Velsen, Kamalasila (2002) De fasen van meditatie, ISBN 90-389-1217-X
  • Gyatso, Tenzin, Nicholas Vreeland, Rob Pijpers (2002) Open je hart, ISBN 90-550-1962-3

Zie ook[bewerken | brontekst bewerken]

Externe link[bewerken | brontekst bewerken]