Tove Ditlevsen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Tove Ditlevsen
Tove Ditlevsen
"Mijn enige troost in dit bestaan is een handvol gedichten"
Algemene informatie
Volledige naam Tove Irma Margit Ditlevsen
Geboren 14 december 1917[1]
Geboorteplaats Kopenhagen
Overleden 7 maart 1976
Overlijdensplaats Kopenhagen
Land Denemarken
Beroep schrijfster, dichteres
Werk
Jaren actief 1937-1976
Genre roman, verhaal, gedicht, autobiografie
Bekende werken Barndommens gade (1943)
Blinkende lygter (1947)
Barndom (Kindertijd) (1967)
Ungdom (Jeugd) (1967)
Gift (Afhankelijkheid) (1971)
Uitgeverij o.a. Gyldendal
Portaal  Portaalicoon   Literatuur

Tove Irma Margit Ditlevsen (Kopenhagen, 14 december 1917[1] - aldaar, 7 maart 1976) was een Deense schrijfster en dichteres. Van haar literaire proza verschenen in 2020 voor het eerst vertalingen in het Nederlands, van de autobiografische Kopenhagen-trilogie uit 1967-1971: Kindertijd, Jeugd en Afhankelijkheid.[2]

Levensloop[bewerken | brontekst bewerken]

Kindertijd

Ze groeide op in de toen verpauperde Kopenhaagse wijk Vesterbro, op de vierde verdieping van een achterhuis aan de Hedebygade, die model kwam te staan voor Barndommes gade (Straat van de kindertijd).[3] Het was een wijk met hoge werkloosheid en armoede, getekend door de wereldwijde economische crisis van de jaren 1930. In Vesterbro is een plein naar haar genoemd: Tove Ditlevsens Plads.

Haar ouders waren Kirstine Alfrida Mundus (1890-1965) en Ditlev Nielsen Ditlevsen (1880-1972). Haar vader werd als fabrieksarbeider ontslagen toen ze zeven jaar oud was, waarna het gezin tot armoede verviel. Traumatische jeugdervaringen vormen een belangrijk thema in haar werk. "De kindertijd is zo lang en smal als een kist, en je kunt er niet in je eentje aan ontsnappen", zei ze. Haar gefrustreerde ouders, die elkaar de schuld gaven van de mislukking van hun ambities, vonden het belangrijker dat ze geld inbracht dan dat ze een goede opleiding kreeg. Vanaf haar twaalfde jaar schreef ze gedichten, waarmee ze zich een vrijplaats schiep om zich af te sluiten voor de grillen van haar dominante moeder. Als schrijfster bleef ze trouw aan haar achtergrond en kwam ze op voor de zwakkeren. Persoonlijk hunkerde ze naar erkenning en een steeds hogere positie op de maatschappelijke ladder. Haar leven werd door faalangst beheerst.

Huwelijksleven

Ditlevsens huwelijksleven was ongelukkig. Ze was van 1940 tot 1942 getrouwd met de ruim 30 jaar oudere schrijver en tijdschriftredacteur Viggo F. Møller, van 1942 tot 1945 met de economiestudent Ebbe Munk en van 1945 tot 1950 met de arts Carl T. Ryberg. Ze had in de jaren veertig ook enige tijd een verhouding met de wetenschapper, kunstenaar en puntdichter Piet Hein.

Haar vierde en langdurigste echtgenoot was van 1951 tot 1973 Victor Andreasen (1920-2000), een zeer scherpzinnige en dominante persoonlijkheid die even complex was als zijzelf. "Er was iets raadselachtigs in zijn karakter dat me steeds aantrok", schreef ze. Zij was zijn tweede echtgenote. Hij was topambtenaar bij Udenrigsministeriet (Buitenlandse Zaken) en werkte voor onder anderen de bekende politicus Jens Otto Krag, maar stapte in 1958 over naar de journalistiek. Hij werd in 1963 hoofdredacteur van het dagblad Ekstra Bladet, dat hij van de ondergang redde door er een sensatiekrant van te maken die campagne voerde tegen misstanden in de samenleving. Zo verklaarde hij de oorlog aan de "bolighajer" (huisjesmelkers).[4] Anders dan Tove Ditlevsen is hij (net als Piet Hein) opgenomen in de top-100 van belangrijkste 20e-eeuwers in Denemarken.[5]

Ze kreeg een dochter en twee zonen, alle drie van een andere vader, en adopteerde de dochter van een van die vaders, zodat ze vier kinderen moest grootbrengen: Helle Munk (1943-2008), Trine Ryberg (geadopteerd in 1946), Michael Ryberg (1946-1999) en Peter Andreasen (1954). Daarom werd ze door een deel van de literatuurkritiek als een "schrijvende huismoeder" afgedaan. Haar reactie daarop was het autobiografische Flugten fra opvasken (De vlucht uit de afwas) in 1959.

Tove Ditlevsen en Victor Andreasen hadden een grote flatwoning aan H.C. Andersens Boulevard in het centrum van Kopenhagen
Verslaving en depressies

Sinds haar derde echtgenoot Ryberg, een arts van twijfelachtige reputatie, haar opiumhoudende pijnstillers (pethidine) had toegediend, kampte ze met ernstige verslavingen aan alcohol en verdovende middelen. Ondanks pogingen van haar vierde echtgenoot Andreasen, die nachtenlang opbleef om bij haar te waken, kwam ze daar nooit meer vanaf. Om rust te vinden woonden ze enige tijd in Birkerød, maar dat hielp niet blijvend en ze keerden terug naar de hoofdstad.

Haar depressies werden het thema van een van haar bekendste romans Ansigterne (Gezichten). Diverse malen verbleef ze in een psychiatrische kliniek. De periode in het Sankt Hans Hospital in Roskilde, waar ze in 1967 haar autobiografische boeken Barndom (Kindertijd) en Ungdom (Jeugd) schreef, noemde ze "de gelukkigste tijd van mijn leven tot nu toe".

Echtelijke ruzies

Ze scheidde in 1973 van Victor Andreasen, "het domme varken" zoals ze hem noemde.[6] Ze waren toen al twee jaar uit elkaar. Het samenleven met degene die haar het meest ondersteunde en tegelijk het meest onderuithaalde, was onmogelijk geworden. Hun huwelijkse conflicten bleven niet binnenshuis: ze scholden elkaar uit in het bijzijn van iedereen. Andreasen voerde in zijn krant Ekstra Bladet campagne tegen subsidies aan kunstenaars en werd daarbij in het openbaar heftig bestreden door zijn echtgenote, die zich persoonlijk aangevallen voelde. Zelf noemde ze de portretten van mannen zoals ze die in haar boeken weergaf "een pure orgie van Victors onaangenaamste eigenschappen. Op die manier kon ik lucht geven aan mijn wrok, maar hij was gewoon trots en gevleid om te lezen wat een interessant persoon hij was". In de figuur Vilhelm in haar laatste roman Vilhelms værelse (1975) schetste ze zo'n kwaadaardig portret van hem dat hij overspannen raakte en niet kon werken. In haar sterfjaar 1976 nam Andreasen ontslag als hoofdredacteur van Ekstra Bladet.[4]

Einde

In 1974 had ze al een eerste zelfmoordpoging gedaan. Ze schreef toen over "het oneindige geluk om nooit meer een mens ter wereld te hoeven zien". Het werd haar kwalijk genomen dat ze als publieke figuur "reclame" maakte voor zelfdoding. In 1976 maakte zij definitief een eind aan haar leven met een overdosis slaappillen. De rouwdienst in Kristkirken in Vesterbro trok bijna 1000 belangstellenden.[7] Tove Ditlevsen ligt begraven op de Vestre Kirkegård,[8] waar ze als kind vaak speelde. Ze deelt het graf sinds 1999 met haar zoon Michael Ryberg.

Werk[bewerken | brontekst bewerken]

Tijdens haar leven was ze een veelgelezen en invloedrijk auteur. Ditlevsen publiceerde 29 boeken, waaronder romans, korte verhalen, essays, poëzie, kinderboeken en autobiografische herinneringen.

In 1937 debuteerde ze op 20-jarige leeftijd in het literaire tijdschrift Vild hvede met het gedicht Til mit døde barn (Aan mijn dode kind). In 1939 volgde haar eerste dichtbundel Pigesind (Meisjesgeest) en in 1941 haar romandebuut Man gjorde et barn fortræd (Men deed een kind kwaad). Tot haar bekendste werken behoren, naast de roman Barndommes gade uit 1943, de drie delen van haar autobiografie: Barndom (1967), Ungdom (1967) en Gift (1971), samen de København Trilogi genoemd.[9] Ze schreef meer autobiografische boeken, met als laatste Tove Ditlevsen om sig selv (TD over zichzelf), een jaar voor haar dood.

Thematiek

Ook haar fictie (romans en verhalen) bevat tal van autobiografische elementen, want voor Ditlevsen zijn leven en werk één geheel. De thematiek van haar werk vertoont door de jaren heen een consequente lijn. Ze vertelt zonder bloemrijke opsmuk het verhaal van de harde kindertijd. Eenmaal volwassen geworden wordt het "gewonde" of "verbrande" kind geconfronteerd met het genadeloze en vreugdeloze leven, dat doordrongen is van een onoverkomelijke pijn. Tove Ditlevsen vertelt nuchter maar vaak met sarcastische ondertoon over de omstandigheden, gebeurtenissen en mensen die deze pijn veroorzaken of in stand houden. Net als zijzelf ondergaan haar personages depressies, psychoses, verslavingen, ziektes, zwangerschapsonderbrekingen, kortstondig geluk en langdurige gevoelens van onrust en onlust. Een dieper liggende oorzaak is "de trillende en onzekere relatie" die ze als kind had met haar moeder, en een andere is de ontworteling die voortkomt uit het sociaal uiteenvallen van Vesterbro, de buurt waar ze geboren werd en zich thuis voelde. Alleen de liefde kan tijdelijk het gevoel van ontworteling en ontheemding goedmaken, maar die gaat voorbij en daardoor blijft de pijn.

Poëzie

Haar gedichten worden nog steeds zeer gewaardeerd om de trefzekere, observerende taal waarin herkenbare emoties van onvervuld verlangen tot uiting komen, maar werden in de vroege jaren vijftig, toen vormen van experimentele poëzie in opmars waren, als traditioneel en ouderwets beschouwd. De negatieve kritieken stortten haar, niet voor het eerst of laatst, in een psychische crisis. Ze voelde zich in de eerste plaats dichter en beschouwde haar proza als ondergeschikt aan haar poëzie.

Brievenrubriek

Ditlevsen had van 1956 tot aan haar dood een brievenrubriek Små hverdags problemer (Kleine problemen van alledag) in het populaire weekblad Familie Journalen, als opvolgster van de schrijfster Edith Rode die de rubriek sinds 1937 had bestierd. Ditlevsens uitwisselingen met de lezers, die vele gebieden bestrijken, zijn gebundeld in een boek van meer dan 900 pagina's.[10] Ze geven een gevarieerd beeld van niet alleen haar eigen (soms tijdgebonden) normen en waarden, maar ook van de levenswijze en de sociale verhoudingen bij de Denen in de jaren vijftig, zestig en zeventig. Ze kwam op voor de rechten van zich emanciperende vrouwen in de nog traditionele samenleving.

Erkenning[bewerken | brontekst bewerken]

Ondanks de sombere en grauwe thematiek in het werk van Tove Ditlevsen spreekt ze veel lezers aan door de groteske en humoristische toon. Daardoor zijn haar boeken na haar dood in Denemarken populair gebleven. Ook buiten haar eigen land groeit de belangstelling. De boeken van haar Kopenhagen-trilogie zijn in 2020 in het Nederlands vertaald[2] en werden in de pers begroet als belangrijke uitgaven van een te lang veronachtzaamde auteur.[11][12]

Hoewel Ditlevsen vaak als een "buitenbeentje" en "literaire outsider" is omschreven, ontbrak het haar niet aan erkenning. Ze trok een groot lezerspubliek en ook werd haar werk tijdens haar leven bekroond met meer dan 20 literaire prijzen en prestigieuze stipendia, zoals Carl Møllers Legat (1942), Emma Bærentzens Legat (1942), het Drachmannlegat (1945), het Tagea Brandt Rejselegat (1953), de Emil Aarestrup Medalje (1954), De Gyldne Laurbær (1955, de prijs van de Deense boekhandel voor de dichtbundel Kvindesind), Kulturministeriets Børnebogspris voor het jeugdboek Annelise – tretten år (1959) en de Søren Gyldendal Pris (1971).

Voor de grootste Deense literaire prijs, Det Danske Akademis Store Pris, werd ze in 1974 gepasseerd. Sommigen verklaarden dit vanuit de moeite die officiële instanties hadden met haar nietsontziende stijl en toon, anderen gaven haar invloedrijke ex-echtgenoot Andreasen de schuld.

Postuum

In 1999 kozen de lezers van Politiken haar roman Barndommes gade als nummer 21 in de lijst van 'Deense boeken van de eeuw'.[13] In 2014 werden haar jeugdboeken opgenomen in de literaire canon voor het basisonderwijs in Denemarken, maar tot veler verbazing werd Tove Ditlevsen door het ministerie van onderwijs weggelaten uit de canon voor de 'grote' literatuur.

Ter gelegenheid van het 250-jarig bestaan van uitgeverij Gyldendal werd in 2020 Gyldendals Jubilæumskollektion samengesteld, met de tien beste boeken van de uitgeverij die door 40.000 lezers waren uitverkoren. Tot die tien titels behoorde Barndommes gade van Tove Ditlevsen.[14]

Oeuvrelijst[bewerken | brontekst bewerken]

In Nederlandse vertaling[bewerken | brontekst bewerken]

  • Toen Annelies dertien was (Annelise - tretten år, vertaald door Ton Stam). Hoorn, Westfriesland, 1970. ISBN 90-205-0487-8
  • Kindertijd (Barndom, vertaald door Lammie Post-Oostenbrink). Kopenhagen-trilogie, 1e deel. Amsterdam, Das Mag, 2020. ISBN 978-94-9316836-7
  • Jeugd (Ungdom, vertaald door Lammie Post-Oostenbrink). Kopenhagen-trilogie, 2e deel. Amsterdam, Das Mag, 2020. ISBN 978-94-9316848-0
  • Afhankelijkheid (Gift,[15] vertaald door Lammie Post-Oostenbrink). Kopenhagen-trilogie, 3e deel. Amsterdam, Das Mag, 2020. ISBN 978-94-9316862-6

Deens[bewerken | brontekst bewerken]

Poëzie
  • Pigesind (Meisjesgeest), 1939
  • Slangen i Paradiset (De slang in het paradijs), 1939
  • De evige tre (De eeuwige drie) , 1942
  • Lille Verden (De kleine wereld), 1942
  • Blinkende Lygter (Flitsende lichten), 1947
  • Jalousi (Jaloezie), 1955
  • Der bor en pige (Daar woont een meisje), 1955
  • Kvindesind (Vrouwengeest), 1955
  • Den hemmelige rude (Het geheime raam), 1961
  • De voksne (De volwassenen), 1969
  • Det runde værelse (De ronde kamer), 1973
  • Til en lille pige (Voor een klein meisje), postuum 1978
Romans
  • Man gjorde et barn fortræd (Men deed een kind kwaad), 1941
  • Barndommens gade (Straat van de kindertijd), 1943
  • For Barnets Skyld (Om wille van het kind), 1946
  • Vi har kun hinanden (Wij hebben alleen elkaar), 1954[16]
  • To som elsker hinanden (Twee die van elkaar houden), 1960
  • Ansigterne (Gezichten), 1968
  • Vilhelms værelse (Kamer van Vilhelm), 1975
Verhalen
  • Den fulde Frihed (De volle vrijheid), 1944
  • Det første møde (De eerste ontmoeting), 1944
  • Dommeren (De rechter), 1948
  • Tårer (Tranen), 1948
  • En flink dreng (Een aardige jongen), 1952
  • Paraplyen (De paraplu), 1952
  • Nattens dronning (Koningin van de nacht), 1952
  • Den onde lykke (Het kwade geluk), 1963
  • Dolken (De dolk), 1963
Jeugdboeken
  • Annelise - 13 år (Toen Annelies dertien was), 1958[17]
  • Hvad nu Annelise? (Wat nu Annelies?), 1960
  • Vejen til Mumidalen (De weg naar het Mummie-dal), postuum 2019
Autobiografie
  • Flugten fra opvasken (De vlucht uit de afwas), 1959
  • Barndom (Kindertijd), 1967[2][18]
  • Ungdom (Jeugd), 1967[2][19]
  • Det tidlige forår (Het vroege voorjaar), 1969
  • Gift (Afhankelijkheid[15]), 1971.[2][20]
  • Min første kærlighed (Mijn eerste liefde), 1973
  • Tove Ditlevsen om sig selv (Tove Ditlevsen over zichzelf), 1975
Essayistiek
  • Parenteser (Haakjes), 1973
  • Min nekrolog og andre skumle tanker (Mijn doodsbericht en andere enge gedachten), 1973
  • En sibylles bekendelser (Bekentenissen van een sibille), 1976
Postuum uitgegeven correspondentie
  • Husmor og skribøse: En brevveksling med Tove Ditlevsen (Huismoeder en schrijfster: een briefwisseling met Tove Ditlevsen), 1986. Van en aan de schrijfster Ester Nagel.
  • Kære Victor - Breve fra Tove Ditlevsen til Victor Andreasen 1972-76, 1993
  • Kærlig hilsen, Tove - Breve til en forlægger (1969-1975) (Hartelijke groeten, Tove - Brieven aan een uitgever), 2019. De uitgever was Mogens Knudsen, literair redacteur bij Gyldendal.
Speelfilmscenario

Geïnspireerd door Tove Ditlevsen[bewerken | brontekst bewerken]

  • De Zweedse componist Hugo Alfvén gebruikte in 1946 haar gedicht Saa tag mit Hjerte i dine Hænder voor een van zijn bekendste liederen Saa tag mit Hjerte.
  • Diverse songschrijvers en zangers, onder wie Mathilde Bondo & Lasse Helner (1975), Kari Bremnes (1987) en Anne Linnet (1988), maakten albums met muziek op teksten van Tove Ditlevsen.
  • De Deense componiste Gudrun Lund toonzette in de jaren 1976-1981 veertien gedichten van Tove Ditlevsen, waaronder Skisma voor sopraan en symfonieorkest.
  • In 1986 werd Barndommens gade verfilmd door Astrid Henning-Jensen, met de internationale titel Early Spring en met Sofie Gråbøl in de hoofdrol.[21] Het script was van de hand van Erik Thygesen (1941-1999), die getrouwd was met Tove Ditlevsens oudste dochter Helle Munk. Dezelfde regisseur Henning-Jensen had in 1966 de speelfilm Utro (Ontrouw) gemaakt, met Tove Ditlevsen als co-auteur van het script.
  • Susse Wold speelde in 1987 de hoofdrol van 'Lise Mundus' (Tove Ditlevsen) in de televisiefilm Ansigterne van Carsten Brandt, naar Ditlevsens autobiografische roman uit 1968.
  • Lotte Horne speelde in 1988 de aan Tove Ditlevsen gewijde theatermonoloog TD – 13 ansigter van schoonzoon Erik Thygesen in Betty Nansen Teatret in Frederiksberg.[22]
  • De speelfilm Blinkende lygter (internationaal bekend als Flickering lights) van Anders Thomas Jensen uit 2000 ontleent zijn titel en een belangrijk verhaalmotief aan een dichtregel van Ditlevsen, afkomstig uit haar bundel met diezelfde titel uit 1947.[23]
  • In 2015 maakte het theatercollectief Sort Samvittighed de voorstelling Tove! Tove! Tove! over haar leven en werk. De opnamen werden uitgebracht als cd-album.[24]
Paprika Steen en Lars Brygmann in de theatervoorstelling Toves værelse (2015)
  • In 2016 en 2019 werd in Folketeatret in Kopenhagen het toneelstuk Toves værelse - Tove Ditlevsens sidste kærlighed (De kamer van Tove - Tove Ditlevsens laatste liefde) van Jakob Weis[25] opgevoerd met in de hoofdrollen Paprika Steen en Lars Brygmann. Het is gebaseerd op het huwelijk met haar vierde echtgenoot Victor Andreasen, die het mikpunt was in haar laatste roman Vilhelms værelse.[26]
  • In 2020 verscheen de biografische documentaire Tove i stykker (Tove in stukken, Engelse vertaling A writer named Tove), geschreven en geregisseerd door Sami Saif.[27]

Over Tove Ditlevsen[bewerken | brontekst bewerken]

  • Jens Andersen: Til døden os skiller. Et portræt af Tove Ditlevsen. Gyldendal, Kopenhagen, 1997. ISBN 978-87-00-31094-0
  • Karen Syberg: Tove Ditlevsen. Myte og liv. People's Press, Kopenhagen, 2008. ISBN 978-87-7055-226-4
  • Line Jensen: Tove - En lille digter. Grønningen 1, Kopenhagen, 2020 (geïllustreerd kinderboek over het leven van Tove Ditlevsen als kind). ISBN 978-87-7339008-5

Externe links[bewerken | brontekst bewerken]