Ziekte van Huntington

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Esculaap     Neem het voorbehoud bij medische informatie in acht.
Raadpleeg bij gezondheidsklachten een arts.
Ziekte van Huntington
ICD-10 G10
ICD-9 333.4
OMIM 143100
Portaal  Portaalicoon   Geneeskunde

De ziekte van Huntington of Huntingtons chorea (niet te verwarren met de ziekte van Hutchinson) is een ongeneeslijke erfelijke aandoening die bepaalde delen van de hersenen aantast. De eerste symptomen openbaren zich meestal tussen het 35e en 45e levensjaar, maar kunnen ook eerder of later in het leven optreden. Zij uit zich onder andere in onwillekeurige (choreatische) bewegingen die langzaam verergeren, verstandelijke achteruitgang en een verscheidenheid van psychische symptomen. De ziekte leidt gemiddeld na een achttiental jaren tot de dood van de patiënt(e), meestal door bijkomende oorzaken zoals longontsteking.

De jeugdvorm (juveniele vorm) begint doorgaans in de tienerjaren.

De ziekte van Huntington werd in 1872 door de Amerikaanse arts George Huntington uitvoerig beschreven.

Erfelijke aspecten[bewerken]

De ziekte van Huntington wordt veroorzaakt door een afwijkend gen op het 4e chromosoom, namelijk een abnormaal lange trinucleotide herhaling (CAG) op 4p16.3. Aangezien niet bij iedereen die herhaling even vaak voorkomt, bestaan er verschillende gradaties in de symptomen van de ziekte. Indien een van de ouders het afwijkende (huntington-)gen heeft, dan heeft elke zoon of dochter 50% kans de ziekte te erven. Bij diegenen die het huntington-gen hebben geërfd, zal de ziekte zich openbaren als zij lang genoeg leven. Als de nakomelingen van een huntingtonouder het afwijkende gen niet geërfd hebben, dan kunnen zij de ziekte niet krijgen en de ziekte zal in volgende generaties ook niet meer terugkomen. Zij slaat dus geen generatie over. Wanneer een ouder nog voor de beginsymptomen van de ziekte door bijvoorbeeld een ongeval overlijdt, en bij een nakomeling later de ziekte zich openbaart, ontstaat ten onrechte de indruk dat zij een generatie heeft overgeslagen. Omdat de aandoening zich vaak pas op latere leeftijd openbaart, kan al een gezin gesticht zijn voordat de ouder ziek wordt. Het gen kan dan al doorgegeven zijn aan één of meerdere kinderen. Naarmate een risicodrager - een zoon of dochter van een patiënt(e) - ouder wordt zonder symptomen van de ziekte, wordt de kans groter dat hij/zij het huntington-gen niet geërfd heeft en derhalve gevrijwaard blijft van deze ernstige aandoening.

Er zijn homozygoten voor de ZvH mutatie beschreven. Dit kan voorkomen wanneer de beide ouders drager zijn. Fenotypisch vallen homozygoten niet te onderscheiden van heterozygoten.[1]

Diagnose[bewerken]

In het verleden bestond er geen methode om de ziekte met zekerheid vast te stellen. De diagnose 'ziekte van Huntington' werd gesteld op basis van de klinische symptomen en de familiegeschiedenis nadat andere mogelijke aandoeningen uitgesloten werden. In maart 1993 werd melding gemaakt van de vondst van het huntington-gen. Hierdoor is het mogelijk om met behulp van DNA-onderzoek de diagnose met zekerheid te stellen door de abnormaal lange trinucleotide herhaling (CAG) op chromosoom 4 (4p16.3) exact te bepalen. Deze test kan ook voorspellend gebruikt worden. Voor de test is alleen een bloedmonster van de patient nodig. Voor 1993 was er reeds een predicatieve DNA-test in gebruik die minder nauwkeurig was en ook het testen van familieleden vereiste. In geval van prenataal onderzoek van een ongeboren vrucht worden 'chorion-vlokken' afgenomen uit de baarmoeder (vlokkentest). Dat het vaststellen van het huntington-gen bij een (nog) gezonde risicodrager ernstige consequenties kan hebben, zal duidelijk zijn.

Een bijkomend dilemma is de aard van erfelijkheid: het huntington-gen is dominant erfelijk. Draagt men het, dan kan men er zeker van zijn dat men de ziekte ooit krijgt. Wanneer zich nu een kleinkind van een overleden huntingtonpatiënt op het gen wil laten testen, terwijl het kind van dezelfde patiënt, de ouder van het kleinkind in kwestie, liever afwacht wat er gebeurt, en de test valt positief uit, dan is de ouder er eveneens zeker van ooit de ziekte van Huntington te krijgen, tenzij de andere ouder van het kleinkind de ziekte draagt.

Algemeen voorkomen[bewerken]

Het voorkomen kan internationaal sterk variëren. Bepaalde geïsoleerde populaties (bv Mauritius: 46 per 100 000) kunnen een zeer hoge prevalentie kennen terwijl in landen als Finland en Japan de ziekte slechts optreedt bij minder dan 0.001% van de bevolking. In de meeste Europese landen komt de ziekte voor bij 1,63 tot 9,95 per 100.000 personen.

De gemiddelde leeftijd van overlijden ligt tussen de 51 en 57 jaar maar uitzonderingen komen voor. De duur van de ziekte kan ook sterk variëren maar kent een gemiddelde van circa 19 jaar. De meeste patiënten overleven 10 tot 25 jaar na het optreden van de eerste symptomen. De meest voorkomende doodsoorzaken zijn longontsteking en cardiovasculaire aandoeningen.

De juveniele vorm van de ziekte van Huntington (< 20 jaar) komt voor bij 5 tot 10% van gevallen. Bij juveniele ZvH wordt de ziekte meestal overgeërfd van de vader, bij de adulte vorm wordt de ziekte vaker overgeërfd van de moeder. Dit fenomeen wordt anticipatie genoemd en is te wijten aan de grotere instabiliteit van het Huntington allel tijdens de spermatogenese. Het aantal van CAG-repeats is omgekeerd gecorreleerd met startleeftijd van de ZvH. Dit maakt de lengte van de CAG-repeat de belangrijkste factor in het proberen inschatten wanneer de ziekte bij iemand zal optreden. Dit is geen exacte wiskunde, andere genetische en ook omgevingsfactoren beïnvloeden de leeftijd waarop de ziekte zal beginnen. De leeftijd waarop de ziekte start, kan ook sterk variëren: van 2 jaar tot 80 jaar. De meeste studies tonen een gemiddelde aan van 35-44 jaar terwijl jonger dan 10 jaar en ouder dan 70 jaar zeer zeldzaam is.

Behandeling[bewerken]

Het is op dit moment niet mogelijk om de ziekte te genezen of zelfs het verloop af te remmen. In de eerste fase worden slechts algemene non-farmacologische maatregelen aanbevolen. Wanneer de onwillekeurige bewegingen (chorea) ernstiger worden en ze het normaal functioneren belemmeren, kan een behandeling met benzodiazepines, neuroleptica of tetrabenazine aangewezen zijn.

Patiënten waarbij bradykinesie en stijfheid de voornaamste klachten zijn, kunnen mogelijk voordeel halen uit een behandeling met levodopa of dopamine-agonisten.

Het vroegtijdig ontdekken en behandelen van depressies bij patiënten met ZvH is een belangrijk aandachtspunt in de behandeling. SSRI's worden als eerste keuze beschouwd.

Bij patiënten die last hebben van hallucinaties of schizofreniforme symptomen kunnen antipsychotica noodzakelijk zijn. Aandacht voor mogelijke extrapyramidale bijwerkingen en tardatieve syndromen is noodzakelijk dus nieuwere antipsychhotica als clozapine, risperidone of quetiapine hebben de voorkeur.

Reserpine en tertabenazine zijn recente geneesmiddelen die een positief effect vertoonden in de behandeling van de chorea in fase 3 klinische studies.

Nog vele andere geneesmiddelen kunnen aangewend worden of zelfs noodzakelijk zijn in de behandeling van deze ziekte. Zoals steeds moeten de mogelijke voordelen afgewogen worden tegen de bijwerkingen en risico's.

In Nederland zijn drie categorale verpleeghuizen voor huntingtonpatiënten, namelijk Overduin in Katwijk (70 plaatsen), Heemhof in Apeldoorn (30 plaatsen) en de Kloosterhoeve in Raamsdonksveer (50 plaatsen).

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties