Albert van Leuven

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Albert van Leuven
1165-1192
Prins-bisschop van Luik
Periode 1192-1192
Voorganger Rudolf van Zähringen
Opvolger Lotharius van Hochstaden
Vader Godfried III van Leuven
Moeder Margaretha van Limburg
Albert van Leuven
Heilige van de Rooms-katholieke Kerk
Geboren ca. 1165 te Leuven
Gestorven 24 november 1192 te Reims
Verering Rooms-katholieke Kerk
Heiligverklaring 9 augustus 1613 door paus Paulus V
Schrijn Kathedraal van Luik
Naamdag 21/24 november
Attributen zwaard en bisschopsstaf
Beschermheilige voor Belgische monarchie
Lijst van christelijke heiligen
Portaal  Portaalicoon   Christendom

Albert van Leuven (Leuven, ca. 1166Reims, 24 november 1192), ook wel Albert I van Luik of van Brabant genoemd, is een rooms-katholiek heilige en was scholasticus, kardinaal en prins-bisschop van Luik van 22 september 1191 tot zijn dood.

Jeugd[bewerken]

Albert was de tweede zoon van graaf Godfried III van Leuven en Margaretha van Limburg, dochter van de hertog van Limburg, en jongere broer van Hendrik, die later de eerste hertog van Brabant werd. Als jongste zoon kwam hij niet in aanmerking als erfopvolger van zijn vader en was hij dus voorbestemd voor een kerkelijke carrière. Hij wijdde zijn leven aan de Kerk en aan studeren. Hij studeerde aan een school verbonden met de kathedraal van Luik.

Op twaalfjarige leeftijd, rond 1178, werd hij benoemd tot kanunnik aan de Sint-Lambertuskathedraal te Luik. Albert wilde echter, tegen de wens van zijn ouders in, ridder worden nadat het nieuws dat Jeruzalem gevallen was Luik bereikte. Hij deed afstand van zijn kerkelijke functie op 21-jarige leeftijd om zich als ridder ten dienste te stellen van graaf Boudewijn V van Henegouwen. Hij werd tot ridder geslagen door deze graaf van Henegouwen te Valencijn in 1187.

Toen hij door zijn bisschop werd verplicht deel te nemen aan de Derde Kruistocht verzaakt hij aan zijn plichten als ridder. Hierna hernam hij zijn positie als kanunnik op aanraden van kardinaal Hendrik de Marsiac, pauselijk preker van de kruistocht, en werd benoemd tot aartsdiaken van Brabant in het prins-bisdom Luik. Later werd hij ook nog proost van de collegiale kerken van Sint-Pieter en Sint-Jan te Luik. Hij ontving het subdiaconaat in 1191.

Prins-bisschop van Luik[bewerken]

Op 5 augustus 1191 sterft Rudolf van Zähringen, prins-bisschop van Luik. Hij werd met de steun van zijn broer, Hendrik I van Brabant, tot prins-bisschop van Luik gekozen door het kathedraalkapittel op 8 september 1191. Hij was toen 25 jaar oud terwijl het canoniek recht een leeftijd van ten minste dertig jaar voorschreef voor bisschoppen. Maar de Kerk en het Luikse volk verkozen toch Albert tot prins-bisschop. Het zeggenschap over het bisdom werd echter reeds lang betwist door het hertogdom Brabant enerzijds en het graafschap Henegouwen anderzijds. Er waren dan ook twee kandidaten voor de vacante bisschopszetel. Albert, namens het hertogdom Brabant, en Albert van Rethel, aartsdiaken van Henegouwen, namens het graafschap Henegouwen. Graaf Boudewijn overhaalde enkele kanunniken om Albert van Rethels kandidatuur te steunen. Het geschil werd voor keizer Hendrik VI gebracht tijdens de Rijksdag van Worms op 13 januari 1192. De keizer richtte een commissie op bestaande uit tien bisschoppen en drie abten. Deze commissie besliste dat er een probleem was met de benoeming en dat het recht tot benoeming hierdoor aan de keizer toekwam. Tegen de politieke achtergrond van de Investituurstrijd werd Lotharius van Hochstaden, tevens kanunnik aan de Sint-Lambertuskathedraal en proost van Bonn, door de keizer benoemd tot prins-bisschop van Luik. De keizer zou een financiële regeling aan geboden hebben aan zowel Albert van Rethel als Albert van Leuven in ruil voor het laten vallen van hun aanspraak op de bisschopszetel. Beiden weigerden dit. Onder druk van de keizer stonden de kanunniken van de Sint-Lambertuskathedraal toe dat Lotharius bezit nam van de vacante zetel. Zijn episcopaat was echter illegitiem. Hij wordt daarom aangeduid als tegenbisschop.

Om bevestiging te krijgen van zijn verkiezing reisde hij naar Rome om de mening van paus Celestinus III te vragen. Hij vreesde echter een aanslag en vermomde zich daarom als stalknecht en wapendrager op weg naar Rome. Hij kwam aan op 5 april 1192. De paus verklaarde dat hij geldig verkozen was als prins-bisschop van Luik, benoemde hem in mei 1192 tot kardinaal[1], wijdde hem op 30 mei tot diaken en zond hem naar Reims om daar de bisschopswijding te ontvangen. De aartsbisschop van Keulen, metropoliet van het suffragane prins-bisdom Luik, weigerde dit te doen en steunde hiermee de keizer. In Reims ontving hij op 22 september 1192 achtereenvolgens de priesterwijding en de bisschopswijding van kardinaal Willem van Champagne, aartsbisschop van Reims.

Echter kon Albert nog steeds geen bezit nemen van zijn bisschopszetel uit vrees van een door de keizer bewerkstelligde moordpoging als hij zich in het openbare leven zou begeven. Lotharius weigerde zich bij de beslissing van de paus neer te leggen en poogde met behulp van de keizer zijn gezag met harde hand te doen gelden als tegenbisschop. Zo werden aanhangers van Albert vermoord en hun huizen vernield. Albert verbleef daarom in Reims en probeerde zijn bisdom vandaaruit te besturen. Zijn broer broer bood hem geen steun meer.

Moord[bewerken]

In Reims verbleef hij in het klooster van Saint-Remi alwaar hij een teruggetrokken leven leidde. Daar kwam hij tot inkeer. Men omschreef hem als wijs en mild. Mensen die in zijn aanwezigheid kwaad spraken over Lotharius legde hij het zwijgen op.

In het najaar van 1191, 1192 of 1202 - er bestaat enige onzekerheid over het jaartal - zond keizer Hendrik VI drie ridders naar Albert om hem te vermoorden. Albert werd hierover gewaarschuwd, maar sloeg die in de wind. De ridders hadden zich als pelgrims verkleed en bezochten Albert. Ze vertelden hem dat ze verbannen waren uit het prins-bisdom Luik om zijn vertrouwen te winnen. Hij stond toe dat ze met hem in het klooster verbleven. Op een dag in de maand november vergezelden ze hem op een wandeling vanuit het klooster richting Nogent-l'Ablesse. Op weg sloegen ze hem de schedel in en verminkten hem gruwelijk. Later bleek dat de keizer de moordenaars ontving in zijn paleis en ze beloonde voor hun daden.

Tijdgenoten vergeleken deze moord met die op aartsbisschop Thomas Becket van Kantelberg (Canterbury) in 1170. De paus reageerde op de moord door Lotharius te excommuniceren en de keizer te dwingen om boete te doen: hij moest onder andere twee kapellen laten bouwen.

Albert werd begraven in de kathedraal van Reims.

Heilige en verering[bewerken]

Aartshertog Albrecht met zijn patroonheilige, Albert van Leuven door Rubens (1640).

Op verzoek van aartshertog Albrecht, landvoogd van de Nederlanden, werd hij in 1613 door de paus heilig verklaard. Zijn stoffelijk overschot werd reeds in 1612 vanuit Reims naar het karmelietessenklooster in Brussel overgebracht. Delen hiervan werden daarna als relikwie weggeschonken, onder meer aan de Sint-Pieterskerk en de abdij van Keizersberg te Leuven. Sinds 1822 rust het merendeel van deze relieken uit Reims in de kathedraal van Luik. De katholieke kerk vereert hem als martelaar, gestorven voor de verdediging van haar rechten.

In 1919 werd in de kathedraal van Reims een archeologisch onderzoek uitgevoerd, waaruit bleek dat men in de 17e eeuw per vergissing het lichaam van Odalrik de Eerbiedwaardigde, aartsbisschop van Reims had overgebracht, terwijl dat van Albert nog steeds in zijn intact gebleven graf rustte.

De heilige Albert van Leuven geldt als patroonheilige van de Belgische monarchie. Zijn feestdag wordt in België op 24 november gevierd en wereldwijd op 21 november.

Voorouders[bewerken]

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
16. Hendrik II van Leuven
 
 
 
 
 
 
 
8. Godfried I van Leuven
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
17. Adela van Betuwe
 
 
 
 
 
 
 
4. Godfried II van Leuven
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
18. Otto II van Chiny
 
 
 
 
 
 
 
9. Ida van Chiny
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
19. Adelheid van Namen
 
 
 
 
 
 
 
2. Godfried III van Leuven
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
20. Gebhard II van Sulzbach
 
 
 
 
 
 
 
10. Berengarius II van Sulzbach
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
21. Irmingard van Roth
 
 
 
 
 
 
 
5. Lutgardis van Sulzbach
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
22. Otto II van Wolfratshausen
 
 
 
 
 
 
 
11. Adelheid van Wolfratshausen
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
23. Justitia van Regensburg
 
 
 
 
 
 
 
1. Albert van Leuven
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
24. Hendrik I van Limburg
 
 
 
 
 
 
 
12. Walram II van Limburg
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
25. Adelheid van Botenstein
 
 
 
 
 
 
 
6. Hendrik II van Limburg
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
26. Gerard I van Gelre
 
 
 
 
 
 
 
13. Jutta van Gelre
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
27. Clementia van Aquitanië
 
 
 
 
 
 
 
3. Margaretha van Limburg
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
28. Herman IV van Saffenburg
 
 
 
 
 
 
 
14. Adalbert van Saffenburg
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
29. Gepa van Werl
 
 
 
 
 
 
 
7. Mathilde van Saffenburg
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
30. Engelbert von Schwarzenburg
 
 
 
 
 
 
 
15. Margaretha van Schwarzenburg
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
31. Hedwig von Flinsbach
 
 
 
 
 
 


Voorganger:
Rudolf van Zähringen
Prins-bisschop van Luik
1191-1192
Opvolger:
Lotharius van Hochstaden
Bronnen, noten en/of referenties