Alexandre Gendebien

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Alexandre Gendebien

Alexandre Joseph Célestin Gendebien (Bergen, 4 mei 1789 - Brussel, 6 december 1869) was een advocaat in het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden en in het latere België, waar hij ook minister van Justitie was. Gendebien staat voor sommigen geboekstaafd in de Belgische geschiedenis als de "Vader des Vaderlands".

Levensloop[bewerken]

Gendebien was de zoon van de zoon van advocaat Jean-François Gendebien, die een fortuin had verdiend in de mijnbouw. Hij deed zijn middelbare studies in Doornik, studeerde rechten aan de Rijksuniversiteit Leuven, en werd advocaat aan de balie van Brussel. In die hoedanigheid verdedigde hij de politieke activisten Louis De Potter en François Claes voor het hof van assisen. Hij was een van de felste tegenstanders van koning Willem I. Alexandre Gendebien, zelfverklaarde democraat en republikein zag de Zuidelijke Nederlanden liefst een deel van Frankrijk worden.

In 1811 trouwde hij in Brussel met Sophie Barthélémy, dochter van Antoine Barthélémy, die hij later in het Nationaal Congres als collega zou hebben en die hem in 1831 als Minister van Justitie opvolgde.

Tot 1830 was het huidige grondgebied België (met Nederlands-Limburg en het huidige Groothertogdom Luxemburg zonder de Duitstalige Oostkantons alleen tijdens de enkele maanden van de 'Verenigde Belgische Staten' (1790) een zelfstandige natie geweest en was steeds onderdeel geweest van grotere gehelen. Dit was niet anders na 1815 door de oprichting van het 'Verenigd Koninkrijk der Nederlanden'. Tegen de politiek van koning Willem I groeide de oppositie. Het zogeheten monsterverbond van katholieken en liberalen eiste geen onafhankelijkheid maar meer burgerlijke vrijheden. De idee ontstond om het koninkrijk te federaliseren door een bestuurlijke scheiding groeide. Na een koninklijke weigering leek de afscheuring van België onvermijdelijk.

Zijn rol in de Belgische Revolutie van 1830[bewerken]

De Bergense advocaat Gendebien speelde een belangrijke rol bij de geheimgehouden voorbereiding van de Belgische Revolutie van 1830. Onder zijn leiding en samen met zijn Brusselse collega Sylvain Van de Weyer, ging er een zorgvuldige planning aan vooraf.

Vaderlandslievende jongelui kwamen in augustus 1830 in de Brusselse Muntschouwburg in de ban van een gloedvolle aria "L'amour sacré pour la patrie" uit de opera De Stomme van Portici. Daaruit ontstonden er door ingehuurde knokploegen veroorzaakte straatincidenten die het door Gendebien afgesproken signaal waren voor georganiseerd verzet tegen de Nederlandse gezagdragers. Koning Willem I trachtte de revolutie te breken door een klein fortuin in te zetten om de Belgische officieren, ambtenaren en politici om te kopen. Het staand Nederlandse leger kon de straatincidenten van 25 augustus echter niet doen luwen. Dan zette de Brusselse burgerij een eigen militie op, de latere Garde Civique. De revolutionairen infiltreerden echter in deze burgerwacht en kregen zo de gewapende macht in handen. De wachters herstelden de rust, haalden de koninklijke oranjevlaggen uit het straatbeeld en vervingen deze door het zwart-geel-rood, de kleuren van het vroegere Hertogdom Brabant.

Na de start van de revolutie, onder de bewuste regie van Gendebien en Van de Weyer, kwamen beiden daadwerkelijk in actie. In de nacht van 24 op 25 augustus kwam Gendebien vanuit Frankrijk met een groep medestanders naar Brussel en werd hij lid van het veiligheidscomité dat zich later op 26 september aandiende als het Voorlopig Bewind. Als uitvalsbasis gold de redactie van de liberale oppositiekrant Le Courrier des Pays-Bas met de vrijmetselaarsloge "L'Espérance", die toen (uiteraard) ook katholieken als leden telde. Om zo veel mogelijk notabelen aan hun kant te houden letten zij er wel op om de schijn van legaliteit op te houden.

Als lid van het "Voorlopig Bewind" ging Gendebien weer naar Frankrijk om steun te zoeken en voor te stellen dat koning Louis Philippe onder een vorm van personele unie ook koning van de Belgen zou worden. De Fransen zorgden direct voor een koude douche door te verklaren dat aansluiten bij Frankrijk niet aan de orde was. Immers de grootmachten, meer bepaald Groot-Brittannië zouden dit niet aanvaarden.

Bij de verkiezing van het Nationaal Congres werd Alexandre Gendebien vertegenwoordiger van Bergen (hij was ook in Brussel verkozen), terwijl zijn vader verkozen werd voor Soignies en zijn broer Jean-Baptiste Gendebien voor Charleroi. Hoewel principieel republikein, stemde hij toch voor de monarchie en ging mee de troon aanbieden aan de Franse prins Louis d'Orléans. Het werd opnieuw een weigering.

De organisatie van de nieuwe staat[bewerken]

Onder regent Surlet de Chokier werd Gendebien Minister van Justitie in de regering Etienne de Gerlache. Hij stichtte de Fransgezinde Association nationale om de orangisten te bestrijden, ook zij die de Belgische troon wilden aanbieden aan de Nederlandse kroonprins. Hij bleef immers voorstander van het 'rattachisme' of 'réunionisme'. Het verslag van de ministerraad van 19 maart 1831 onthult dat zijn eerste gedachte altijd uitgegaan is naar een aansluiting bij Frankrijk, dat hij nog steeds gelooft dat dat de enige manier is om een (Nederlandse) restauratie te vermijden, maar dat het thans zijn plicht is om mee te werken aan de onafhankelijkheid. Hij diende ook als vrijwilliger tijdens de Tiendaagse Veldtocht, toen de Belgische secessie door een Franse troepenmacht werd gered. Hij zorgde ervoor dat het jonge België vers geld los kreeg van Franse banken ten behoeve van een eigen ambtenarij en leger.

Naarmate de revolutie vorderde nam de politieke concurrentie echter toe. De Luikse advocaat Charles Rogier won aan politiek gewicht dankzij zijn militaire achterban. De adel en de vrijgevochten burgerij onderkenden geleidelijk de voordelen van het jonge onafhankelijke België, bevrijd van het Nederlandse juk, en zetten de revolutie naar hun hand. De gematigden en de centristen wonnen het pleit en de invloed van Gendebien deemsterde weg. Van 1831 tot 1839 bleef hij niettemin zetelen in de Kamer van Volksvertegenwoordigers.

In 1839 was zijn politieke rol uitgespeeld. De regering benoemde hem tot procureur-generaal bij het Hof van Cassatie, maar hij oefende die functie niet uit. Hij was wel nog volksvertegenwoordiger maar werd geen minister meer. Hij verzette zich fel tegen toegevingen aan Willem I, onder meer tegen het "teruggeven" van de oostelijke delen van Limburg en Luxemburg. Als het Belgische parlement in 1839 toch het verdrag van Londen ratificeerde, verliet hij de zaal, roepende: Non, 380.000 fois non, pour les 380.000 Belges, que vous sacrifiez à la peur (Neen, 380.000 maal neen, voor de 380.000 Belgen die u opoffert aan de angst). Hij nam ontslag maar bleef nog gemeenteraadslid van Brussel (1830-1848), waar hij de verfransingspolitiek ondersteunde. Hij vervulde ook talrijke beheersmandaten in de steenkoolmijnen en andere vennootschappen waar zijn familie aandeelhouder in was.

Op hoge leeftijd werd Gendebien blind. Zijn memoires dicteerde hij aan een kleinzoon.

Hij heeft een standbeeld op de Frère-Orbansquare in Brussel, rechtover de Raad van State.

Publicatie[bewerken]

  • Aperçus de la part que j’ai prise à la révolution de 1830 (« Mémoires »), 1866-1867

Literatuur[bewerken]

  • Théodore JUSTE, Alexandre Gendebien, in: Biographie nationale de Belgique, Tome VII, 1880-1883, col. 577-586
  • Jules GARSOU, Alexandre Gendebien. Sa vie, ses mémoires, Bruxelles, 1930
  • Helmut GAUS, Alexandre Gendebien en de organisatie van de Belgische revolutie van 1830, Academia Press, Gent, 2007

Zie ook[bewerken]

Voorganger:
nieuw ministerie
Minister van Justitie
1831
Opvolger:
Antoine Barthélemy