Fulgencio Batista

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Fulgencio Batista

Fulgencio Batista y Zaldivar (Banes, Cuba, 16 januari 1901Marbella, Spanje, 6 augustus 1973) was een Cubaanse president annex dictator.

Hij regeerde Cuba van 1934 tot 1959, aanvankelijk door stromannen als presidenten te laten aantreden, later door zichzelf als president te laten verkiezen en uiteindelijk als dictator. Zijn regering werd omvergeworpen door Fidel Castro en zijn guerrillero's.

De Opstand der Sergeanten[bewerken]

Op 4 september 1933 nam Batista na een opstand, de "Opstand der Sergeanten", het Cubaanse bestuur over. De liberale regering van Gerardo Machado werd omvergeworpen en Batista trad naar voren als een door de Verenigde Staten geliefde en machtige leider.

Batista benoemde Grau San Martin, een intellectueel, tot president. Echter een half jaar later al, op 14 januari 1934, liet hij San Martin aftreden en stelde Carlos Mendieta aan als president. Zo bestuurde Batista Cuba 10 jaar zonder echt op de voorgrond te treden. Hij benoemde achtereenvolgens: Mendieta (1934-1935), Barnet (1935-1936), Gomez (1936) en Brú (1936-1940). Batista had een goede relatie met de welgestelde Amerikanen en een goede zakelijke verhouding met Meyer Lansky, een maffiabaas. Behalve deze goede relaties had hij natuurlijk ook vijanden, zoals Antonio Guiteras, stichter van de studentenorganisatie Joven Cuba. Deze werd in 1935 neergeschoten door regeringstroepen. Vele anderen verdwenen zonder sporen na te laten.

In juli 1940 werd Batista voor de eerste keer zelf als president verkozen. Met dit in het vooruitzicht verschoof hij zijn politieke opstelling naar links waarbij hij hervormingen ten gunste van de Communistische partij en van de vakbonden voorstelde. Zo werd hij met grote steun van het volk verkozen. Hoewel zijn politiek gebaseerd was op een nieuwe grondwet, werd deze niet tot uitvoering gebracht. Hierdoor verloor hij de verkiezingen in 1944 en won Grau San Martin, die in 1948 erin slaagde het bewind over te dragen op zijn geestverwant Carlos Prío Socarrás. Batista slaagde er wel in een plaatsje te bemachtigen in de Cubaanse senaat. In 1951 stelde hij zich weer kandidaat maar de peilingen toonden duidelijk aan dat hij impopulair was bij het Cubaanse volk.

Een tweede staatsgreep[bewerken]

Op 10 maart 1952 pleegde Batista opnieuw een staatsgreep, deze keer tegen Socarras. De staatsgreep had plaats 3 maanden voor de verkiezingen, die hij zou verliezen, en ongeveer 20 jaar na zijn eerste staatsgreep. Voor die verkiezingen had zich een jonge advocaat, Fidel Castro, opgegeven, weliswaar niet voor de presidentsverkiezing maar voor een andere functie. De regering-Batista werd door de VS goedgekeurd, kort hierop kondigde hij, hoewel hij trouw had beloofd aan de Cubaanse grondwet, aan dat sommige rechten tijdelijk ingetrokken zouden worden en verbood eveneens het recht op staken. Hij organiseerde Cuba zo dat hij grote nationale winsten maakte. Onder zijn bewind werd Havana een echte gokstad waar prostitutie hoogtij vierde en de georganiseerde misdaad, met name de Amerikaanse maffia, de dienst uitmaakte. Amerikaanse toeristen konden er de bloemetjes buiten komen zetten op manieren die thuis niet mogelijk waren.

De democratie verdween volledig en het duurde dan ook niet lang voor de eerste protesten van zich lieten horen: een groepje revolutionairen onder Fidel Castro viel de Moncada kazerne aan in Santiago. Maar de aanval mislukte en per dode soldaat werden er tien revolutionairen gedood, de tien voor één wet werd dit door het volk genoemd. Hierna profiteerde Batista weer zonder tegenstand van de staatsfinanciën.

Grote geldsommen liet hij door middel van een contract over aan de VS voor grote bouwprojecten. Door de onrust onder de Cubanen en de Amerikanen liet Batista in 1954 schijnverkiezingen houden, waarin hij de enige officiële kandidaat was. Hij werd dus verkozen, maar het volk eiste nieuwe en wettige verkiezingen. Batista was zo zeker van zijn macht dat hij op 15 mei 1955 Fidel Castro en zijn vrienden vrijliet. Enkele dagen later gingen de geruchten echter dat Batista's politie op zoek was naar Fidel en zijn makkers om ze te liquideren. Na dit gerucht verliet Castro Cuba en ging naar Mexico.

Het jaar 1955 verging Batista niet echt goed; er waren regelmatig studentenrellen en manifestaties tegen Batista. Deze rellen ging Batista's politie met harde hand tegemoet en er vielen regelmatig slachtoffers. Zo stierf op 10 december een geliefde studentenleider wat leidde tot grote protesten en 5 minuten stilte. Desalniettemin bleef Batista hardhandig regeren. Zelfs na de landing van Granma (Met Fidel Castro, Raúl Castro en Che Guevara), toen de revolutionaire ideeën steeds verder over Cuba begonnen uit te dijen.

Batista organiseerde nogmaals een schijnverkiezing, ditmaal om zijn aangewezen opvolger Andres Rivero Aguero een schijn van legitimiteit te geven. Hij was het die Batista op 24 februari 1959 zou moeten opvolgen.

Maar zover zou het niet komen. Het leger stond minder en minder achter Batista, en de steun van de VS liep op zijn eind. Tijdens de slag van Santa Clara in de laatste dagen van 1958, moesten de troepen van Batista het tegen Che Guevara afleggen. Op 1 januari 1959 verliet de dictator in het geheim Havana en vluchtte naar Ciudad Trujillo, de hoofdstad van de Dominicaanse Republiek. Na 25 jaar van corruptie en misdaad werd Cuba een communistische dictatuur onder Fidel Castro.

Batista leefde nog een lange tijd in ballingschap in Portugal en Madeira en stierf in 1973 in Spanje.

Voorganger:
Federico Laredo Brú
President van Cuba
Eerste mandaat 1940-1944
Opvolger:
Ramón Grau
Voorganger:
Carlos Prío Socarrás
President van Cuba
Tweede mandaat 1952-1959
Opvolger:
Anselmo Alliegro