Herman Kruyder

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Herman Kruyder (Lage Vuursche, 7 juni 1881 - Amsterdam, 29 april 1935) was een Nederlands schilder, tekenaar en glazenier.

Als jongen kreeg Kruyder tekenlessen in Baarn bij Karel van Dapperen, zelf leerling van August Allebé. Hij koos daarna voor een beroep als huisschilder in Wormerveer, in de avonduren volgde hij tekenlessen van bedenkelijk niveau. Rond 1900 kreeg hij de gelegenheid opleiding te volgen aan de Haarlemse School voor Kunstnijverheid. Direct daarna begon Kruyder als glasschilder en later als schilder-ontwerper van gebrande glazen bij Schouten in Delft, de fabriek waar bijvoorbeeld ook Jan Mankes heeft gewerkt.

In 1907 gaat hij terug naar de omgeving van Haarlem en Heemstede om landschappen te tekenen en schilderen. Hier heeft hij contact met Ko Doncker en de schrijver Job Steynen. Geïnspireerd door het kubisme en het expressionisme ontwikkelde hij zijn eigen stijl: kunst met intense kleuren. Kruyder woonde vanaf 1920 in groot isolement in Bennebroek, samen met zijn vrouw Johanna Laura (Jo) Bouman (1886) die zelf ook verdienstelijk kunstschilder was. Hij kreeg daar ernstige inzinkingen.

In 1926 ging Kruyder in Blaricum wonen. Hier werkte hij in een realistische stijl. Maar de depressies waar Kruyder steeds meer last van kreeg, lieten hun invloed op zijn schilderijen en tekeningen achter. De afgebeelde dieren zijn somber en dreigend, de dramatische tekeningen voorspelden zijn zelfgekozen dood. Toch genoot hij in deze periode grote bekendheid en werk uit deze periode werd zeer gewaardeerd.

Hij verhuisde naar Amsterdam in 1934 waar hij overleed op 29 april 1935.

Werk van hem bevindt zich onder meer in de collectie van het Rijksmuseum Amsterdam.

Literatuur[bewerken]

  • M. Hoogendonk: Herman Kruyder 1881-1935. Gedoemde scheppingen. Schilderijen, aquarellen en tekeningen. Zwolle/Haarlem, Uitgeverij Waanders/Frans Halsmuseum, 1996.
  • D. Snoep: Herman Kruyder 1881-1935, 1996.
  • Van den Eeckhout: "Herman Kruyder" in Maandblad voor Beeldende Kunsten 1932, pag 299-307