Johannes Jacobus van Oosterzee

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Johannes Jacobus van Oosterzee

Johannes Jacobus van Oosterzee (Rotterdam, 1 april 1817 - Wiesbaden, 29 juli 1882) was een Nederlandse theoloog, Hervormd predikant, prozaïst en dichter.

Johannes, zoon van Mattheus Henrik van Oosterzee (1779-1823), ontvanger der stedelijke accijnzen te Rotterdam en de in Ritthem geboren domineesdochter Debora Jacoba Thomson (1777-1844), werd vanwege zijn uitnemende aanleg in staat gesteld om zich op het ambt van predikant voor te bereiden. Hij studeerde te Utrecht in de periode 1834-1840 en promoveerde in 1840 tot doctor in de godgeleerdheid. Hij deed zijn intrede als predikant op 1841 te Eemnes-Binnen en stond van mei 1843 tot november 1844 te Alkmaar, waar hij in 1851 het huwelijk sloot van Truitje Toussaint met de schilder Johannes Bosboom. Vervolgens werd hij beroepen aan de Grote of Sint-Laurenskerk in zijn geboortestad Rotterdam, vanwaar hij achttien jaar later in 1863 tot hoogleraar aan de Universiteit van Utrecht aangesteld werd.
Hij huwde op 28 januari 1841 te Baarn met Cornelia Maria Elisabeth de Wilde (1821-1890), dochter van Andries de Wilde, heer van Soekaboemi op Java en het landgoed Pijnenburg te Baarn. Hij woonde enige tijd met z'n gezin aan de Drift in Utrecht en op de buitenplaats Hofwijck[1] in Voorburg. Twee van zijn zonen, Pieter Cornelis (1848-1932) en Christiaan Mari van Oosterzee (1854-1912), werden eveneens hervormd predikant, twee anderen gingen naar Nederlands-Indië en een dochter huwde met de dolerende ds. Hendrik Hoyte Veder (1853-1913), telg uit een Rotterdamse koopmansfamilie. Schrijfster Sophia Henriëtte Kautzmann-van Oosterzee[2] (1852-1934), echtgenote van de bibliothecaris van Marianne van Oranje-Nassau[3], was eveneens een dochter. De componiste en dirigente Cornélie van Oosterzee[4] (1863-1943) was oomzegster van hem.

Samen met zijn collega Jacobus Isaac Doedes redigeerde hij van 1845 tot 1858 de Jaarboeken voor wetenschappelijke theologie en richtte met Nicolaas Beets en Daniël Chantepie de la Saussaye in 1852 de vereniging van predikanten en het tijdschrift "Ernst en Vrede" op. Als godgeleerde en kerkredenaar schreef hij een groot aantal werken, waarvan de stijl zijn beroemde welsprekendheid evenaart, en die dus met volkomen recht tot de letterkunde kunnen worden gerekend. Zijn prozawerken overtreffen zijn poëzie zózeer, dat zijn dichterlijke gaven aan vele van zijn bewonderaars onbekend bleven.
Van Oosterzee trok overvolle kerken, de toeloop tot zijn prediking in de Grote kerk te Rotterdam was zelfs voor die tijd onvoorstelbaar groot. De kerkgangers van de ochtenddienst verbleven erna en de ganse middag in de Grote kerk om hun zitplaatsen voor de middagdienst niet te verliezen. Ds. Allard Pierson (1770-1839), die zeer kritisch over Van Oosterzee oordeelde, schreef dat "hij gedurende veertig jaar als kerkleraar een door niemand geëvenaarde betekenis in Nederland heeft gehad".
Hij stond in contact met Isaäc da Costa, Guillaume Groen van Prinsterer en Hendrik Jacob Koenen en maakte naam als apologeet tegen het modernisme. Tegen het einde van zijn ambtsperiode werd hij verdrongen door de opkomende 'neocalvinisten' en jongere 'ethischen'[5]. Eén van zijn opponenten was Cornelis Willem Opzoomer (1821-1892).

Hij werd op 17 november 1869 benoemd tot Commandeur in de Orde van de Eikenkroon.

Graf van Johannes Jacobus van Oosterzee, begraafplaats Soestbergen Utrecht

Tijdens het kuren in hotel "Allée Saal" in Bad Langenschwalbach werd hij onwel. Hij werd overgebracht naar een hospitaal te Wiesbaden, waar hij op 65-jarige leeftijd overleed. Van Oosterzee werd op 3 augustus 1882 begraven op de begraafplaats Soestbergen in Utrecht en zijn graf is een geklasseerd funerair rijksmonument.[6]

In de wijk het Nieuwe Westen te Rotterdam werd een straat naar Johannes Jacobus van Oosterzee vernoemd en op een hoek is een een schild geplaatst met een strofe uit een tussenrijm van zijn hand:

Aanhalingsteken openen

Mont-Blanc
Daar staat gij, als Monarch, omringd met eerlauwrieren.
De bergen om u heȇn zijn als uw lijfstaffieren,
Wier neȇrgedoken kruin uw grootheid hulde doet.
U strekt een rots ten Troon, een ijswrong siert uw slapen,
Uw mantel is van sneeuw, lawinen zijn uw wapen,
En gletschers 't vloertapeet, dat g' uitrolt voor uw voet.

Aanhalingsteken sluiten


Literatuur[bewerken]

  • "Uit mijn levensboek" - J.J.van Oosterzee (Kemink, 1883)
  • "Ter nagedachtenis van Dr. J. J. van Oosterzee" - Jacob Isaak Doedes (1883)
  • "Het leven van Jezus (deel I, II en II)" - J.J.van Oosterzee (Kemink en Zoon, 1846-1851)
  • "Christus en de heidenwereld" (1851)
  • "Levensvragen" (1860)
  • "Reformatie en Revolutie" (1867)
  • "Geloofsstrijd: een tijdperk" (1868)

Externe link[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties