Joseph Johnston

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Joseph Johnston
Joseph E. Johnston
Joseph E. Johnston
Geboren 3 februari 1807
Farmville, Virginia, Verenigde Staten
Overleden 21 maart 1891
Washington D.C.
Begraven Green Mount Cemetery, Baltimore, Baltimore City, Maryland, Verenigde Staten, Plot: Area VV, veld 28-30[1]
Land/partij Vlag van Verenigde Staten Verenigde Staten
Confederate National Flag since Mar 4 1865.svg Geconfedereerde Staten van Amerika
Onderdeel Flag of the United States Army.svg United States Army
Battle flag of the US Confederacy.svg Confederate States Army
Dienstjaren 1829 - 1860 (USA)
1861 - 1865 (CSA)
Rang Union army brig gen rank insignia.jpg Brigadier General (USA)
Confederate States of America General-collar.svg General (CSA)
Eenheid 4th Artillery[2]
Leiding over Army of Northern Virginia
Army of the Shenandoah (30 juni - 20 juli 1861)[3]
Army of the Potomac (20 juli - 22 oktober 1861)[3]
Department of Northern Virginia (22 oktober 1861 - 31 mei 1862)[3]
Department of the West (4 december 1862 - december 1863)[3]
Army of Tennessee (27 december 1863 - 18 juli 1864)[3]
Army of Tennessee and Department of Tennessee and Georgia (25 februari - 26 april 1865)[3]
Department of South Carolina, Georgia and Florida (25 februari - 26 April 1865)[3]
Department of North Carolina (16 maart - 26 april 1865)[3]
Slagen/oorlogen Black Hawk Oorlog

Seminole Oorlog


Mexicaans-Amerikaanse oorlog


Amerikaanse Burgeroorlog

Ander werk Ingenieur[4]

Joseph Eggleston Johnston (Farmville (Virginia), 3 februari 1807 - Washington D.C., 21 maart 1891) was een beroepsofficier in de United States Army en een van de hoogste generaals van de Geconfedereerde Staten van Amerika tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog. Hij was niet erg succesvol, niet alleen door spanningen met zijn president Jefferson Davis, maar vooral omdat hij niet agressief genoeg was om veldslagen en campagnes te winnen.

Voor de oorlog[bewerken]

Jonhston werd geboren in Longwood House in Farmville, Virginia, nu het huis van de president van Longwood University. Johnston werd genoemd naar Joseph Eggleston, onder wie zijn vader had gediend tijdens de Amerikaanse Revolutie. Johnston studeerde aan West Point en studeerde af in 1829. Hij diende acht jaar bij de artillerie voordat hij werd overgeplaatst naar de topografische ingenieurs in 1838, nadat hij het leger voor een jaar had verlaten.

Tijdens de Mexicaans-Amerikaanse oorlog verdiende hij twee bevorderingen en werd hij gewond bij zowel Cerro Gordo als Chapultepec. Hij diende daarna in Californië en werd benoemd tot Quartermaster General van het U.S. Army op 28 juni 1860.

Burgeroorlog[bewerken]

Toen zijn geboortestaat de Unie verliet in 1861 nam Johnston ontslag als brigadegeneraal van het reguliere leger, de hoogste officier in rang die dit deed. Hij werd eerst aangesteld als generaal-majoor in de militie van Virginia; hij loste Thomas "Stonewall" Jackson af bij het commando over Harper's Ferry en organiseerde de Army of the Shenandoah.

In de Eerste Slag bij Bull Run (juli 1861) bracht Johnston troepen uit de Shenandoah Vallei om die samen te voegen met die van P.G.T. Beauregard, maar hij liet de leiding van de veldslag over aan die jongere generaal, omdat hij terrein niet goed kende. Desondanks wist hij toch publiek krediet te krijgen voor zijn aandeel in de Zuidelijke overwinning.

In augustus werd Johnston gepromoveerd tot volledig (4-sterren) generaal, maar hij was niet blij dat er drie andere mannen waren die boven hem stonden. Hij was immers de hoogste in rang geweest die het Amerikaanse leger had verlaten, dus waarom zouden Samuel Cooper, Albert Sidney Johnston en Robert E. Lee nu opeens hoger in rang zijn dan hij? Alleen Beauregard werd achter Johnston geplaatst op de lijst van vijf nieuwe generaals. Dit voorval leidde tot veel onmin tussen Johnston en Jefferson Davis en dit zou niet ophouden tot de oorlog over was.

Peninsula Campagne[bewerken]

Johnston werd commandant van het Army of Northern Virginia en leidde dit leger tot het begin van de Peninsula Campagne in 1862. Terwijl hij de hoofdstad Richmond verdedigde tegen generaal George McClellan trok hij zich steeds "strategisch" terug, tot zijn leger met de rug tegen de hoofdstad stond, waar McClellan van plan was een beleg te slaan. In een hoek gedreven sloeg Johnston eindelijk terug op 31 mei 1862 ten zuiden van de Chickahominy in de Slag bij Seven Pines.

De uitkomst van de slag was tactisch gezien onbeslist, maar Johnston was gewond geraakt op de tweede dag: Davis gaf het commando over aan de agressievere Robert E. Lee, die het Army of Northern Virginia gedurende de rest van de oorlog zou leiden.

Westelijk Theater[bewerken]

Na het herstel van zijn verwondingen kreeg Johnston het commando over het Department of the West, het belangrijkste commando in het westelijke theater, die hem in theorie de baas maakte over Braxton Braggs Army of Tennessee en John C. Pembertons Department of Mississippi and East Louisiana. Pemberton kreeg Ulysses S. Grant tegenover zich in Vicksburg. Johnston probeerde hem ertoe over te halen de stad te evacueren, zijn troepen te verenigen met die van Johnston, en zo Grants troepen numeriek de baas te zijn. Maar Davis gaf Pemberton opdracht om in Vicksburg stand te houden, wat voor grote consternatie zorgde toen het laatste bolwerk aan de Mississippi (rivier) viel op 4 juli 1863.

Later in dat jaar werd Bragg verslagen in de Slag bij Chattanooga en Davis verving zijn oude vriend (met tegenzin) door Johnston.

Atlanta Campagne[bewerken]

Toen hij William T. Sherman tegenover zich kreeg die oprukte van Chattanooga naar Atlanta in het voorjaar van 1864 viel Johnston terug op zijn strategie van de terugtocht. Steeds opnieuw bereidde hij sterke verdedigende posities, en steeds weer manoeuvreerde Sherman eromheen, wat Johnston steeds verder liet terugtrekken in de richting van Atlanta. Johnston beschouwde het behoud van zijn leger als zijn belangrijkste doel, wat betekende dat hij héél voorzichtig campagne voerde. Hij hanteerde zijn leger goed, vertraagde de Noordelijke opmars en maakte meer slachtoffers dan hijzelf opliep. Op 27 juni versloeg Johnston Sherman in de Slag bij Kennesaw Mountain, maar deze puur defensieve overwinning weerhield Sherman er niet van om zijn opmars voort te zetten. Critici stellen dat Johnstons onwil om risico's te nemen de kans op een Zuidelijke overwinning bij voorbaat onmogelijk maakte.

Jefferson Davis werd steeds geïrriteerder door deze strategie en verving Johnston op 17 juli 1864, kort voor de Slag bij Peachtree Creek, net buiten Atlanta, door John Bell Hood. Die was wèl agressief, maar die agressiviteit resulteerde in het verlies van Atlanta in september en van een groot deel van zijn leger in Tennessee de winter erna. Davis' beslissing om Johnston te vervangen was één van de meest controversiële van de oorlog.

De Carolina's en overgave[bewerken]

Toen de Confederatie zich steeds meer zorgen maakte over Shermans Mars naar de Zee door Georgia en vervolgens naar het noorden door South Carolina en North Carolina, begon het publiek te roepen om de terugkeer van Johnston. Davis benoemde hem tot een commando dat gelijktijdig het Department of South Carolina, Georgia, and Florida was, als ook het Department of North Carolina and Southern Virginia. Theoretisch had hij het bevel over drie Zuidelijke legers, maar in de praktijk had Johnston weinig middelen om iets tegen Shermans opmars te doen.

Op 19 maart 1865 wist hij een deel van Shermans leger te verrassen in de Slag bij Bentonville en wist hij korte tijd wat tactische succesjes te boeken, totdat Shermans superieure aantallen hem dwongen zich terug te trekken. Nadat hij hoorde van Lees overgave bij Appomattox Court House gaf hij zijn leger over aan Sherman op 26 april 1865 bij Durham, ondanks tegengestelde orders van Jefferson Davis.

Na de oorlog[bewerken]

Na de oorlog vestigde Johnston zich in Savannah, Georgia, werd president van een spoorwegmaatschappij in Arkansas en werd betrokken in het verzekeringswezen. Hij keerde terug naar Virginia en verhuisde in 1877 naar Richmond. Johnston werd verkozen tot lid van het Huis van Afgevaardigden voor de Democratische Partij van 1879 tot 1881; daarna stelde hij zich niet opnieuw kandidaat. Hij was commissaris voor spoorwegzaken in de regering van president Grover Cleveland.

Zijn analyse van de burgeroorlog, Narrative of Military Operations, gepubliceerd in 1874, was zeer kritisch over Jefferson Davis en veel van zijn mede-generaals.

Johnston droeg de kist van zijn voormalige tegenstander generaal Sherman. Hoewel het koud en regenachtig was tijdens Shermans begrafenis weigerde Johnston om een hoed te dragen, uit respect voor Sherman. Als gevolg daarvan vatte hij kou en overleed op 21 maart 1891. Hij werd begraven op Greenmount Cemetery, Baltimore, Maryland.

Militaire loopbaan[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties