Melkboer

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
De melkboer, Haarlem 1956
Melkbus met litermaten

Een melkboer, melkman of melkslijter is iemand die langs de deur ging met voornamelijk melk en zuivelproducten, en eventueel een winkel dreef. Voor de uitvinding en grootschalige toepassing van de koelkast kwam de melkboer in Nederland dagelijks langs de deur.

Geschiedenis[bewerken]

Tot eind 19e eeuw werd de melk meestal op melkmarkten doorverkocht of door boeren zelf rondgebracht. De melk werd vervoerd in houten vaten, die vaak in vuil slootwater werden schoongemaakt. Later trokken veel werkloze boerenzonen naar de stad en begonnen een winkel waar ze melk, boter, kaas en eieren verkochten. Soms hadden ze nog een paard en een koe in de tuin staan. Het rondventen van de melk ging in de stad vaak met een transportfiets met een houten bak en later met een laag plateau waar twee bussen op konden staan. Maar er werd ook gevent met paard en wagen en zelfs hondenkarren Pas veel later kwam de bakfiets. De gemotoriseerde SRV-wagen markeert de laatste fase van bezorging aan huis, toen de melkboer gepromoveerd was tot ‘melkman’.

Er was veel concurrentie. Vaak verschenen op één trap meerdere melkboeren, en na een verhuizing stonden meerdere melkboeren op de stoep. De melkboer had een ‘loper’, een sleutel die op alle deuren paste. Soms stond de keukendeur open en kon de melkboer de pan met melk vullen. De klanten namen niet altijd pannen mee. Er was een systeem met groenteblikken met een hengsel, die de melkboer zelf schoonmaakte.

Het was een zwaar bestaan, vroeg op, trap op/trap af, met zware melkkannen en later ook flessen pap en ‘dubbel gestoomde’ melk. De melkboeren hadden echte buurtzaken, veel meer dan bakkers en groenteboeren. Vaak werd op de pof verkocht en de melkboer had een sociale functie omdat ze meestal niet in de winkelstraten zaten, maar tussen de woonhuizen. Het contact met klanten was erg hecht. De winkels waren 's avonds dicht, maar vaak deed de melkboer 's avonds open als onvoorzien de gasmunten op waren. Er waren ook veel 'verzuilde' melkboeren die katholieke of protestante klanten aantrokken tot buiten hun buurt.

In Amsterdam werd melk aangevoerd uit de Zaanstreek via melkschuiten die door de boeren zelf werd uitgevent. En voor een groot deel kwam de melk kwam uit het zuiden van Amsterdam (Weesperkarspel, Abcoude, Muiden, Weesp, Nederhorst den Berg). In de loop van de 19e eeuw waren daar de meeste boeren omgeschakeld van een traditioneel gemengd bedrijf naar melkproductie voor de stad. Al snel werd de band tussen de melkboeren en de boeren (meestal familie) losser toen melkrijders met vrachtwagens de distributie overnamen. In de jaren twintig woedde er regelmatig een melkoorlog tussen veehouders en handelaren over de prijs, toen de boeren uit protest zelf in de stad gingen venten. Rond de jaren dertig van de 20e eeuw raakten de melkboeren vast in de greep van de melkfabrieken. Er kwamen ook grote ‘melkinrichtingen’ (bv. Vami en Sierkan) die met hun handkarren en hygiënische melksalons gingen concurreren met de melkboeren. Hoewel de melkboeren vanaf de jaren 30 hun zelfstandigheid verloren door de melkfabrieken, de steeds strengere wet&regelgeving en tenslotte de opkomende supermarkten, bleven ze trots op hun eigen zaak die ze als een stadsboerderij beheerden; met een ouderwetse boerentrots die ze met elkaar deelden.

De meeste melkzaken bleven dan ook dorpswinkels in de grote stad omdat de melkboeren nooit echt stedeling werden. Dat was hun sterke kant, maar dat werd tegelijk hun ondergang omdat ze (op een paar na, zoals Dirk van de Broek) zich niet konden of wilden aanpassen aan de stad en de moderne tijd. Hun familie en achterban waren boeren en melkboeren, en in hun vrije tijd en spaarzame vakanties gingen ze niet naar het strand of Spanje, maar naar hun familie in de dorpen waar ze vandaan kwamen. De vrouw van de melkboer (vaak een boerendochter) bestierde de winkel, en ook meestal de (pof)boekhouding. Zij was het gezicht en het middelpunt van de zaak. De melkboer zelf was meestal onzichtbaar, in het donker en bij weer en wind rondfietsend op zijn bakfiets. Nooit ziek; dwz gewoon doorfietsen en doen alsof er niets aan de hand is. Terwijl in hun eigen dorp de moderne tijd doordrong, bleven ze in de stad leven als in het dorp van hun jeugd.

De overheid legde veel regels op omdat de melk vaak ongezond was of met water verdund werd zodat het vetgehalte te laag was. Ook werden inhoudsmaten geijkt. Sommige melkboeren waren berucht door hun geknoei. Vooral in de oorlog werd veel geritseld en met bonnen gesjoemeld. Al in de 19e eeuw werd duidelijk dat melk de veroorzaker was van veel epidemieën (tyfus, difterie, tbc) door de slechte hygiëne op de boerderijen en in de melkwinkel. Maar pas in 1925 werd de melkkeuring verplicht. De Crisis-Zuivelwet van 1932 regelde het vaststellen van de melkprijzen, stelde eisen aan de vakbekwaamheid van de melkboer en introduceerde een uitgebreid stelsel van vergunningen met premies voor een hygiënische bedrijfsvoering. In 1935 kwam er een ventverbod voor de Zondag, daarvoor werd er dus zeven, zeer lange, dagen in de week gewerkt.

In de jaren dertig ontstond een 'melkstrijd' tussen overheid en melkfabrieken, waarbij de melkboer weinig in te brengen had. De melkfabrieken en grote melkinrichtingen zagen de melkslijter het liefst verdwijnen. In Amsterdam ontstonden socialistische melkcoöperaties als alternatief voor het ‘kapitalisme’. Maar met de zelfstandige melkboer was het voorgoed afgelopen, ze werden 'kleine middenstanders' met weinig mogelijkheden (en animo) om door te groeien naar een (groot)winkelbedrijf.

Tijdens de Duitse bezetting werd bepaald dat melk niet meer rechtstreeks van de boer mocht komen. De koemelkers moesten kiezen tussen voortzetting van de boerderij of van de melkloop. De meesten kozen toen voor de boerderij. Na de oorlog bleef deze wet bestaan en verdwenen ook de laatste melkventende koemelkers. In het Melkstandaardisatiebesluit 1940 werd melkstandaardisatie, dat wil zeggen standaardisatie van het melkvetgehalte van consumptiemelk in Nederland wettelijk verplicht gesteld. Het standaard melkvetgehalte werd destijds in Nederland vastgesteld op 2,5% (thans 3,5%) voor volle melk. Rauwe melk bevat ongeveer 3,85% melkvet, maar dit is afhankelijk van de leverancier (de melkveehouder) en van het seizoen. Melkstandaardisatie komt dus neer op gedeeltelijke afroming van de rauwe melk. Dit kan op twee manieren: 1• Scheiding van room en (magere) ondermelk (taptemelk) middels centrifuge, gevolgd door samenvoeging van room en ondermelk in de juiste verhouding. 2• Toevoeging van de juiste hoeveelheid ondermelk aan melk met een te hoog melkvetgehalte. Sindsdien kon de melkslijter de melk niet meer rechtstreeks van de melkveehouder betrekken. Het standaardisatiebedrijf is ertussenin gekomen. Standaardisatie ging gepaard met pasteurisatie omdat de weg tussen producent en consument te lang was geworden. Zonder pasteurisatie zou de melk te snel bederven. Later is ook pasteurisatie wettelijk verplicht gesteld. Intussen is een en ander geregeld in het Warenwetbesluit Zuivel.

Rond de jaren 50 was de melk die melkboeren rondbrachten nog niet lang houdbaar door het ontbreken van de koelkast, zodat de melk door de huisvrouw voor consumptie gekookt (gesteriliseerd) moest worden. Tot in de jaren zestig behielden nog veel melkboeren de bedrijfsvoering van voor de oorlog; zonder telefoon, snijmachine, kassa en dergelijke. Begin jaren 60 maakte de 'sanering' een einde aan het venten ver weg van huis. Voor veel melkboeren was dit een aanleiding om te stoppen met hun bedrijf. Later werd de term melkboer of melkslijter als denigrerend beschouwd, en werd deze vervangen door melkman of SRV-man. De melkman ging met zijn gemotoriseerde wagen dapper de hopeloze concurrentie aan met de opkomende supermarkten. Door de supermarkten in het laatste kwart van de 20e eeuw is het beroep melkboer praktisch uitgestorven. De eerste supermarkt werd in 1953 door melkboer Dirk van den Broek in Amsterdam geopend. Ook voelden de kinderen van melkboeren er niets voor om de zaak over te nemen, en werd dat ook van huis uit ontmoedigd. Zo kwam er een einde aan een markante vorm van middenstand in Nederland en België. In 1930 waren er 1151 melkzaken in Amsterdam, nu nog enkele.

Het is wel opvallend dat de sociale mobiliteit van de kinderen van melkboeren groot was. De druk om maatschappelijk te presteren was heel groot, al was de hoogst bereikbare vorm van onderwijs de MULO, hoewel ook veel kinderen doorstroomden naar seminaries, HBS of gymnasium. Het is opvallend hoe vaak politici en andere BNers zeggen dat ze een ‘kind van de melkboer zijn’. Dat heeft een dubbelzinnige betekenis gekregen, maar ze menen het echt en ze zijn trots op hun afkomst, als ze vaak met ontroering de mooiste verhalen vertellen over de winkel, het venten en het contact met de klanten.

Trivia[bewerken]

  • Een melkslijter is iemand die met melk en melkproducten van deur tot deur gaat. In België wordt de term melkboer in dezelfde betekenis gebruikt, dus nooit voor een winkelier.
  • Naar analogie wordt/werd in België en Nederland ook gesproken van een kolenboer, hoewel steenkool geen product is van landbouw of veeteelt. Ook andere middenstanders worden wel "boer" genoemd: computerboer, fietsenboer enz.
  • In verband met vaderschap wordt de melkboer wel gebruikt als uitdrukking voor een willekeurige man. Als een kind helemaal niet op de vader lijkt of kennelijk het resultaat is van "vreemdgaan", dan wordt een denkbeeldige melkboer opgevoerd als vader van het spreekwoordelijke 'kind van de melkboer', met het even spreekwoordelijke 'melkboerenhondenhaar'. Dit is wel te verklaren doordat de melkboer overdag, als de heer des huizes naar het werk was, bij de mensen aan de deur kwam met een product dat blijkbaar bepaalde associaties opriep. In deze zin wordt "de melkboer" wel gebruikt in teksten van de Nederlandse band De Dijk.

Melkboer in de kunst[bewerken]

Literatuur[bewerken]

  • H.B. Hylkema: Leerboek der zuivelbereiding, Leeuwarden, T. van der Velde 1923
  • V.R.IJ. Croesen: De geschiedenis van de ontwikkeling van de Nederlandsche zuivelbereiding in het laatst van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw Proefschrift. Mouton 1931
  • B. Tosseram: Het melkwinningsgebied van Amsterdam, een sociografische studie over consumptiemelkers, J. Muusses 1936
  • M. Dols en J. Sevenster: Productie en bestemming van melk in Nederland, Rotterdam 1950
  • MEBA 1927-1952 een kwart eeuw melk-controle jaarverslag 1951 Heruitgave zuivelhistorienederland.nl
  • P. Bomgaars: Melk voor Amsterdam Toen en nu, Amsterdam 1955
  • J. de Boers Azn en O. Osinga: Leerboek voor het melkinrichtingbedrijf, Kon. Ned. Zuivelbond 1958
  • Ulrich Neuhaus: Melk de witte levensbron, de geschiedenis van de melk van de vroegste tijden tot op heden, Pax Den Haag z.j.
  • J.A. Geluk: Zuivelcoöperatie in Nederland. Ontstaan en ontwikkeling tot omstreeks 1930 Kon. Ned. Zuivelbond 1967
  • De geschiedenis ener melkinrichting, een eeuw consumptiemelk 1879-1979, CMC/Melkunie 1979
  • Melk in Nederland, grepen uit de wordingsgeschiedenis van de Nederlandse zuivel Kon. Ned. Zuivelbond 1980
  • Peter van Druenen: Een begeerlijk produkt, de geschiedenis van Melkunie Holland en haar voorgangers 1872-1989, Melkunie Holland
  • Typex: Melkman, stripverhaal Oog&Blik 1996
  • Gerard Rutte: De kracht van melk en Ad Menken, Fontijn 2000
  • Jasmijn Nelissen: Melk. De witte motor? Hoe zuivel onderdeel werd van het Nederlandse eetpatroon Doctoraalscriptie RU Leiden 2002
  • Rob Veenman: Amsterdamse branie, Oostzaanse melk, Oudheidkamer Oostzaan 2006
  • Liesbeth van der Horst: De Melkquaestie, Melkvoorziening van Amsterdam, deel 1 en De ondergang van de melkboer, deel 2 in tijdschrift Ons Amsterdam juni 2003 p.204 en juli/augustus 2003 p.281
  • Pim Reinders en Aad Vernooij: Alles van melk, Geschiedenis van de Nederlandse Zuivelindustrie. WBOOKS De Nederlandse Zuivel Organisatie 2013

Externe links[bewerken]

Zie ook[bewerken]