Olędrzy

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Olędrzy (enkelvoud: Olęder) zijn aanvankelijk kolonisten uit de Nederlanden en Friesland, voornamelijk mennonieten, die in de 16e en 17e eeuw dorpen oprichtten in Koninklijk Pruisen, langs de Wisła en haar zijrivieren, in Koejavië, Mazovië en Groot-Polen. Ze hadden veel kennis van landaanwinning en landbouw en waren de welvarendste landarbeiders van de regio. Ze behielden hun persoonlijke vrijheid en eigen religie. Na de Eerste Poolse Deling vertrok een deel naar Oekraïne.

Later werden er ook andere kolonisten mee aangeduid, met name Polen en Duitsers en soms ook Schotten, Tsjechen en Hongaren, die de rechten genoten die waren ingevoerd door de Nederlandse en Friese kolonisten, namelijk persoonlijke vrijheid, eeuwigdurende pacht en het recht land over te dragen aan erfgenamen dan wel de boerderij te verkopen. Het belangrijkste kenmerk was de collectieve, gezamenlijke en hoofdelijke aansprakelijkheid van de hele Olędergemeenschap tegenover de landheer en het zelfbestuur van de gemeente. De term Olęder heeft dus niet zozeer een etnische of religieuze, maar een wettelijke betekenis.

Tussen 1527 en 1864 werden in Polen minstens 1700 Olędernederzettingen gesticht waarvan ten minste 300 door etnische Nederlanders.

Terminologie[bewerken]

Olędrzy worden ook aangeduid met de termen Hollendrzy, Holędrzy, Holendrzy, Olendrzy, deze benamingen zijn waarschijnlijk locale, West-Slavische benamingen voor Nederlanders, in het Pools Holendrzy.

De term keert terug in de namen van diverse dorpen in Polen (Holendry, Olędry, Olendry, etc.) maar niet alle dorpen met deze namen zijn werkelijk gesticht door Olędrzy.

Verwant aan de term zijn de Duitse termen Holländer en Hauländer. Mogelijk zijn in de loop der tijd de betekenis van de woorden uiteen gaan lopen.

Oorzaken[bewerken]

De Nederlanders waren reeds bekend met kolonisatie, onder andere bij Bremen in 1106 en Pasłęk in de 13e eeuw. De kolonisatie op Poolse grond vanaf de 16e eeuw heeft verschillende oorzaken:

  • Vervolging van anabaptisten en mennonieten in de Nederlanden onder de Habsburgse heersers
  • De Nederlandse Opstand en de aanwezigheid van het Spaanse leger en dat van Willem I leidden tot een instorting van de landbouweconomie. Ondernemende boeren zochten mogelijkheden in het buitenland.
  • Ontvolking van Pruisen na de Pools-Teutoonse Oorlog (1519–1521) en de behoefte nieuw land te cultiveren door ontbossing en drooglegging van moerassen. De Nederlanders hadden hier veel ervaring mee.

Externe links[bewerken]