Oligochaeta (onderklasse)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Oligochaeta
Lumbricus rubellus
Lumbricus rubellus
Taxonomische indeling
Rijk: Animalia (Dieren)
Onderrijk: Eumetazoa (Orgaandieren)
Stam: Annelida (Ringwormen)
Klasse: Clitellata
Onderklasse
Oligochaeta
Afbeeldingen Oligochaeta op Wikimedia Commons Wikimedia Commons
Oligochaeta op Wikispecies Wikispecies
Portaal  Portaalicoon   Biologie
Detailopname van de setae bij een regenworm.

Oligochaeta vormen een onderklasse binnen de taxonomie van de ringwormen. De ongeveer 10.000 soorten komen zowel in mariene als in terrestrische milieus voor. Alle terrestrische wormsoorten, waaronder de regenwormen, behoren tot deze onderklasse.

Beschrijving[bewerken]

Externe anatomie[bewerken]

De soorten uit de onderklasse bezitten allen een duidelijk gesegmenteerd lichaam en een lichaamsholte die als hydroskelet wordt gebruikt. De holt wordt gevuld met water, waardoor de worm een specifieke vorm verkrijgt. Al naargelang de druk van het water kan de vorm aangepast worden. De lengte van de wormen varieert tussen 0,5 millimeter en 2 tot 3 meter. Voorbeelden van dergelijke zeer grote wormsoorten zijn Megascolides australis en Amynthas mekongianus.

Het eerste segment, het prostomium, is meestal een glad gedeelte zonder zintuiglijke organen. Bij sommige soorten treedt extremisatie van dit segment op, waardoor een tentakel ontstaat. De overige segmenten bezitten geen aanhangsels of extremiteiten, maar ze zijn bezet met een klein aantal borstelachtige structuren (de setae). Deze borstels zijn bij mariene soorten over het algemeen langer dan bij de terrestrische soorten en zij kunnen verschillende vormen aannemen. Per segment zijn er vier bundels setae aanwezig die met behulp van kleine spiertjes in het lichaam kunnen getrokken worden. De setae helpen de worm grip te krijgen op de bodem, waardoor die zich kan voortbewegen. De voortbeweging verloopt peristaltisch.

Een aantal segmenten aan de voorzijde van het lichaam bezit een groot aantal klieren. Deze vormen samen het clitellum, dat van belang is bij de voortplanting.

Interne anatomie[bewerken]

Spijsverteringsstelsel[bewerken]

De meeste soorten voeden zich met restmateriaal, zoals dode overblijfselen van dieren, plantenresten of faeces. Sommige soorten zijn carnivoor, zoals soorten uit de geslachten Agriodrilus en Phagodrilus. Het spijsverteringsstelsel bestaat uit een buis die over de gehele lengte van het lichaam loopt. De buis bezit aan het begin een sterk bespierd slokdarmhoofd, dat zich vlak achter de mond bevindt. Bij veel soorten dient het slokdarmhoofd enkel om de worm te helpen het voedsel binnen te zuigen, maar bij sommige aquatische soorten kan het ook binnenstebuiten gekeerd worden. Het wordt dan als een soort koepel over het voedsel geplaatst en dient als een vangorgaan waarmee het eten opgezogen wordt, alvorens de koepel weer binnengetrokken wordt.

Het overblijvende gedeelte van het spijstverteringsstelsel bezit vaak maar niet altijd een zak waarin het opgenomen voedsel tijdelijk wordt bewaard, een spiermaag met geribbelde wanden, en waarin het voedsel ook vermalen wordt.

De slokdarm bezit speciale klieren die de kalkbalans bewaken door onverteerbaar calciumcarbonaat in de keel te laten stromen. De ingewanden en de dorsale ader worden omgeven door een weefsel, bestaande uit gele cellen. Dit weefsel heeft een vergelijkbare functie als de lever bij de gewervelden. Dit soort cellen zweeft ook vrij in de buikholte; zij worden eleocyten genoemd.

Ademhaling[bewerken]

De meeste wormen hebben geen kieuwen of longen. Ze ademen door hun vochtige huid. Enkele aquatische soorten bezitten primitieve kieuwen. Het uitademen geschiedt via kleine kanaaltje die metanefridia genoemd worden. Terrestrische soorten scheiden ureum uit, terwijl de asuatische soorten ammonia uitscheiden.

Bloedsomloop[bewerken]

De bloedsomloop bestaat uit twee hoofdaders die in elk lichaamssegment verbonden zijn door haaks staande aderen. Het bloed wordt naar voren gestuwd door de dorsale ader over de rugzijde en aan de andere kant door de ventrale ader (via de buikzijde), alvorens langs een sinus te komen. Een aantal van de kleinere bloedvaten zijn gespierd en vormen in wezen een soort hartspieren die een pompfunctie bezitten. Een worm kan een tot vijf paren harten bezitten. Bij de meeste soorten, uitgezonderd van de kleine soorten, is in het bloed hemoglobine aanwezig.

Zenuwstelsel[bewerken]

Het zenuwstelsel bestaat uit twee centrale zenuwen, die normaal gezien gefuseerd zijn tot een enkelvoudige structuur, en drie tot vier paren kleinere zenuwen per segment. Slechts enkele aquatische soorten bezitten ogen en deze zijn indien aanwezig primitief van structuur (ocelli). Hun huid bezit echter een aantal fotoreceptoren, die de worm in staat stellen licht te detecteren en zich ervoor te verschuilen. De wormen kunnen hun omgeving aftasten met speciale chemoreceptorcellen, die over het hele lichaam in buisjes gelokaliseerd liggen. De huid bevat tevens talloze zenuwuiteinden waarmee ze mogelijk in staat zijn hun omgeving af te tasten.

Levenscyclus[bewerken]

Aardwormen zijn hermafrodiet. Dit betekent dat elk dier zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen bezit. Normaliter bevruchten de wormen elkaar. Het sperma wordt bewaard in een uitschuifbaar orgaan: de spermatheek. De eicellen en het sperma worden samengebracht in een door het clitellum gemaakte kokon of capsule. In de capsule vindt dan de bevruchting plaats, waarna deze als broedkamer voor de embryo's dient. De capsule wordt door de worm in de aarde geplaatst. Bij het uitkomen van de capsule zijn de jonge wormen volledig ontwikkeld. Ze groeien in een geleidelijk tempo door tot het volwassen formaat. De wormen bezitten geen larvenstadium.

Habitat[bewerken]

De wormen leven in verschillende bodemsoorten, in modder, organische materiaal (humus en compost), alsook in mest en ontlasting. Ze worden op ieder continent aangetroffen, met uitzondering van Antarctica. Wanneer er nieuwe flora door menselijk ingrijpen wordt aangeplant of de bestaande soorten worden verwijderd zijn de van nature voorkomende soorten niet in staat om te blijven bestaan en worden vervangen door de soorten die meegekomen zijn met de geïntroduceerde florasoorten.

Taxonomie[bewerken]

Literatuur[bewerken]

  • (en) Robert D. Barnes (1982) - Invertebrate Zoology, Philadelphia, PA: Holt-Saunders International, pp. 528–547 - ISBN 0-03-056747-5