Overwelving van de Zenne

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
De Brusselse waterwegen vóór de waterwerken, met weergave van de hedendaagse lanen
Aanvang van de werkzaamheden, 1867
Afbraak van de oude wijken
Bouw van de tunnels
Dankzij 't Groot Spui kon men vroeger de waterstand regelen; tegenwoordig is het een restaurant[1]
Brussel-Stad in 1837 (het N. ligt rechts)
In de benedenstad hingen vele onveilige houten bouwsels over de rivierarmen[2]
Jules Anspach en de Zenne, krantenkarikatuur uit 1868
Het pand Hier ist in den kater en de kat, winnaar van de architectuurwedstrijd van 1876, door architect Henri Beyaert
Tweede prijs, door Charles-Émile Janlet
Vierde prijs, door Adolphe Vanderheggen
De Zenne stroomt uit het waterzuiveringstation ten N. van Brussel

De overwelving van de Zenne was een belangrijke stedenbouwkundige ontwikkeling in Brussel. De overwelving gebeurde in twee fases: 1867-1871 en 1931-1955. Ten gevolge van deze ingreep loopt de Zenne niet meer binnen de "Vijfhoek", maar vanuit Kuregem naar Laken. Over ongeveer zes kilometer loopt ze ondergronds. De rivier werd geweerd uit de stad omdat ze vervuild was en omdat ze regelmatig de benedenstad onder water zette.[3][4][5]

In 1865 koos de burgemeester van Brussel, Jules Anspach, voor het ontwerp van architect Léon Suys: een gedeelte van twee kilometer werd overwelfd en boven en rond de tunnels kwamen brede lanen en grote openbare gebouwen. Het project was controversieel vanwege de kostprijs, de onteigeningen, de slopingen en een verduisteringsschandaal. Met wat vertraging werden de werkzaamheden beëindigd in 1871. De boulevards en statige gebouwen die toen werden gebouwd kenmerken ook vandaag nog de Brusselse binnenstad.[3][5]

De tweede fase breidde de overwelving uit tot bijna de volledige loop door de Brusselse agglomeratie. De rivier werd losgekoppeld van het tunnelstelsel onder de stad en verlegd tot buiten het centrum, langs de grote lanen rond de Vijfhoek.[3] De tunnels vielen deels droog en werden in 1976 omgebouwd tot de Noord-Zuid van de premetro. Het water uit de tunnels wordt sinds 2007 gezuiverd door de nieuwe waterzuiveringsinstallatie in Brussel-Noord, alwaar het meeste afvalwater uit het Brussels Hoofdstedelijk Gewest passeert voordat het wordt geloosd in de Zenne.[4]

De Zenne in de binnenstad[bewerken]

Loop[bewerken]

Oorspronkelijk stroomde de Zenne Brussel binnen via twee rivierarmen. De grootste rivierarm kruiste de Kleine Ring (de tweede stadsomwalling) op het kruispunt Zuidlaan-Anspachlaan. In Kuregem splitste de kleinere Ransfortzenne zich af; zij kruiste de Ring op het kruispunt Poincarélaan-Nijverheidskaai. De waterstand op beide rivierarmen werd geregeld door twee spuisluizen aan de Ring: het "Grote Spui" resp. "Kleine Spui".[5]

De Zenne kronkelde rond de huidige Lemonnierlaan en vormde twee eilanden: het "Klein Eiland" (op de plaats van het Fontainasplein) en het "Groot Eiland" (op het de plaats van het Sint-Goriksplein). Het Groot Eiland of "Sint-Gorikseiland" was de plaats van de 10e eeuwse burcht waarrond Brussel zich ontwikkelde.[6] Ten westen van dit eiland herenigde de Ransfortzenne zich met de Zenne. Deze stroomde via de Anspachlaan en de Jacqmainlaan verder en verliet de stad aan de Antwerpse Poort. Rondom de omwalling was een omleiding gegraven, de "Kleine Zenne" (van het Grote Spui tot Laken).

Het grootste gedeelte van de Zenne werd in de 19e eeuw omzoomd met volkswijken (de benedenstad).[7] Hier woonden de lagere klassen dicht op elkaar. De wijken werden gekenmerkt door fabrieken en smalle, doodlopende straatjes. De adel en burgerij woonden in de modernere en schonere bovenstad, in het oosten.

Overstromings- en gezondheidsproblemen[bewerken]

Het Kanaal Charleroi-Brussel moest samen met kleinere kanalen de functie van waterweg overnemen van de Zenne. Deze rivier had immers een onregelmatig debiet en overspoelde regelmatig haar oevers. Bij hevige regenval konden zelfs de sluizen de hoge waterstand niet meer aan. De versmalling van de rivierbedding door bebouwing op de oevers belemmerde de afvoer steeds meer.[8] Ook werd het water afgeremd door de pijlers van de vele bruggen. Verder zorgden watermolens en afval voor een algemene stijging van het waterpeil.[2] Tijdens droge periodes werd daarentegen water onttrokken uit de Zenne om het Kanaal van Charleroi op peil te houden.[9] Het debiet verminderde dan zodanig dat het vervuilde water niet meer wegstroomde, waardoor rioolslib en industrieel of huishoudelijk afval konden ophopen.

Dit werd steeds erger door de economische en demografische groei van Brussel.[3] De Zenne, die in 1853 werd beschreven als "de meest misselijke kleine rivier in de wereld", was een openluchtriool geworden en verspreidde walgelijke geuren door de stad,[10] die men ervan verdacht een rol te spelen bij besmettelijke ziektes zoals de cholera.[3] Tijdens de eerste helft van de 19de eeuw kende Brussel meerdere droge periodes, verscheidene overstromingen, en een cholera-epidemie veroorzaakt door de vervuilde rivier, de armoede en het gebrek aan hygiëne en proper drinkwater in de benedenstad.[11] Dit zette het stadsbestuur en de provinciale overheid aan tot actie.[12]

Aanloop[bewerken]

Na de spectaculaire overstroming van 1836 werd een onderzoekscommissie belast met het zoeken naar een oplossing, maar de eerste studies en voorstellen om de rivier te zuiveren werden pas opgesteld in 1859, toen het gebrek aan openbare hygiëne onhoudbaar begon te worden.[3] Een veertigtal ideeën om de Zenne schoon te spoelen werd naar voren geschoven.[3] Sommige plannen voorzagen schoon water uit nevenrivieren naar de stad te leiden, om het vervuilde water van de Zenne te verdunnen en te doen doorstromen. Andere voorstellen voorzagen een complete verlegging van de Zenne westwaarts naar de loop van de Kleine Zenne, die dan zou worden verbreed en zo kon dienen voor scheepvaart en watermolens. Nog andere plannen beschouwden om het even welke zuivering als onmogelijk, en stelden voor de rivier te overwelven zonder noemenswaardige wijzigingen aan te brengen in haar loop. Een van die plannen moest toelaten om de rivier ondergronds te verbreden en dankzij de verhoogde afwateringscapaciteit ruimte te creëren voor een ondergrondse spoorweg. Dit idee liep vooruit op zijn tijd, maar zou een eeuw later worden verwezenlijkt in de vorm van de Noord-Zuidverbinding.[13]

Het plan-Suys[bewerken]

De gemeenteraad koos voor een in 1865 ingediend ontwerp van architect Léon Suys, dat de steun genoot van de in 1863 aangetreden burgemeester Jules Anspach.[3][5] Het voorzag in de demping van de Ransfortzenne binnen de stadsmuren. De Zenne zou rechtgetrokken en overwelfd worden. Hierboven kwam een rechte, 30 meter brede boulevard, lopend van het Grote Spui naar de Augustijnenkerk (op het huidige De Brouckèreplein). Vanaf daar liep één tak naar het Noordstation en het huidige Rogierplein, de andere richting de Antwerpsepoort.[14][3][5]

Anspach steunde het plan-Suys, want hij had radicale plannen om de stad om te vormen en het voorliggende project zou hem toelaten meerdere plannen tegelijk te realiseren. Door de stad te verfraaien wilde hij de rijkere bevolking naar de stad lokken; die had de binnenstad verlaten om zich in de betere wijken van de voorsteden te vestigen (zoals de Leopoldswijk en langs de Louizalaan), wat een negatief effect op de stadskas had.[15][5] De verfraaiing moest in de eerste plaats de verouderde, ongezonde en dichtbevolkte volkswijken aanpakken, die men een hoofdstad onwaardig vond.[3] Deze arme wijken zouden zo ook een een nieuwe bestemming krijgen voor het zakenleven en de handel.[5] Ook wilde hij de talrijke kleine en doodlopende steegjes in de binnenstad vervangen door brede lanen – verkeersaders door de stad en verbindingen tussen de snel groeiende treinstations – zoals Hausmann dat had gedaan in Parijs.[16][3][5]

Bezwaren en verzet[bewerken]

Het Belgisch Parlement had onlangs een wet goedgekeurd die de overheid toeliet privé-eigendommen te onteigenen in naam van het "algemeen belang". Omdat dit kon geschieden zelfs voor de finale plannen van een project waren goedgekeurd, kon meer land onteigend worden dan werkelijk vereist was;[17] dit liet het stadsbestuur toe grote stukken van de benedenstad af te breken. Met de meerwaarde die de stad voorzag te realiseren bij herverkoop van deze grond, die door grote, chique lanen zou worden doorkruist, hoopte de stad het project zelf te kunnen financieren.[18] De gedwongen verhuis van de verarmde bevolking naar de reeds dichtbevolkte voorsteden, en de sociale verdringing die de stad hierdoor zelf ondersteunde, waren geen bezwaar voor het stadsbestuur, aangezien de onteigende arbeiders weinig belastingen betaalden en dus ook geen stemrecht hadden.[19]

Zelfs na de officiële goedkeuring van het plan-Suys, kreeg Anspach nog te maken met sterke tegenkanting van ingenieurs die vonden dat de overwelving onverzoenbaar was met de Brusselse geologie, en die vreesden dat het project zou resulteren in een ophoping van gevaarlijke gassen en niet genoeg capaciteit had om bij hoogwater overstromingen te voorkomen.[13] Anderen verzetten zich tegen de plannen wegens de verhoging van de belastingen om het project te helpen financieren, de lage vergoeding voor de onteigeningen en het gebrek aan inspraak van de bevolking. In de pers werd Anspach verantwoordelijk gehouden voor de afbraak van de Brusselse oude stad, en er verschenen spotprenten over hem.[20]

Als liberaal vreesde Anspach voor de rigiditeit en zwakheid van de overheid en besteedde daarom de werken uit aan een Brits bedrijf, de Belgian Public Works Company,[3] dat speciaal werd opgericht voor het project.[21] Tijdens de uitvoering geraakte het bedrijf echter verwikkeld in een verduisteringsschandaal waarbij de zaakvoerder 2,5 miljoen frank zou proberen hebben stelen van het bedrijf.[11] De controle over de werken ging hierdoor terug naar de stad en hoewel hij aanbleef, verloor Anspach zwaar bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1869.[20]

De eerste overwelving (1867-1871)[bewerken]

De rivier werd tijdelijk omgeleid en een groot deel van het oude stadscentrum werd opengelegd.[3] Het te overwelven stuk rivier was ruim 2 kilometer lang. De overwelving bestond uit twee evenwijdige, 6 meter brede bakstenen steekboogkokers, met links en rechts een moerrioolpijp die elk het afvalwater van hun kant van de straat zou opnemen. Er lagen dwarspijpen om bij overvloedige regenval het water dat de collectoren niet konden opvangen, in de rivier de lozen.[22][3] De Ransfortzenne werd gedempt — waardoor het Kleine Spui (de noordersluis) in onbruik raakte — en meanders en aftakkingen werden dichtgegooid. Het debiet werd voortaan nog enkel geregeld door het Grote Spui (de zuidersluis).[5]

Het contract werd getekend op 15 juni 1866 en de onteigening van de eerste 1.100 huizen werd voltooid binnen de eerste paar maanden. De gigantische werken, waar duizenden arbeiders bij betrokken waren, begonnen op 13 februari 1867.[23] De uitvoering liep wat vertraging op door technische moeilijkheden te wijten aan de Brusselse geologie, maar deze waren niet zo erg als gevreesd voor de aanvang van het project. Ook het verduisteringsschandaal vertraagde de werken door de overgang van de werf van het Britse bedrijf naar de overheid. De bouwwerken waren klaar eind 1871 en werden officieel geopend door het stadsbestuur op 30 november dat jaar,[24] toen de Zenne na de opening van de nieuwe grote zuidelijke sluis door haar nieuwe bedding stroomde.[3]

De nieuwe centrale lanen[bewerken]

Een reeks nieuwe lanen gecreëerd door het project werd geopend voor het verkeer tussen 1871 en 1873. Het betrof de Henegouwenlaan (nu de Maurice Lemonnierlaan), de Centrale Laan (nu de Anspachlaan), de Noordlaan (nu de Adolphe Maxlaan) en de Zennelaan (nu de Émile Jacqmainlaan).[24]

De opening van deze nieuwe verkeersaders vergemakkelijkte de toegang tot de benedenstad, die voorheen via de Zuidstraat, de Kleerkopersstraat en de Nieuwstraat liep, en gaf de opwaardering van de aangrenzende wijken een duw in de rug. Om deze heropleving te ondersteunen en investeringen aan te trekken werden enkele prestigieuze openbare gebouwen opgetrokken, waaronder de Beurs (1868-1873) met centrale inplanting op de vroegere Botermarkt, het Zuidpaleis (1875-1880), de Gemeenteschool nr. 13 (1877-1880) en de Centrale Hallen (1872-1874).[5] Die laatste vervingen de onhygiënische openluchtmarkten en waren een voorbeeld van metalen architectuur, maar werden afgebroken in 1958.[25] Een grote monumentale fontein, gepland op het Fontainasplein, werd geschrapt om budgettaire redenen.[24]

De bouw van privépanden langs de boulevards en in de omliggende straten begon pas later. De middenklasse bleef de nieuwe voorsteden verkiezen boven de dichtbevolkte binnenstad.[3] De hoge grondprijzen — waarop werd gerekend om de overwelving te financieren — en de hoge huurprijzen lagen buiten het bereik van de lagere sociale klassen. De vraag naar appartementen nam af naarmate de Brusselaars kozen voor eengezinswoningen. De woningen opgetrokken door investeerders kenden maar weinig aftrek.[26]

Om de perceelsverkoop te stimuleren en bouwheren aan te zetten kwaliteitsvolle gebouwen met aantrekkelijke gevels op te trekken, werd door het stadsbestuur in de jaren 1872-1876 met succes een architectuurwedstrijd opgezet[5] waarin twintig gebouwen, neergezet voor 1 januari 1876, prijzen zouden winnen. De hoofdprijs van 20.000 frank ging naar Henri Beyaert voor het pand "Hier ist in den kater en de kat" op de Noordlaan.[27] Desalniettemin duurde het nog 20 jaar, tot 1895, voor de lanen helemaal waren volgebouwd.

De voormalige Augustijnenkerk, gebouwd in de 17de eeuw in barokstijl, was het enige overblijvende deel van een klooster dat werd vernietigd in 1796 door Franse revolutionairen. Tussen 1815 en 1830 werd het gebruikt als protestantse kerk, later als concerthal, een beursgebouw, en als postkantoor.[28] In de plannen van Léon Suys zou de kerk worden vergroot en een brandpunt vormen voor de nieuwe boulevards.[5] De overwelvingswerkzaamheden omsingelden bijna volledig de kerk, maar met de nodige moeite en fondsen werd het gebouw gespaard.[3] Desondanks werd de kerk in 1893 afgebroken om plaats te ruimen voor het de Brouckèreplein[5] en vervangen door een fontein ter nagedachtenis van Jules Anspach. De gevel werd zorgvuldig afgebroken en heropgebouwd als façade voor de Heilige Drievuldigheidskerk in de voorstad Elsene.[29]

De tweede overwelving (1931-1955)[bewerken]

Hoewel de overwelving van de Zenne erin slaagde de problemen voor de volksgezondheid en het overstromingsgevaar in Brussel-Stad te verhelpen, was dit niet het geval voor de rest van de agglomeratie.[3] De Zenne werd nog steeds zwaar vervuild, ondanks de aanleg van rioleringen en afwatering naar het Kanaal van Charleroi. De twee overlopen, die werden geïnstalleerd om bij hoogwater water van de rivier in het kanaal te lozen, konden de overstromingen die op regelmatige basis de voorsteden bleven treffen niet voorkomen.[30][3]

In 1930 werd een vereniging opgericht die ervoor ijverde de volledige loop van de Zenne doorheen de agglomeratie te overwelven om zo de voorsteden te laten meegenieten van de voordelen die deze ingreep had gebracht aan de binnenstad. Van het centrum werd de loop van de rivier verlegd van de centrale lanen naar de perifere boulevards van de Kleine Ring. De overwelving werd uitgebreid zowel stroomopwaarts (tot aan de Veeartsenstraat in de Anderlechtse wijk Kuregem) als stroomafwaarts (naar de Werkhuizenkaai in Laken) en deze nieuwe dubbele overwelving was breder en van gewapend beton.[3] Deze werkzaamheden, vertraagd door de Tweede Wereldoorlog en de aanleg van de Noord-Zuidverbinding, werden voltooid in 1955.[31][3]

De in onbruik geraakte tunnels onder de centrale boulevards vergemakkelijkten de latere aanleg van de Noord-Zuidverbinding van de premetro, die werd geopend in 1976. De herbestemming van de bestaande tunnels tot metrotunnels beperkte de impact van de werken bovengronds. Andere pijpen werden gebruikt als afwatering bij stormweer. De Anspachfontein werd verplaatst naar het plein, vroeger het Koopliedendok, langs de Baksteenkaai.[32]

Waterzuivering[bewerken]

De zuivering van het Brusselse afvalwater werd pas bewerkstelligd in de 21ste eeuw bij de constructie van twee waterzuiveringstations. Het zuidelijke station — gelegen op de grens tussen Anderlecht en Vorst — werd in gebruik genomen in het jaar 2000 en zuivert het afvalwater van ongeveer 360.000 inwoners, ongeveer een derde van de totale bevolking van het Gewest.[4] Het noordelijke station opende in maart 2007 en ligt bij de Budabrug, tussen de Zenne en het Zeekanaal Brussel-Schelde.[33] Dit station, gefinancierd door het Brussels en het Vlaams Gewest,[34] heeft een zuiveringscapaciteit voor het water van 1.100.000 inwoners en zuivert drie vierde van het Brusselse afvalwater.[4] Het bedient het noordelijke bekken van de Zenne en het Woluwebekken, en zuivert naast dat van de Brusselse gemeentes ook het afvalwater van de Vlaams-Brabantse gemeentes Zaventem, Wezembeek-Oppem, Machelen, Kraainem, Dilbeek en delen van Asse.

Referenties[bewerken]

  1. De redactie testte La Grande Ecluse. Skynet.be (12 mei 2011) Geraadpleegd op 2012-02-4
  2. a b Demey, 48.
  3. a b c d e f g h i j k l m n o p q r s t u De Zenne - De centrale lanen. Stad Brussel (2012) Geraadpleegd op 2012-02-13
  4. a b c d Het waterzuiveringstation Brussel-Noord - Geschiedenis. Adquiris (2010) Geraadpleegd op 2012-02-14
  5. a b c d e f g h i j k l m (nl) Danmark. Rijksdienst voor Monumenten- en Landschapszorg, Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap.. Bouwen door de eeuwen heen: inventaris van het cultuurbezit in België: architectuur. Editions Mardaga (1977) Geraadpleegd op 2012-04-02
  6. TV Brussel. Verloren verleden: De Zenne. Brussel Deze Week (11 december 2006) Geraadpleegd op 2012-03-30
  7. Demey, 16.
  8. Demey, 43.
  9. Demey 47
  10. De Vries, 26.
  11. a b De Vries, 25.
  12. Deligne, 53.
  13. a b Demey, 49.
  14. Kaart van het plan-Suys. Brusselse Stadsarchieven: P.P. 1.169
  15. Deligne 55
  16. Demey, 52.
  17. Demey, 57.
  18. Demey, 51.
  19. Demey, 71.
  20. a b Demey, 61.
  21. Deligne, 5.
  22. Demey, 62.
  23. Demey, 59.
  24. a b c Demey, 65.
  25. Demey, 66.
  26. Demey, 67.
  27. Demey, 68.
  28. Demey, 82.
  29. (fr) Église de la Sainte Trinité. Église de la Sainte Trinité Geraadpleegd op 3 november 2007
  30. Demey, 84.
  31. Demey, 85.
  32. (fr) Les fontaines dans la région de Bruxelles-Capitale. eurobru.com (2007) Geraadpleegd op November 8, 2007
  33. (en) Brussels-North wastewater treatment plant. Aquiris (2007) Gearchiveerd van het origineel op May 19, 2007 Geraadpleegd op November 5, 2007
  34. archiveurl = Brussel eindelijk in orde met waterzuivering. brusselnieuws.be (2007) Gearchiveerd van het origineel op November 17, 2007 Geraadpleegd op November 5, 2007

Bibliografie[bewerken]

  • (fr) Demey, Thierry, Bruxelles, chronique d’une capitale en chantier, Paul Legrain/C.F.C.-Editions,, Brussels, 1990
  • (fr) Deligne, Chloé, Bruxelles sorite des eaux, Éditions Historia Bruxellae, Brussels, 2005 ISBN 2-9600373-1-6.
  • (en) De Vries, Andre, Brussels: A Cultural and Literary History, Signal, Oxford, 2003

Externe links[bewerken]