Overwelving van de Zenne

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
De aanvang van de werkzaamheden in 1867.
De afbraak van de oude wijken.
Bouw van de overwelving en de tunnels.

De overwelving van de Zenne was een belangrijke ontwikkeling in het stadslandschap van de Belgische hoofdstad Brussel. De rivier was eeuwenlang de vaarweg naar de stad, maar gaandeweg werd ze steeds minder bevaarbaar en met de aangroei van de bevolking en de ontplooiing van de industrie ook steeds meer vervuild. Tegen de tweede helft van de 19de eeuw bevatte ze zoveel afval en rottend organisch materiaal dat ze een serieuze bedreiging voor de volksgezondheid vormde. Daarnaast overstroomde de rivier regelmatig, en zette daarbij de benedenstad en de aangrenzende arbeiderswijken onder water.[1][2][3]

Meerdere oplossingen voor dit probleem werden naar voren geschoven, en in 1865 koos de toenmalige burgemeester van Brussel, Jules Anspach, voor een ontwerp van architect Léon Suys dat voorzag in de overwelving van de rivier over een lengte van ongeveer twee kilometer, de aanleg van een reeks brede lanen en de constructie van grote openbare gebouwen. Het project was controversieel en botste op sterke tegenkanting, vooral wegens zijn hoge kostprijs en de geplande onteigeningen en afbraak in de volkswijken. De werken werden initieel toegekend aan een Britse onderneming, maar na een verduisteringsschandaal keerde het beheer terug naar de stad. Met wat vertraging werden de werkzaamheden beëindigd in 1871. De tijdens de eerste fase van de overwelving (1867-1871) aangelegde boulevards, omzoomd met statige panden en publieke gebouwen, kenmerken ook vandaag nog de Brusselse binnenstad.[1][3]

De tweede fase (1931-1955) breidde de overwelving uit tot bijna de volledige loop door de Brusselse agglomeratie. De totale overwelving bereikte daardoor haar huidige lengte van ongeveer zes kilometer, van Anderlecht tot Laken. De rivier zelf werd verlegd tot buiten het centrum, langs de grote lanen rond de Vijfhoek.[1] In 1976 werden de ongebruikte tunnels omgebouwd tot de Noord-Zuidverbinding voor de Brusselse premetro. Pas sinds de ingebruikname van de nieuwe waterzuiveringsinstallatie van Brussel-Noord in 2007 wordt het meeste afvalwater van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest behandeld voor het wordt geloosd in de Zenne.[2]

De Zenne in de binnenstad[bewerken]

De loop van de Zenne in 1837 ten aanzien van het moderne stratenplan.

Loop[bewerken]

't Groot Spui hielp vroeger de waterstand van de Zenne te regelen en is tegenwoordig een restaurant.[4]

In het begin van de 19de eeuw was Brussel in meerdere opzichten nog een middeleeuwse stad. De verfranste bovenstad werd grotendeels bewoond door de maatschappelijke bovenlaag — de adel en de burgerij — en was moderner en schoner. De rest van de bevolking daarentegen woonde in de benedenstad, in het westen van de Vijfhoek, in dichtbevolkte geïndustrialiseerde wijken, gekenmerkt door een warrig stratenplan, kleine steegjes, en doodlopende, nauwe straatjes.[5]

Bij Anderlecht, stroomopwaarts van de binnenstad, splitste de Zenne zich in tweeën, en kwam dus de Vijfhoek — waar vroeger de tweede stadsomwalling stond — op twee plaatsen binnen. Voor de voornaamste, zuidelijke arm, was dit bij het Grote Spui, waar tegenwoordig de Zuidlaan en de Anspachlaan samenkomen, niet ver van het huidige Zuidstation. De kleinere, noordelijke arm — de Ransfortzenne — kwam binnen langs het Kleine Spui,[3] waar vandaag de Nijverheidskaai uitkomt op de Slachthuislaan, dichtbij de Ninoofsepoort. Beide armen volgden een meanderende loop door het stadscentrum. De zuidelijke arm volgde ongeveer het tracé van de huidige Lemonnierlaan en splitste zich ter hoogte van de Bogaardenstraat in tweeën waardoor het "Klein Eiland" ontstond (op de plaats van het huidige Fontainasplein). Waar nu Plattesteen uitgeeft op de Anspachlaan splitste de arm zich opnieuw waardoor het "Groot Eiland" of het Sint-Gorikseiland zich vormde. Hier bouwden de hertogen van Neder-Lotharingen in de 10de eeuw hun vesting waarrond later de stad zich zou ontwikkelen.[6] Ten westen van dit eiland kwamen de twee armen weer samen, om bij de Antwerpsepoort de Vijfhoek te verlaten. Een aangelegde zijtak — de Kleine Zenne — liep verder langs de voormalige gracht rond de Vijfhoek, buiten de sluizen. Het water volgde het Kanaal van Charleroi om ten noorden van de stad uit te monden in de Zenne zelf.

Overstromings- en gezondheidsproblemen[bewerken]

Kaart van Brussel-Stad in 1837, het noorden ligt rechts.
Vele onhygiënische en onveilige houten bouwsels hingen over het water in de benedenstad.[7]

Het Kanaal van Charleroi werd samen met andere, kleinere kanalen aangelegd om de functie van waterweg over te nemen van de Zenne. Deze rivier had een onregelmatig debiet, en overspoelde regelmatig haar oevers. Bij hevige regenval konden zelfs de sluizen de stand van de stroom niet aan, die veel water opving van de vele beekjes die erin uitmondden. Dit effect werd verergerd door de versmalling van de rivierbedding door de sterke bevolkingsdruk.[8] De pijlers van de vele bruggen en watermolens hinderden de doorstroming en veroorzaakten een verdere stijging van het waterpeil, verstrekt door de ophoping van afval in de bedding.[7]

Tijdens droge periodes daarentegen werd veel water uit de Zenne geleid om te voorzien in de noden van de bevolking en om het waterpeil van het Kanaal van Charleroi op peil te houden.[9] Daardoor verminderde het debiet zodanig dat het niet volstond om het vervuilde water te doen wegstromen, waardoor rioolslib en industrieel of huishoudelijk afval konden ophopen. Dit werd steeds erger door de economische ontwikkeling en de demografische groei van Brussel.[1] De Zenne, die in 1853 werd beschreven als "de meest misselijke kleine rivier in de wereld", was een openluchtriool geworden en verspreidde walgelijke geuren door de stad,[10] die men ervan verdacht een rol te spelen bij besmettelijke ziektes zoals de cholera.[1] Tijdens de eerste helft van de 19de eeuw kende Brussel meerdere droge periodes, verscheidene overstromingen, en een cholera-epidemie veroorzaakt door de vervuilde rivier, de armoede en het gebrek aan hygiëne en proper drinkwater in de benedenstad.[11] Dit zette het stadsbestuur en de provinciale overheid aan tot actie.[12]

Aanloop[bewerken]

Na de spectaculaire overstroming van 1836 werd een onderzoekscommissie belast met het zoeken naar een oplossing, maar de eerste studies en voorstellen om de rivier te zuiveren werden pas opgesteld in 1859, nadat het gebrek aan openbare hygiëne onhoudbaar begon te worden.[1] Een veertigtal ideeën om tegelijk de Zenne te saneren en overstromingen te voorkomen werden naar voren geschoven.[1] Sommige plannen voorzagen in de omleiding van grote hoeveelheden schoner water uit andere rivieren stroomopwaarts, om het vervuilde water van de Zenne te verdunnen en te doen doorstromen. Andere voorstellen voorzagen in een complete verlegging van de Zenne westwaarts naar de loop van de Kleine Zenne, die dan zou worden verbreed en zo kon dienen voor scheepvaart en watermolens. Nog andere plannen beschouwden om het even welke zuivering als onmogelijk, en stelden voor de rivier te overwelven zonder noemenswaardige wijzigingen aan te brengen in haar loop. Een van die plannen was een voorstel om de capaciteit van de ondergrondse afwatering te verdubbelen, om zo plaats te maken voor een ondergrondse spoorweg. Dit idee liep vooruit op zijn tijd, maar zou een eeuw later worden bewerkstelligd bij de aanleg van de Noord-Zuidverbinding.[13]

Het plan-Suys[bewerken]

De gemeenteraad koos voor een in 1865 ingediend ontwerp van architect Léon Suys, dat de steun genoot van de in 1863 aangetreden burgemeester Jules Anspach.[1][3] Het voorzag in de demping van de tweede arm van de Zenne door het Kleine Spui af te sluiten. De hoofdarm zou dan gekanaliseerd worden in een ondergrondse tunnel, waarboven een rechte, 30 meter brede boulevard zou worden aangelegd, lopend van het Grote Spui naar de Augustijnenkerk (op het huidige De Brouckèreplein) waar deze dan in tweeën zou splitsen. Een tak zou noordwaarts lopen naar het Noordstation en het huidige Rogierplein, de andere richting de Antwerpsepoort; daardoor zou het geheel dus een lange, smalle Y-vorm krijgen.[14][1][3]

Anspachs steun voor het plan-Suys was een doordachte beslissing, aangezien hij radicale plannen had om de stad om te vormen en het voorliggende project hem zou toelaten meerdere plannen tegelijk te realiseren. De verouderde, ongezonde en dichtbevolkte arme wijken vond men een hoofdstad onwaardig.[1] Anspach wilde de verarmde benedenstad een nieuwe bestemming geven voor het zakenleven en de handel.[3] Hij wilde de rijkere burgerbevolking, die de binnenstad had verlaten om zich in de betere wijken van de voorsteden te vestigen (zoals de Leopoldswijk en langs de Louizalaan), terug naar de stad lokken. Dit zou het negatieve effect op de stadskas van deze vlucht naar de voorsteden ongedaan maken.[15][3] De vervanging van de talrijke kleine en doodlopende steegjes in de binnenstad door grote, brede lanen, die de verbinding zouden vormen tussen de snel groeiende treinstations, vormde voor hem zowel een noodzaak om de verkeers- en hygiëneproblemen op te lossen als een kans om de stad te verfraaien, zoals Hausmann dat had gedaan in Parijs.[16][1][3]

Bezwaren en verzet[bewerken]

Jules Anspach en de Zenne, krantenkarikatuur uit 1868.

Het Belgisch Parlement had onlangs een wet goedgekeurd die de overheid toeliet privé-eigendommen te onteigenen in naam van het "algemeen belang". Omdat dit kon geschieden zelfs voor de finale plannen van een project waren goedgekeurd, kon meer land onteigend worden dan werkelijk vereist was;[17] dit liet het stadsbestuur toe grote stukken van de benedenstad af te breken. Met de meerwaarde die de stad voorzag te realiseren bij herverkoop van deze grond, die door grote, chique lanen zou worden doorkruist, hoopte de stad het project zelf te kunnen financieren.[18] De gedwongen verhuis van de verarmde bevolking naar de reeds dichtbevolkte voorsteden, en de sociale verdringing die de stad hierdoor zelf ondersteunde, waren geen bezwaar voor het stadsbestuur, aangezien de onteigende arbeiders weinig belastingen betaalden en dus ook geen stemrecht hadden.[19]

Zelfs na de officiële goedkeuring van het plan-Suys, kreeg Anspach nog te maken met sterke tegenkanting van ingenieurs die vonden dat de overwelving onverzoenbaar was met de Brusselse geologie, en die vreesden dat het project zou resulteren in een ophoping van gevaarlijke gassen en niet genoeg capaciteit had om bij hoogwater overstromingen te voorkomen.[13] Anderen verzetten zich tegen de plannen wegens de verhoging van de belastingen om het project te helpen financieren, de lage vergoeding voor de onteigeningen en het gebrek aan inspraak van de bevolking. In de pers werd Anspach verantwoordelijk gehouden voor de afbraak van de Brusselse oude stad, en er verschenen spotprenten over hem.[20]

Als liberaal vreesde Anspach voor de rigiditeit en zwakheid van de overheid en besteedde daarom de werken uit aan een Brits bedrijf, de Belgian Public Works Company,[1] dat speciaal werd opgericht voor het project.[21] Tijdens de uitvoering geraakte het bedrijf echter verwikkeld in een verduisteringsschandaal waarbij de zaakvoerder 2,5 miljoen frank zou proberen hebben stelen van het bedrijf.[11] De controle over de werken ging hierdoor terug naar de stad en hoewel hij aanbleef, verloor Anspach zwaar bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1869.[20]

De eerste overwelving (1867-1871)[bewerken]

De rivier werd tijdelijk omgeleid en een groot deel van het oude stadscentrum werd opengelegd.[1] Het te overwelven stuk rivier was ruim 2 kilometer lang. De overwelving bestond uit twee evenwijdige, 6 meter brede bakstenen steekboogkokers, met links en rechts een moerrioolpijp die elk het afvalwater van hun kant van de straat zou opnemen. Er lagen dwarspijpen om bij overvloedige regenval het water dat de collectoren niet konden opvangen, in de rivier de lozen.[22][1] De Ransfortzenne werd gedempt — waardoor het Kleine Spui (de noordersluis) in onbruik raakte — en meanders en aftakkingen werden dichtgegooid. Het debiet werd voortaan nog enkel geregeld door het Grote Spui (de zuidersluis).[3]

Het contract werd getekend op 15 juni 1866 en de onteigening van de eerste 1.100 huizen werd voltooid binnen de eerste paar maanden. De gigantische werken, waar duizenden arbeiders bij betrokken waren, begonnen op 13 februari 1867.[23] De uitvoering liep wat vertraging op door technische moeilijkheden te wijten aan de Brusselse geologie, maar deze waren niet zo erg als gevreesd voor de aanvang van het project. Ook het verduisteringsschandaal vertraagde de werken door de overgang van de werf van het Britse bedrijf naar de overheid. De bouwwerken waren klaar eind 1871 en werden officieel geopend door het stadsbestuur op 30 november dat jaar,[24] toen de Zenne na de opening van de nieuwe grote zuidelijke sluis door haar nieuwe bedding stroomde.[1]

De nieuwe centrale lanen[bewerken]

Het pand Hier ist in den kater en de kat, winnaar van de architectuurwedstrijd van 1876, door architect Henri Beyaert.
Tweede prijs, door Charles-Émile Janlet.
Vierde prijs, door Adolphe Vanderheggen.

Een reeks nieuwe lanen gecreëerd door het project werd geopend voor het verkeer tussen 1871 en 1873. Het betrof de Henegouwenlaan (nu de Maurice Lemonnierlaan), de Centrale Laan (nu de Anspachlaan), de Noordlaan (nu de Adolphe Maxlaan) en de Zennelaan (nu de Émile Jacqmainlaan).[24]

De opening van deze nieuwe verkeersaders vergemakkelijkte de toegang tot de benedenstad, die voorheen via de Zuidstraat, de Kleerkopersstraat en de Nieuwstraat liep, en gaf de opwaardering van de aangrenzende wijken een duw in de rug. Om deze heropleving te ondersteunen en investeringen aan te trekken werden enkele prestigieuze openbare gebouwen opgetrokken, waaronder de Beurs (1868-1873) met centrale inplanting op de vroegere Botermarkt, het Zuidpaleis (1875-1880), de Gemeenteschool nr. 13 (1877-1880) en de Centrale Hallen (1872-1874).[3] Die laatste vervingen de onhygiënische openluchtmarkten en waren een voorbeeld van metalen architectuur, maar werden afgebroken in 1958.[25] Een grote monumentale fontein, gepland op het Fontainasplein, werd geschrapt om budgettaire redenen.[24]

De bouw van privépanden langs de boulevards en in de omliggende straten begon pas later. De middenklasse bleef de nieuwe voorsteden verkiezen boven de dichtbevolkte binnenstad.[1] De hoge grondprijzen — waarop werd gerekend om de overwelving te financieren — en de hoge huurprijzen lagen buiten het bereik van de lagere sociale klassen. De vraag naar appartementen nam af naarmate de Brusselaars kozen voor eengezinswoningen. De woningen opgetrokken door investeerders kenden maar weinig aftrek.[26]

Om de perceelsverkoop te stimuleren en bouwheren aan te zetten kwaliteitsvolle gebouwen met aantrekkelijke gevels op te trekken, werd door het stadsbestuur in de jaren 1872-1876 met succes een architectuurwedstrijd opgezet[3] waarin twintig gebouwen, neergezet voor 1 januari 1876, prijzen zouden winnen. De hoofdprijs van 20.000 frank ging naar Henri Beyaert voor het pand "Hier ist in den kater en de kat" op de Noordlaan.[27] Desalniettemin duurde het nog 20 jaar, tot 1895, voor de lanen helemaal waren volgebouwd.

De voormalige Augustijnenkerk, gebouwd in de 17de eeuw in barokstijl, was het enige overblijvende deel van een klooster dat werd vernietigd in 1796 door Franse revolutionairen. Tussen 1815 en 1830 werd het gebruikt als protestantse kerk, later als concerthal, een beursgebouw, en als postkantoor.[28] In de plannen van Léon Suys zou de kerk worden vergroot en een brandpunt vormen voor de nieuwe boulevards.[3] De overwelvingswerkzaamheden omsingelden bijna volledig de kerk, maar met de nodige moeite en fondsen werd het gebouw gespaard.[1] Desondanks werd de kerk in 1893 afgebroken om plaats te ruimen voor het de Brouckèreplein[3] en vervangen door een fontein ter nagedachtenis van Jules Anspach. De gevel werd zorgvuldig afgebroken en heropgebouwd als façade voor de Heilige Drievuldigheidskerk in de voorstad Elsene.[29]

De tweede overwelving (1931-1955)[bewerken]

De Zenne bij het buitenlopen van het noordelijke waterzuiveringstation.

Hoewel de overwelving van de Zenne erin slaagde de problemen voor de volksgezondheid en het overstromingsgevaar in Brussel-Stad te verhelpen, was dit niet het geval voor de rest van de agglomeratie.[1] De Zenne werd nog steeds zwaar vervuild, ondanks de aanleg van rioleringen en afwatering naar het Kanaal van Charleroi. De twee overlopen, die werden geïnstalleerd om bij hoogwater water van de rivier in het kanaal te lozen, konden de overstromingen die op regelmatige basis de voorsteden bleven treffen niet voorkomen.[30][1]

In 1930 werd een vereniging opgericht die ervoor ijverde de volledige loop van de Zenne doorheen de agglomeratie te overwelven om zo de voorsteden te laten meegenieten van de voordelen die deze ingreep had gebracht aan de binnenstad. Van het centrum werd de loop van de rivier verlegd van de centrale lanen naar de perifere boulevards van de Kleine Ring. De overwelving werd uitgebreid zowel stroomopwaarts (tot aan de Veeartsenstraat in de Anderlechtse wijk Kuregem) als stroomafwaarts (naar de Werkhuizenkaai in Laken) en deze nieuwe dubbele overwelving was breder en van gewapend beton.[1] Deze werkzaamheden, vertraagd door de Tweede Wereldoorlog en de aanleg van de Noord-Zuidverbinding, werden voltooid in 1955.[31][1]

De in onbruik geraakte tunnels onder de centrale boulevards vergemakkelijkten de latere aanleg van de Noord-Zuidverbinding van de premetro, die werd geopend in 1976. De herbestemming van de bestaande tunnels tot metrotunnels beperkte de impact van de werken bovengronds. Andere pijpen werden gebruikt als afwatering bij stormweer. De Anspachfontein werd verplaatst naar het plein, vroeger het Koopliedendok, langs de Baksteenkaai.[32]

Waterzuivering[bewerken]

De zuivering van het Brusselse afvalwater werd pas bewerkstelligd in de 21ste eeuw bij de constructie van twee waterzuiveringstations. Het zuidelijke station — gelegen op de grens tussen Anderlecht en Vorst — werd in gebruik genomen in het jaar 2000 en zuivert het afvalwater van ongeveer 360.000 inwoners, ongeveer een derde van de totale bevolking van het Gewest.[2] Het noordelijke station opende in maart 2007 en ligt bij de Budabrug, tussen de Zenne en het Zeekanaal Brussel-Schelde.[33] Dit station, gefinancierd door het Brussels en het Vlaams Gewest,[34] heeft een zuiveringscapaciteit voor het water van 1.100.000 inwoners en zuivert drie vierde van het Brusselse afvalwater.[2] Het bedient het noordelijke bekken van de Zenne en het Woluwebekken, en zuivert naast dat van de Brusselse gemeentes ook het afvalwater van de Vlaams-Brabantse gemeentes Zaventem, Wezembeek-Oppem, Machelen, Kraainem, Dilbeek en delen van Asse.

Referenties[bewerken]

  1. a b c d e f g h i j k l m n o p q r s t u De Zenne - De centrale lanen. Stad Brussel (2012) Geraadpleegd op 2012-02-13
  2. a b c d Het waterzuiveringstation Brussel-Noord - Geschiedenis. Adquiris (2010) Geraadpleegd op 2012-02-14
  3. a b c d e f g h i j k l m (nl) Danmark. Rijksdienst voor Monumenten- en Landschapszorg, Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap.. Bouwen door de eeuwen heen: inventaris van het cultuurbezit in België: architectuur. Editions Mardaga (1977) Geraadpleegd op 2012-04-02
  4. De redactie testte La Grande Ecluse. Skynet.be (12 mei 2011) Geraadpleegd op 2012-02-4
  5. Demey, 16.
  6. TV Brussel. Verloren verleden: De Zenne. Brussel Deze Week (11 december 2006) Geraadpleegd op 2012-03-30
  7. a b Demey, 48.
  8. Demey, 43.
  9. Demey 47
  10. De Vries, 26.
  11. a b De Vries, 25.
  12. Deligne, 53.
  13. a b Demey, 49.
  14. Kaart van het plan-Suys. Brusselse Stadsarchieven: P.P. 1.169
  15. Deligne 55
  16. Demey, 52.
  17. Demey, 57.
  18. Demey, 51.
  19. Demey, 71.
  20. a b Demey, 61.
  21. Deligne, 5.
  22. Demey, 62.
  23. Demey, 59.
  24. a b c Demey, 65.
  25. Demey, 66.
  26. Demey, 67.
  27. Demey, 68.
  28. Demey, 82.
  29. (fr) Église de la Sainte Trinité. Église de la Sainte Trinité Geraadpleegd op 3 november 2007
  30. Demey, 84.
  31. Demey, 85.
  32. (fr) Les fontaines dans la région de Bruxelles-Capitale. eurobru.com (2007) Geraadpleegd op November 8, 2007
  33. (en) Brussels-North wastewater treatment plant. Aquiris (2007) Gearchiveerd van het origineel op May 19, 2007 Geraadpleegd op November 5, 2007
  34. archiveurl = Brussel eindelijk in orde met waterzuivering. brusselnieuws.be (2007) Gearchiveerd van het origineel op November 17, 2007 Geraadpleegd op November 5, 2007

Bibliografie[bewerken]

  • (fr) Demey, Thierry, Bruxelles, chronique d’une capitale en chantier, Paul Legrain/C.F.C.-Editions,, Brussels, 1990
  • (fr) Deligne, Chloé, Bruxelles sorite des eaux, Éditions Historia Bruxellae, Brussels, 2005 ISBN 2-9600373-1-6.
  • (en) De Vries, Andre, Brussels: A Cultural and Literary History, Signal, Oxford, 2003

Externe links[bewerken]