Paviljoen Welgelegen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
De vergaderzaal van het Provinciehuis.

Paviljoen Welgelegen aan de Haarlemmerhout te Haarlem is het huidige provinciehuis van Noord-Holland. Het behoort tot de Top 100 van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg.

Bouw[bewerken]

Het in Lodewijk XVI-stijl gebouwde landhuis werd misschien ontworpen door de architecten Dubois uit Dendermonde en Michel de Triquetti, maar ook de naam van Abraham van der Hart wordt genoemd, in opdracht van de rijke Amerikaans/Amsterdamse bankier Henry Hope. Voordat Landhuis Welgelegen gebouwd werd, stond er op dezelfde plek een kleiner pand met de naam Hofstede Welgelegen. Dit pand ging in opdracht van Hope tegen de vlakte, met het voornemen een statig pand te doen verrijzen. De bouw startte in 1785 en werd in 1789 voltooid. De architecten werden mogelijk geïnspireerd door het Hôtel de Salm in Parijs, gebouwd in opdracht voor de Rijngraaf Van Salm. Henry Hope gebruikte het pand vooral om zijn kunstcollectie ten toon te spreiden - het interieur van Landhuis Welgelegen herinnert nog aan deze functie. Ook zijn op de binnenplaats van het Landhuis nog enige beelden te vinden. In 1794 verliet de koningsgezinde Hope Welgelegen richting Engeland. Hij was op de vlucht voor de Franse troepen onder leiding van Pichegru.

Welgelegen rond 1810

Franse tijd[bewerken]

Napoleon Bonaparte benoemde na zijn overwinning broer Lodewijk Napoleon tot koning van Nederland. Lodewijk vestigde zich in Haarlem en Utrecht. Op 20 augustus 1808 kocht hij Welgelegen dat hij van Landhuis omdoopte in Paviljoen Welgelegen. Zo heet het vandaag de dag nog steeds. Het gebouw werd bestempeld voor de kunstcollectie van levende meesters.[1] Het is niet duidelijk of Lodewijk er tot 1810 is blijven wonen, het jaar dat hij afstand deed van de troon. Het pand werd eigendom van de 'Kroon van Frankrijk'. In 1814 - na het vertrek van de Fransen - kwam het pand in handen van het Koninkrijk der Nederlanden.

Musea[bewerken]

Vanaf 1814 tot haar dood in 1820 werd het huis bewoond door prinses Wilhelmina van Pruisen. Omdat het pand nogal wat gebreken vertoonde en duur was in onderhoud, wilde de Staat het pand eigenlijk afstoten. Koning Willem I besloot echter anders en gaf het pand een museale functie. Van 1827 tot 1885 was in Welgelegen het Museum van Levende Nederlandsche Meesters gevestigd waarvan de collectie uit het Trippenhuis werd tentoongesteld en daarna is ondergebracht bij het net geopende Rijksmuseum. De eerste directeuren waren Johan Steengracht van Oostcapelle en Cornelis Apostool. Andere musea die in het Paviljoen waren gevestigd: het Geologisch Museum (1853-1864), het Koloniaal Museum (1871-1923), het Museum voor Kunstnijverheid (1877-1926) en het Fotografisch Museum (1913-ca.1918).

In 1881 vestigde zich de Maatschappij ter bevordering van Nijverheid en Handel zich in het pand. In het koetshuis bevond zich vanaf 1880 tot 1928 de School voor Bouwkunde, Versierende Kunsten en Kunstambachten.

Hedendaagse uiterlijk van Paviljoen Welgelegen

Provinciehuis[bewerken]

Het Paviljoen kwam op 17 juni 1930 in handen van de Provinciale Staten van Noord-Holland. In 1942 werden de historische vertrekken van het huis gesloten voor het publiek en sindsdien doet het huis 'alleen' nog dienst als Provinciehuis. Het voormalig koetshuis is gesloopt, hier kwam in de jaren 50 de nieuwbouw van het provinciehuis. De nieuwe vleugel - die wel enigszins afbreuk doet aan het historisch karakter van het gebouw - is te vinden aan de westkant van het provinciehuis. Voor het overige is de provincie respectvol omgegaan met het pand, de enige drastische wijziging onderging de voormalige muziekkamer - deze veranderde van vorm en is nu ovaal. In de voormalige muziekkamer vergaderen Gedeputeerde Staten.

Tuin[bewerken]

Van de twaalf 18e-eeuwse loden beelden die voor de tuin werden gemaakt door de Romeinse beeldhouwer Francesco Righetti (1749-1819), zijn er nog zeven over. Zij stellen voor: Amor, Apollo, Mercurius, Euterpe, Ganymedes met adelaar, Bacchus en Amphelos (een satyr). Het zevende kunstwerk is een beeldengroep die de Laocoön groep voorstelt, een kopie van het marmeren beeld dat in de Vaticaanse Musea te Rome staat. In 2005 hebben Gedeputeerde Staten besloten ze aan het Rijksmuseum te schenken, omdat ze in slechte staat verkeren en niet langer in de open lucht mogen staan. Het Rijksmuseum zal ze restaureren en na de voltooiing van de verbouwing in het Atrium zetten. In de tuin van Welgelegen komen kopieën te staan.

Monument in de tuin van het provinciehuis Noord-Holland

In de tuin staat ook een monument ter herdenking van de Dakotaramp op 25 september 1996. Alle 32 inzitten, medewerkers van de provincie, kwamen hierbij om het leven.

Literatuur[bewerken]

  • F.W.A. Beelaerts van Blokland [et al.]: Paviljoen Welgelegen 1789-1989. Van buitenplaats van de bankier Hope tot zetel van de provincie Noord-Holland. Schuyt, Haarlem, 1989. ISBN 90-6097-249-X
Bronnen, noten en/of referenties
  1. Lunsingh Scheurleer, Th.H. (1958) Geboorte en jeugdjaren van het Rijksmuseum, p. 19.