Thomas Merton

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Mee bezig Mee bezig
Aan dit artikel of deze sectie wordt de komende uren of dagen nog druk gewerkt.
Klik op geschiedenis voor de laatste ontwikkelingen.
Thomas Merton
Afbeelding gewenst
Algemene informatie
Volledige naam Thomas Feverel Merton
Geboren 31 januari 1915, Prades (Pyrénées-Orientales), Frankrijk
Overleden 10 december 1968, Bangkok, Thailand
Land Verenigde staten
Werk
Genre Religieuze boeken, biografieën, poëzie, essays, dagboeken, romans
Bekende werken Louteringsberg
Dbnl-profiel
Website
Portaal  Portaalicoon   Literatuur
Bord ter herdenking van Thomas Merton in Louisville (Kentucky)
"Thomas Merton Square" en bord in Louisville (Kentucky)

Thomas Merton, O.C.S.O. (Prades, Frankrijk, 31 januari 1915 - Bangkok, Thailand, 10 december 1968) was een belangrijk Amerikaans katholiek theoloog, dichter, auteur en sociaal activist. Hij was trappist en monnik in de Abbey of Our Lady of Gethsemani (abdij van Onze-Lieve-Vrouw van Gethsemani) bij Bardstown in Kentucky. Als voorstander van de oecumene trad hij in dialoog met vooraanstaande vertegenwoordigers van andere religies. Thomas Merton is ook een belangrijke hedendaagse mysticus.

Biografie[bewerken]

Jeugd[bewerken]

Thomas Merton (voluit Thomas Feverel Merton) werd op 31 januari 1915 geboren in het Franse Prades. Zijn vader, Owen Merton (1887 - 1931), was afkomstig van Nieuw-Zeeland en had de Britse nationaliteit. Hij was kunstenaar, maar verdiende bij als tuinier en organist.[1] Owen Merton had een Anglicaanse achtergrond en waarschijnlijk werd Thomas Merton daarom ook gedoopt in de Anglicaanse Kerk. Zijn moeder, Ruth Jenkins (1887 - 1921), was een Amerikaanse kunstenares met een Quaker-achtergrond. Omwille van de Eerste Wereldoorlog verhuisde de familie naar de Verenigde Staten toen Thomas Merton nog maar een jaar was. In 1918 werd daar zijn enige broer John Paul Merton geboren. Enkele jaren later werd bij moeder Ruth Jenkins kanker vastgesteld. Zij stierf reeds op 3 oktober 1921; Thomas was slechts zes jaar. De familie verbleef toen een tijd bij de ouders van moeder Ruth Jenkins. Tegelijk begon een periode van regelmatig verhuizen. In 1922 vertrok vader Owen Merton naar Bermuda om te gaan schilderen. Thomas ging mee, terwijl zijn broer John Paul bij de grootouders bleef. Aan het einde van de zomer van 1923 ging Owen Merton een tijdje naar New York voor een tentoonstelling. Thomas bleef op Bermuda bij vrienden van zijn vader. Later in 1923 keerde hij terug naar zijn grootouders in de Verenigde Staten. Zijn vader ging dan op zeilreis naar Frankrijk. In 1925 kwam hij Thomas ophalen om samen (zonder John Paul) in Saint-Antonin-Noble-Val (Frankrijk) te gaan wonen. Vanaf 1926 ging hij er naar school in Montauban. Dit was een bijzonder donkere periode in zijn leven: als vreemdeling werd hij er zwaar gepest.[2] Nadien vond hij er wel enkele vrienden die net als hij intellectueel-creatieve interesses hadden. Zijn vader bleef intussen regelmatig verder reizen. In 1928 verhuisden ze plots naar Groot-Brittannië (Ealing in Londen), waar Merton dan verder naar school ging. Hier beleefde hij een zeer aangename tijd en kreeg er goede vrienden. In 1929 werd bij zijn vader een hersentumor ontdekt. Hij stierf op 18 januari 1931. Thomas Merton bleef alleen in Groot-Brittannië wonen en studeren. Tussendoor maakte hij op zijn eentje verschillende reizen: Italië, Duitsland, New York, Frankrijk. Zijn Amerikaanse grootouders bekostigden alles. Tom Bennett, een vriend van zijn vader, werd voogd van Thomas Merton.

Zijn jeugd werd dus gekenmerkt door een vroeg verlies van zijn ouders en een grotendeels los van zijn broer opgegroeid zijn, veelvuldig verhuizen en veel reizen, een vader die regelmatig langdurig afwezig was en wisselende figuren die zijn opvoeding op zich namen. Dit alles maakte dat hij betrekkelijk vrij was in zijn doen en laten en soms zelfs wat aan zijn lot overgelaten.

Jongvolwassenheid: studies en lekenjaren[bewerken]

Op zijn 18e jaar ging hij naar de Universiteit van Cambridge (eind 1933). Daar begon een leven van plezier: veel uitgaan, roken, cafés, alcohol (hij was veel dronken) en kleren kopen. Hij had een eigen appartement en ontving er regelmatig meisjes. In 1934 liep het mis: een meisje werd zwanger van hem. Een wettelijke regeling werd getroffen door Tom Bennett, zodat er geen rechtszaak van kwam.[3] Dit voorval werd lange tijd geheim gehouden en wordt ook niet vermeld in de autobiografie van Merton over deze periode: Louteringsberg. Wie het meisje was en wat er van het kind terechtkwam, is onbekend. Merton slaagde met moeite voor zijn eerste jaar aan de universiteit. Onmiddellijk hierna verhuisde hij naar de Verenigde Staten om daar een betere herstart te maken.

In januari 1935 zette hij er zijn studies verder aan de Columbia-universiteit te New York. Daar voelde hij zich snel thuis en werd sterk geïnteresseerd in de 18e-eeuwse literatuur. Dit vak werd gegeven door de jonge professor en schrijver-dichter Mark Van Doren. Dit werd een levenslange vriend van Merton. In deze periode leerde hij een aantal andere levenslange vrienden kennen met gelijkaardige interesses in literatuur en filosofie: Robert Giroux, die een belangrijk uitgever werd, Seymour Freedgood, Robert Lax, een dichter, Ed Rice, tekenaar en latere biograaf van Merton, Bob Gibney en Bob Gerdy. Hij hield ervan met hen te discussiëren. Merton begon er te schrijven, tekenen en sporten (veldlopen). Tegelijk ging Merton verder met zijn meer liederlijke leven: hij ontdekte de jazzmuziek en -clubs (de interesse voor jazz zou hij heel zijn leven behouden), bleef zwaar roken, drinken en uitgaan. Anderzijds zocht hij voor het eerst betaalde baantjes. In 1935 nam hij - in lijn met de heersende tijdsgeest - eenmalig deel aan een bijeenkomst van de Young Communist League onder de schuilnaam "Frank Swift".

In 1936 stierf zijn grootvader van moeders zijde en een jaar later, in 1937, zijn grootmoeder. Thomas Merton stortte zich terug op activiteiten, maar werd ziek: oververmoeidheid. Rond deze periode begon hij religieuze werken te lezen en te bidden. Met zijn vrienden besprak hij het thema religie regelmatig. In de zomer van 1938 ging hij voor het eerst naar een katholieke mis in de Corpus Christi Kerk in New York. Reeds enkele maanden later, op 16 november 1938, liet hij er zich dopen. In deze periode werd hij levenslang bevriend met Dan Walsh, een professor godsdienst. Zijn bekering was enerzijds het gevolg van een intellectuele en morele ontwikkeling, maar anderzijds ook van religieuze ervaringen die hij had.

Op 22 februari 1939 studeerde hij af: hij behaalde de graad van Master of Arts in Engelse literatuur. Zijn masterscriptie ging over William Blake. Merton had overigens een bijzondere talenkennis: hij kende degelijk Engels, Frans, Italiaans, Spaans en Latijn, aangevuld met basiskennis Grieks, Duits en Portugees.

Religieuze leven[bewerken]

Eerste zoektocht[bewerken]

In de overgangsperiode na zijn doopsel veranderde Merton zijn leven grondig. Hij had het gevoel een roeping te hebben (had voordien de ervaring naar de mis getrokken te zijn: "Go to Mass! Go to Mass!") en in het najaar van 1939 besloot hij priester te worden. Hij ging zich actief inzetten voor sociale activiteiten, met name de armenzorg. Hij begon eveneens zeer veel te schrijven en werkte zijn eerste romans af. Spoedig groeide de zin om in te treden in een orde. Zich hierop voorbereidend stopte hij met roken en verminderde sterk met alcohol en uitgaan. Vanaf dan ging hij dagelijks naar de mis.

In oktober 1939 stelde Dan Walsh hem voor bij de franciscanen van New York, waar hij hartelijk werd ontvangen. Slechts eenmaal per jaar namen deze novicen aan. Merton mocht in augustus 1940 terugkomen. Enkele maanden voor zijn intrede biechtte hij in een gesprek zijn vroegere leven op: drank, geld uitgeven, relaties en een buitenechtelijk kind. Hierna werd hij dringend verzocht zijn kandidatuur terug in te trekken. Ondanks deze zware ontgoocheling sloot hij zich aan bij de franciscaanse Derde Orde in het Sint-Bonaventura College, waar hij ook werd aangesteld om Engels te doceren. Vanaf dan droeg hij een scapulier en zei dagelijks het getijdengebed.

In 1941 werd Merton opgeroepen voor een medische keuring voor militaire dienst: hij werd afgekeurd wegens slechte tanden. Zijn vriend Dan Walsh deed jaarlijks een retraite in de trappistenabdij van Gethsemani. Hierdoor geïnspireerd deed Merton er een eerste retraite tijdens de Goede Week tot Pasen. Deze retraite trof hem erg en zette hem verder aan het denken. Hij werd sterk aangetrokken door het trappistenleven, maar vreesde een nieuwe afwijzing. Dezelfde zomer deed hij nog een retraite in een andere trappistenabdij (Our Lady of the Valley in Rhode Island). In de herfst schreef hij een brief naar de abt van Gethsemani met de vraag of hij er terug een retraite kon doen. In deze brief liet hij doorschemeren dat hij eigenlijk als postulant wilde komen. Snel volgde de bevestiging dat hij welkom was rond de Kersttijd. Even later werd hij opgeroepen voor een nieuwe medische keuring voor militaire dienst: er werden strengere afkeuringsvoorwaarden ingevoerd. Hij vroeg schriftelijk om uitstel omdat hij in het klooster zou treden en verkreeg dit ook.

Abdij van Gethsemani: kerk en kerkhof

Intrede[bewerken]

Op 10 december 1941 kwam Thomas Merton aan in de abdij van Gethsemani en drie dagen later werd hij aanvaard als postulant. Hij vertelde heel zijn levensverhaal (inclusief zijn relatie in Cambridge) open aan de novicenmeester, die het besprak met abt Frederic Dunne. Zij maakten er geen probleem van en aanvaardden hem zonder restricties. Hij kreeg de kloosternaam broeder Louis.

In het klooster bleef Merton verder schrijven (gedichten, ...) en werd er zelfs toe aangemoedigd door zijn oversten. Op hun verzoek schreef hij onder meer verschillende biografieën van vroegere cisterciënzers.

De abdij van Gethsemani werd gesticht in 1848 door Franse monniken. Abt Frederic Dunne (°1893) was de eerste in Amerika geboren monnik van de abdij. Vanuit Gethsemani werden verschillende andere kloosters gesticht. Het leven was er vrij strikt en het eten vegetarisch (behalve voor ouderen en zieken). Communicatie gebeurde met handgebaren.

Op 16 april 1943 stierf zijn broer John Paul Merton.[4] Hij was piloot bij de Koninklijke Canadese luchtmacht en was neergestort boven de Noordzee. Thomas Merton schreef er het gedicht over For my brother: reported missing in action, 1943.[5] Vele jaren later maakte Joan Baez er een lied van: The bells of Gethsemani.[6]

Eerste periode: jaren 1940[bewerken]

Op 19 maart 1944 legde Merton zijn tijdelijke geloften af en op 19 maart 1947 zijn eeuwige geloften. Op 26 mei 1949 werd hij tot priester gewijd. Vanaf dan werd hij father Louis genoemd. In de abdij volgde Merton de vaste cyclus van de officies, werken, meditatie en gebed. Bijkomend gaf hij les en was hij deels vrijgesteld om te schrijven. Door deze drukke agenda raakte hij soms oververmoeid. Toch was deze eerste periode voor hem een soort thuiskomen. Hij had zijn plaats gevonden als traditionele monnik, was er welkom en werd zelfs gestimuleerd in zijn schrijven. Eind jaren 1940 verschenen zijn eerste publicaties. Zijn boeken zorgden voor zeer belangrijke inkomsten voor de abdij.

In 1948 stierf abt Frederic Dunne, die Merton steeds bijzonder had gesteund. Zijn opvolger was abt James Fox. Deze zou heel wat terughoudender zijn naar Merton.

In 1951 werd Thomas Merton aangesteld als Master of Scholastics (hoofdbegeleider van de priesterstudenten). Eveneens in 1951 kreeg hij de Amerikaanse nationaliteit.

Het leven van Merton tot deze fase wordt soms vergeleken met dat van Augustinus.[7] Beiden hadden sterke moeders en vrij afwezige vaders. Merton verloor zijn moeder weliswaar vroeg, Augustinus zijn vader. Ze gingen naar goede scholen, maar leden in hun jeugd een liederlijk leven en worstelden met intellectuele demonen. Beiden kregen een kind en hadden nood aan morele orde. Na de periode van vleselijke verleidingen volgde een radicale bekering. Ze schreven beiden een autobiografie die eindigt met het begin van hun kerkelijk leven (voor Augustinus waren dat de Confessiones, voor Merton de Louteringsberg), maar ook daarnaast schreven ze nog zeer veel andere werken. Mystieke elementen typeren het leven en werk van beiden.

Verdere evolutie vanaf de jaren 1950[bewerken]

Jaren 1950[bewerken]

Na deze eerste periode van zich invoegen en tot rust komen, keerde in de jaren 1950 een zekere rusteloosheid terug. Hij was beroemd geworden en werd zeer veel gevraagd om artikels te schrijven, commentaren of om handtekeningen te zetten. Dagelijks ontving hij vele brieven van bewonderaars. Merton dacht er meermaals aan over te gaan naar de strengere kartuizers of camaldulenzers omdat het trappistenleven te druk was en te weinig ruimte liet voor eenzame contemplatie. Zijn abt wist hem echter steeds te overtuigen om te blijven. Tevens groeide zijn interesse voor andere religies, waaronder oosterse - vooral het boeddhisme - en mystiek. Heel wat langdurige correspondentie startte in deze periode (zie verder onder "correspondentie").

De drukte in de abdij werd veroorzaakt door verschillende factoren. Er waren de vele bezoekers die Merton wilden zien of spreken. De abdij op zich was ook overbevolkt: begin jaren 1950 waren er meer dan 200 religieuzen. De toestroom kwam er deels door het einde van de Tweede Wereldoorlog, maar ironisch genoeg ook door de bekendheid van Merton, wiens geschriften zeer inspirerend werkten. Om genoeg inkomsten te hebben voor al die bewoners, investeerde abt James Fox in landbouwmachines en de productie en verkoop van kaas. De machines zorgden voor veel lawaai, waarin Merton zich ergerde, zoals hij regelmatig schreef in zijn dagboeken. Hij ergerde zich overigens in meerdere zaken, ook in de kaasproductie. Hij maakte er een gewoonte van "cheese" te schrijven als "chee$e" en aan vrienden vertelde hij weleens dat de afkorting van zijn orde, O.C.S.O., staat voor "Our Cheese Surpasses Others".[8] Hoewel Merton zich soms weinig gesteund voelde door abt James Fox en zich er negatief over uitliet in zijn dagboeken, had de abt toch heel wat respect voor Merton. Zo biechtte de abt regelmatig bij Merton. En reeds vanaf 1952 mocht Merton gebruik maken van een klein gebouwtje in het bos van de abdij om er te bidden en in stilte te zijn. Merton noemde dit gebouwtje "Saint Anne's".[9] Het was zijn eerste kluis. Naast bidden, denken en schrijven deed hij er veel natuurobservaties. In een aantal zaken bleef Merton erg dubbel: zo streefde hij enerzijds constant naar meer afzondering, maar anderzijds klaagde hij erg over het feit dat hij geen toestemming kreeg om te reizen naar allerlei bijeenkomsten.

In 1955 werd Thomas Merton op eigen verzoek benoemd tot novicenmeester in de abdij.

Vanaf de tweede helft van de jaren 1950 ging Merton zich ook volop bezighouden met grote sociale problemen in de wereld: oorlog, racisme, armoede, ... Tegen de heersende katholieke opinie in begon hij zeer sociaal geëngageerd te schrijven. De maatschappelijke evoluties kon hij echter slechts onrechtstreeks volgen: in de abdij waren geen TV, geen radio, kranten of tijdschriften. Begin jaren 1960 werd hij bevriend met zuster Mary Luke Tobin, die actief was in de vredesbeweging en had nauwe contacten met Dorothy Day, eveneens voortrekster van de katholieke vredesbeweging. Merton werd soms bestempeld als communist (hoewel hij schreef tegen het marxisme). Nog meer dan voorheen werden zijn werken gecensureerd en van zijn oversten kreeg hij een verbod om nog te schrijven over oorlog en vrede. Tegelijk dacht hij steeds meer na over Gods genade voor niet-christenen en ongelovigen en over de diepere betekenis van het monasticisme. Dit uitte zich in zijn dagboeken en in de uitgebreide correspondentie over deze thema's.

Leven in afzondering stond voor Merton niet gelijk met eenzaamheid, vluchten van de wereld, individualisme of egocentrisme. Het is een zoeken naar God, in combinatie met een bezorgdheid voor de wereld; in afzondering kan men zich in liefde en vrijheid naar de ander keren.

Doorheen deze woelige periode bleef hij novicenmeester. Vanuit deze functie begeleidde hij onder meer Ernesto Cardenal. Via Cardenal werd Merton geïnteresseerd in Centraal- en Zuid-Amerikaanse poëzie en cultuurkritiek. Hij vertaalde heel wat Latijns-Amerikaanse poëzie en nam contact met de schrijvers. Zijn interesse ging nog verder: Merton dacht er ernstig aan om naar Latijns-Amerika te trekken en daar een primitief klooster op te richten. Hij schreef er zelfs voor naar Rome, maar kreeg geen toestemming.

In dezelfde periode las Merton de Franse existentialisten en bestudeerde grondig Albert Camus. Eind jaren 1950 kwam er meer algemeen oecumenische openheid. Merton ontving dan ook regelmatig niet-katholieke bezoekers.

Jaren 1960[bewerken]

In 1960 werd op een kleine mijl van de abdij een nieuw gebouwtje opgericht om te vergaderen: Mount Olivet. Thomas Merton mocht dit verder gebruiken om te lezen en schrijven. Hij noemde het gebouwtje "Our Lady of Mount Carmel" (of "Saint Mary of Carmel"). Het was groter dan het oudere Saint Anne's. Meer en meer werd het zijn nieuwe kluis, waarin hij uiteindelijk af en toe ook mocht slapen.

Gedurende heel deze periode mocht Merton de abdij nauwelijks verlaten. Zijn hele ontwikkeling en engagement berustte op gesprekken met (zeer veel) bezoekers, literatuur en correspondentie. In 1964 mocht hij de bekende Japanse boeddhist D. T. Suzuki, met wie hij reeds lang correspondeerde, bezoeken in New York. Hij had er twee uitgebreide gesprekken mee. Later dat jaar kreeg hij van Aziatische monniken een uitnodiging om een zenklooster te bezoeken in Japan. Hiervoor kreeg hij echter geen toestemming van zijn oversten.

In augustus 1965 legde Merton zijn functie van novicenmeester neer. Hij kreeg toestemming om permanent in de kluis te verblijven. Hij was de eerste Amerikaanse trappist die hiervoor toestemming kreeg; in Europa waren er nog trappisten die dit deden. Sinds Merton ermee begon, leefden er steeds een of enkele kluizenaars op de gronden van de abdij van Gethsemani, ook in de 21e eeuw. In zijn kluis kon hij de door hem zeer gewaardeerde rust vinden. Tegelijk onderhield hij er zijn contacten en interesses. Eén van die sterk aanwezige interesses bleef muziek (jazz, ...). Merton speelde er ook bongo's.[10]

Hoewel 1966 het eerste jaar was dat Merton in principe grotendeels in zijn kluis kon doorbrengen, werd het emotioneel een bijzonder woelig jaar. In de lente van dat jaar werd hij met rugklachten opgenomen in een ziekenhuis in Louisville. Daar werd hij verliefd op een bijna 30 jaar jongere studente verpleegkunde.[11][12] De aantrekking was wederzijds. Gedurende meerdere maanden hadden ze een intense, clandestiene relatie die doorliep lang nadat Merton reeds weg was uit het ziekenhuis. Ze ontmoetten elkaar in restaurants, parken, het bureel van een vriend enz. Merton woonde intussen in zijn kluis en las werken over mystiek. Na de zomer van 1966 stopte de relatie omdat de studente - "M" genoemd in de dagboeken van Merton - na het beëindigen van haar studies terug naar haar thuis in Ohio vertrok. Ze bleven elkaar nog wel een tijdlang telefoneren. Abt James Fox werd op de hoogte gebracht van de relatie door een monnik die een telefoongesprek had gehoord. Merton schreef over de relatie in zijn dagboek (Learning to love) en vernietigde dit bewust niet. Hij schreef er ook 18 sentimentele gedichten over. De identiteit van de studente werd op haar verzoek nooit bekendgemaakt. Wel werd ze later geïnterviewd over de relatie.

In 1967 kondigde abt James Fox aan dat hij zou terugtreden (hij trok zich terug om zelf elders een kluis te betrekken). Begin 1968 werd Flavian Burns zijn opvolger. Deze was een voormalig student van Merton en veel meer breeddenkend dan zijn voorganger. Reeds snel vroeg en kreeg Merton toestemming om eind 1968 naar een internationale conferentie van monastieke leiders te gaan in Bangkok. Voorafgaand mocht hij eveneens India bezoeken. Abt Flavian stelde zelfs voor dat Merton vroeger dat jaar ook reeds een reis zou maken om te zoeken naar mogelijke vestigingsplaatsen voor nieuwe trappistenkloosters.

Graf van Thomas Merton

Laatste reis en overlijden[bewerken]

In september 1968 vertrok Merton op rondreis. Vanaf oktober bezocht hij verschillende boeddhistische en hindoeïstische kloosters en leiders in India. Op 4 november 1968 had hij een eerste ontmoeting met de dalai lama. Deze nodigde hem meteen uit voor nog twee bijkomende ontmoetingen. Nadien reisde hij naar Ceylon (het huidige Sri Lanka) om van daaruit door te reizen naar het congres in Bangkok. Op 10 december 1968 werd hij daar in zijn hotelkamer geëlektrocuteerd door een defecte ventilator. De officiële doodsoorzaak was een hartaanval. Hij stierf op dezelfde dag als hij 27 jaar voordien was binnengekomen in de abdij van Gethsemani. Op 11 december werd hij gerepatrieerd met een vliegtuig waarin eveneens gesneuvelde Vietnamsoldaten werden gerepatrieerd, slachtoffers van een oorlog waartegen hij zich fel had verzet.

Thomas Merton werd begraven op het kerkhof van de abdij van Gethsemani. Net als bij de andere overleden kloosterlingen staat op zijn graf een eenvoudig wit kruis met zijn naam.

Kunst[bewerken]

Thomas Merton is in de eerste plaats bekend als schrijver: zie afzonderlijke paragraaf. Naast schrijven richtte hij zich tijdens zijn periode in de kluis ook actief op twee andere kunstvormen. Eerst en vooral tekende hij. Dit deed hij vroeger ook al: nog voor zijn intrede tekende hij cartoons voor (studenten-)tijdschriften. Later, in zijn kluis, tekende of schilderde hij veel abstracter, een vorm van kalligrafie.[13] Deze werken werden nog tijdens zijn leven tentoongesteld en verkocht. Een andere kunstvorm waarop hij zich op latere leeftijd begon te richten, was "zen"-fotografie. Een tentoonstelling met 35 van zijn foto's doet reeds vele jaren een ronde doorheen de wereld.[14]

Bronnen

  • L.S. Cunningham: Thomas Merton & the monastic vision. Grand Rapids (Michigan): William B. Eerdmans Publishing Company, 1999. ISBN 0802802222
  • J. Fisher Bryant: Thomas Merton: poet, prophet, priest. Grand Rapids (Michigan): William B. Eerdmans Publishing Company, 1997. ISBN 0802851401

Externe links

Noten en referenties