Toccata en Fuga in d-moll (BWV 565)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De Toccata Con Fuga (in d-kleine terts) (BWV 565) is wellicht het beroemdste orgelwerk van Johann Sebastian Bach (1685 - 1750).

Begin van de Toccata en Fuga in d kleine terts

Ontstaan[bewerken]

Wanneer de compositie is ontstaan is onduidelijk aangezien het werk slechts is overgeleverd in één 18de eeuwse en in zeven vroeg-19de eeuwse kopiehandschriften. Lange tijd werd wel aangenomen dat het door Bach gecomponeerd werd in de tijd dat hij werkzaam was als hoforganist en hofkamermusicus (vervolgens hofconcertmeester) in Weimar (periode 1708-1717). Tegenwoordig wordt Arnstadt beschouwd als de plek waar het briljante orgelstuk is ontstaan. Daar waar Bach in de periode 1703-1707 - dus vanaf zijn 18de - zijn eerste betrekking als beroepsmusicus had, die van organist van de St.Bonifatiuskerk aldaar. Mogelijk is het spelen door Bach zelf in 1703 van dit muziekstuk met zijn overrompelend-dramatische aard zijn klinkende 'sollicitatie' geweest naar de functie van kerkorganist.

De 'Toccata Con Fuga' (titelaanduiding in het oudste kopiehandschrift) dat qua vorm van het geheel - driedeligheid - thuishoort in de categorie van het Noordduitse, 17de eeuwse meerdelige 'prealudium-pedaliter' en dat qua stijl in dat van de 'Stylus phantasticus' (vrije fantastische stijl) - dat in de tweede helft van de 17de eeuw door Vincent Lübeck en Johann Adam Reincken (beiden uit Hamburg) en Dietrich Buxtehude (uit Lübeck) en Nicolaus Bruhns (uit Hussum) tot op grote hoogten werd gebracht - vertoont alle kenmerken van een jeugdig bravourestuk.

Vooral dringen er zich Bach's ervaringen in door van de orgelspeelprestaties (meesttijds improvisaties) van Hamburgse organisten - met name van Reincken in de Hamburgse St.Catharinenkirche - die de jonge leergierige Bach, volgens zijn tweede zoon Carl Philipp Emanuel, regelmatig beluisterde in de periode dat hij gymnasiumleerling was (1700-1702) in de nabijgelegen Noordduitse stad Lüneburg. Dit drukt zich onder andere uit in de octaafverdubbelingen in het eerste hoekdeel van de compositie, daar waarin Bach de majestueuze werking van de grote Hamburgse barokorgels, met 16 voetsregisters als laagste stemmen op de manualen, in hun enorme stadskerken aldaar als het ware 'vertaald' heeft naar de beperkter klankomvang van 'zijn' orgel, met 8 voetsregisters als laagste stemmen op de manualen, in de veel minder grote St.Bonifatiuskerk te Arnstadt.

De vrije notatiewijze van en de stemvoering in het oudste kopiehandschrift van het aaneengesloten driedelige werk, met name beide hoekdelen met hun briljante improvisatorische inslag, wekken het vermoeden dat Bach de compositie in eerste instantie in zogeheten Nieuwe Duitse Orgeltabulatuur heeft genoteerd. Dit geldt ook voor het middendeel, een fuga, waarin anders dan in de hoekdelen overwegend gelijkmatige motoriek aan de orde is en de fantastische stijl van de hoekdelen buiten de deur is gehouden. Muzieknotaties in tabulatuur appelleren minder 'strak' op uitvoerende musici dan het systeem van vijflijnige notenbalken met maatstrepen dit pleegt te doen.

De ontdekking in 2006 van een door Bach zelf in 1700 in Lüneburg vervaardigde kopie van Reincken's omvangrijke bewerking - in fantastische stijl - van het kerklied 'An Wasser-Flüssen Babylons', dat geheel in de Nieuwe Duitse Orgeltabulatuur staat genoteerd, versterken dit vermoeden. Het noteren van muziek in de vorm van letters, leestekens en incidentele korte hulplijnen op gewoon papier, in plaats van specifieke muziektekens op, tussen, onder en boven vijflijnige notenbalken (dat wel Bach's normale manier van muziek noteren zou worden en bleef) blijkt een van Bach's beroepsmatige handgrepen te zijn geweest. Bovengenoemde Noordduitse meesters - in feite dus de generatie van vóór Bach - pleegden zelf hun composities op deze manier te noteren. Gedurende zijn hele werkzame leven zou Bach het noteren van muzieknoten in tabulatuurschrift blijven hanteren, op partituurpagina's (met vijflijnige notenbalken), zelfs van cantates, waar hij gebrek aan plaatsruimte ondervond voor correcties dan wel afsluitingen.

Het woord 'toccata' (een afleiding van het Italiaanse toccare dat 'aanraken' betekent) duidt op een compositie met een sterk virtuoze inslag. Dat is Bach's eerste bijdrage aan dit genre zeer zeker. In een latere orgeltoccata van zijn hand (uit de bovengenoemde periode-Weimar), de tweedelige Toccata et Fuga in F (BWV 540), blijkt de componist afscheid te hebben genomen van het Noordduitse meerdelige vormmodel (3- of 5delig) 'praeludium-pedaliter' en van de grillig-vrije fantastische stijl van weleer. Dit geldt evenzeer voor de latere 'Dorische toccata' uit d (BWV 538) dat op het model van het Italiaanse solo-concerto blijkt geschoeid. In de driedelige Toccata, Adadio et Fuga in C (BWV 564) blijkt het apart van elkaar geconcipieerde driedelige Italiaanse concerto-model (snel-langzaam-snel) nog sterker aanwezig, met uitzondering van de openingssectie van de Toccata dat een virtuoze solo voor het pedaal behelst.

Bijzonder is dat vrijwel alle klavecimbeltoccata's van Bach in de Stylus Phantasticus staan geschreven. Deze composities dateren waarschijnlijk uit Weimar toen Bach zijn 'Noordduitse leerfase' allang achter de rug had en de wereld van de eigentijdse Italiaanse muziek (die van Vivaldi voorop) zich in zijn denk-, schrijf- en musiceerwijze nestelde. Deze paradox is verklaarbaar uit het feit dat het orgel van de Weimarer hofkapel (gebruikt tijdens kerkdiensten en concertbespelingen) wegens reparatie en uitbreiding een tijd lang onbespeelbaar was. En dat Bach van zijn adellijke broodheren - Weimar had toentertijd twee regerende hertogen, een oom (in het grote stadspaleis) en een neef (in het kleinere 'Rote Schloss) - de opdracht kan hebben gekregen om in kleiner verband, in salons van met name het 'Rote Schloss' (is net buiten het grote stadskasteel gelegen), op de voor hem 'normale' c.q. favoriete manier te musiceren: in de meerdelige Noordduitse vorm en volgens de vrije fantastische stijl. Door uitlatingen van Carl Philipp Emanuel Bach is bekend dat Bach, met name als solerend/improviserend musicus op het orgel en op het klavecimbel, zich ook doelbewust in verschillende stijlvormen kon uitdrukken: zowel in die van het muzikale voorgeslacht als van tijdgenoten (generatiegenoten en nieuwe lichtingen). Wat zich ook in zijn eigen composities kon doorwerken zoals o.a. uit het bovenstaande blijkt.

Authenticiteitskritiek[bewerken]

De Britse musicus en musicoloog Dr. Peter Williams opperde begin-1980er jaren het vermoeden dat Bach's toccata en fuga in d een bewerking zou zijn van een compositie voor viool.[1] Dit vermoeden heeft zich tot op de dag van vandaag niet verhardt door het opduiken uit archieven van bewijzen in documentaire zin.

Eerste uitgave en bewerkingen[bewerken]

Het werk werd voor het eerst gepubliceerd in 1833 door de uitgeversfirma Breitkopf & Härtel als onderdeel van een bundel met tot dan toe onbekende grote orgelcomposities van Bach. Dit was op initiatief van Felix Mendelssohn Bartholdy die tevens een van de tekstbezorgers van de uitgave werd. Mendelssohn's visie op het werk was 'dat het tegelijkertijd geleerd en ook iets was voor het (gewone) volk'. De eerste (gedocumenteerde) publieke uitvoering van de compositie sinds Bach's dood in 1750, werd door Mendelssohn zelf - die het in 1830 op het repertoire hand genomen - op 6 augustus 1840 op het toenmalige orgel van de St.Thomaskerk in Leipzig gegeven. Dit concert met in feite 'premières' van toen nog volslagen onbekende orgelcomposities van Bach, werd zeer goed ontvangen door muziekcritici, waaronder Robert Schumann.

Van Bach's Toccata Con Fuga zijn tientallen bewerkingen gemaakt.

De bekendste is de bewerking voor symfonieorkest van Leopold Stokowski. Deze grote bekendheid ontstond doordat dit stuk als openingsdeel van Walt Disney's film Fantasia (1940) werd gebruikt. Jaren daarvoor had Stokowski al een groot verkoopsucces met dit stuk geboekt. In 1927 nam hij met gebruikmaking van de modernste opnametechnieken het stuk op op twee 78-toerenplaten. De première was geweest met het Philadelphia Orchestra in 1926. Van deze compositie zijn nadien tientallen andere opnamen gemaakt waarbij de stereo-opname van Stokowski zelf, opgenomen op 15 januari 1958 in New York, door de internationale vakpers als dé referentieopname wordt gezien.

Zie het artikel: Stokowski's transcriptie van Bachs Toccata en fuga BWV565

Op 3 januari 1963 maakte Leopold Stokowski met het Chicago Symphony Orchestra een televisieopname voor de Amerikaanse zender WGN van deze orkestbewerking. Deze opname is op dvd uitgebracht. Andere componisten die dit werk voor orkest bewerkten, zijn onder meer: Stanisław Skrowaczewski (1962); Lucien Cailliet, René Leibowitz, Leonidas Leonardi, Alois Melchiar, Eugene Ormandy, Fabien Sevitzky en Sir Henry Wood.

Een andere bewerking, Deconstructing Johann genoemd, is die voor zes mannelijke solostemmen door de King's Singers met een door henzelf geschreven ludieke tekst op de moeilijkheden die Bach ervaren zou hebben bij de compositie van dit werk. Het openingsthema wordt gepersifleerd met de openingszin ‘J. S. Baaaaaaach, had a little problem’.

De Amerikaanse musicus Bobby McFerrin maakte van dit werk een bewerking die alleen bestaat uit het neuriën en het produceren van kleine, korte, klikkende geluidjes op basis van de thema's. De Engelse progressieve rockgroep Sky scoorde in 1980 met een bewerking van dit werk een nummer 5-hit in de hitlijsten van Engeland. Er zijn vele transcripties van dit werk voor piano-solo, bijvoorbeeld van Ferruccio Busoni en Piers Lane. Het German Brass Ensemble voert regelmatig haar arrangement voor tien koperinstrumenten van dit werk uit en het Quitessence Saxophone Quintet heeft een persiflage op de Toccata samengesteld met de titel Toccata & Funk & Chorale (voor vijf saxofoons).

De intro van de Toccata wordt gebruikt in diverse computerspellen en een adaptie ervan wordt gebruikt als achtergrondmuziek in het spel Gyruss.

Externe links[bewerken]

Noot[bewerken]

  1. "BWV 565: a toccata in D minor for organ by J. S. Bach?", Early Music, vol. 9, juli 1981, blz. 330-337