Aristide Cavaillé-Coll

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Portret ± 1894
De orgelmakerij van Cavaillé-Coll
Signeerplaat van Cavaillé-Coll in de St. Sulpice

Aristide Cavaillé-Coll (Montpellier, 4 februari 1811- Parijs, 13 oktober 1899) was een Frans orgelbouwer. Hij wordt wel beschouwd als de invloedrijkste orgelbouwer van de negentiende eeuw. Zijn grootste en bekendste orgel staat in Saint-Sulpice, Parijs. Dit magistrale orgel, met 100 registers en 5 klavieren, dat bovendien nog vrijwel in authentieke staat verkeert, is genomineerd om opgenomen te worden in de werelderfgoedlijst van Unesco.

Biografie[bewerken]

De Cavaillé-Coll dynastie[bewerken]

Op 12 februari 1767 huwde Jean-Pierre Cavaillé (een telg uit een Frans weversgeslacht) met de wevers- en zeilmakersdochter Maria-Francesca Coll uit Barcelona. Hun nageslacht droeg voortaan de naam Cavaillé-Coll. Een oom van Jean-Pierre, Gabriel Cavaillé uit Toulouse, leerde Jean-Pierre het vak van orgelbouw. Zijn zoon, Dominique Cavaillé-Coll (1771-1862) werd ook orgelbouwer, evenals diens zonen Vincent and Aristide. Het familiebedrijf bouwde vooral orgels in Zuidwest Frankrijk en in Catalonië.

Jonge jaren[bewerken]

Mede als gevolg van oorlogen en revoluties had de dynastie Cavaillé-Coll zich in de voorgaande decennia afwisselend in Frankrijk en Spanje gevestigd. De familie had veel geld verloren. In 1827 vestigde de familie zich in Toulouse. De broers Vincent en Aristide begeleidden hun vader geregeld bij zijn werk als orgelbouwer. Toen Aristide 16 jaar oud was begon hij in Toulouse aan de opleiding Enseignement de Géométrie et de Mécanique appliqué aux Arts et professions industrielles van de architect Urbain Vitry (1802-1863). De opleiding was hoofdzakelijk technisch van aard en Aristide kreeg vooral les van ingenieurs en natuurkundigen. Hij was onder meer betrokken bij de ontwikkeling van een nieuw model cirkelzaag.

Samen met zijn vader en zijn broer ontwikkelde Aristide in die jaren het Poïkilorgel. De beroemde Italiaanse componist Gioacchino Rossini, die Toulouse in 1832 bezocht voor de uitvoering van de opera Robert le Diable van Giacomo Meyerbeer, was onder de indruk van het nieuwe orgel. Mede dankzij de daarop volgende steun van de politicus Adolphe Thiers kreeg Aristide met zijn familie in 1833 de gelegenheid om de kwaliteit van hun orgelbouw onder de aandacht van het Parijse publiek te brengen.

In Parijs[bewerken]

Aangekomen in Parijs nam Aristide Cavaillé-Coll zijn intrek in de Faubourg Saint-Germain, aan de Quai Voltaire 11. De jonge schilder Eugène Delacroix huurde ook een kamer in het pand. Adolphe Thiers was inmiddels minister geworden en introduceerde beide jonge mannen in de culturele elite van Parijs, waaronder veel vrijmetselaars. Toen het atelier aan de Quai Voltaire te krap werd, verhuisde Cavaillé-Coll naar de rue Notre-Dame-de-Lorette.

Aristides vader Dominique was er al van op de hoogte dat er een groot nieuw orgel nodig was voor de kathedraal van Saint-Denis. Het werd de eerste grote opdracht in Parijs. Samen met zijn vader en zijn broer wist Aristide vervolgens opdracht na opdracht te verwerven, in Parijs en in tal van andere Franse steden.

Cavaillé-Coll verhuisde nog drie keer binnen Parijs. Zijn bekendste atelier in de Avenue du Maine 13-15 was een oud stadspaleis, dat hij tevens in gebruik had als expositieruimte. Het bedrijf van Cavaillé-Coll genoot grote bekendheid, zowel in Parijs als bij verschillende componisten. Onder andere Eugène Gigout en Charles Gounod bestelden elk een studieorgel bij hem. Ook de hoge Franse adel was er klant, waaronder de Graaf van Parijs. Zijn roem werd steeds groter, ook over de grens, wat resulteerde in opdrachten uit Engeland, Spanje, Nederland, en diverse andere landen in en buiten Europa.

Cavaillé-Coll stond bekend om zijn gepeperde facturen. Hij voegde vaak een klavier bij het bestek van de bestelling, vaak zonder medeweten van de kerkfabriek. Zo zijn de wereldberoemde orgels van Saint-Sulpice en de Notre-Dame groter geworden dan voorzien. Cavaillé-Coll moest dan zelf maar opdraaien voor een deel van de extra kosten. Er kwam dan vaak een compromis tot stand, waarbij de kerkfabriek een deel van de extra factuur betaalde en Cavaillé-Coll het orgel enkele jaren gratis onderhield.

Cavaillé-Coll vond zijn laatste rustplaats op het Parijse Cimetière Montparnasse. De firma werd 1898, vlak voor zijn dood, overgenomen door Charles Mutin, die de orgelbouw voortzette, maar sinds de Tweede Wereldoorlog was er bijna niets meer van het bedrijf over. De Société Cavaillé-Coll Père & Fils bestaat inmiddels niet meer.

Orgelbouw[bewerken]

Orgel in de Basilique Saint-Clotilde in Parijs

Cavaillé-Coll was in zijn eigen tijd al bekend om de kwaliteit van zijn orgels. Hij was een meester in de bouw van zogenaamde symfonische orgels, die de klank van afzonderlijke instrumenten en ensembles daarvan kunnen nabootsen, of liever nog: vervangen. De orgels van Cavaillé-Coll vormden in de 19e eeuw de inspiratie voor het schrijven van orgelsymfonieën, zoals die van Charles–Marie Widor en Louis Vierne.

De orgels van Cavaillé-Coll hebben een klank die zowel stevig helder als diep kan zijn. Hij bereikte dat effect met name in zijn late oeuvre door bijna geen aliquoten meer te bouwen, waarmee het orgel vaak zijn typische drukke gemengde klank verliest. Van de klassieke orgelregisters behield hij alleen de cornet, die bijzonder geschikt is als solostem. Daarnaast had Cavaillé-Coll een voorliefde voor een 16' op het hoofdwerk voor een extra volle klank, en voor zachte heldere tongwerken zoals de hautbois 8'.

Cavaillé-Coll creëerde een goede kwaliteit mensuren met een unieke klankkleur. Bij veel van zijn orgels heeft elk klavier een eigen karakter. Dat wordt onder meer bereikt door een aparte winddruk voor elk klavier.

Lijst van Cavaillé-Coll orgels[bewerken]

Parijs[bewerken]

  • 1838 : Église Notre-Dame-de-Lorette
  • 1842 : Église Saint-Roch de Paris (49 registers)
  • 1846 : Église de la Madeleine (48 registers)
  • 1852 : Église Saint-Vincent-de-Paul de Paris (48 registers)
  • 1853 : Panthéon
  • 1859 : Basilique Sainte-Clotilde (46 registers)
  • 1862 : Église Saint-Sulpice (100 registers)
  • 1868 : Cathédrale Notre-Dame de Paris (86 registers)
  • 1868 : Église de la Sainte-Trinité de Paris (46 registers)
  • 1874 : Église Notre-Dame-de-la-Croix de Ménilmontant (26 registers)
  • 1878 : Exposition universelle, palais du Trocadéro (64 registers)

Frankrijk buiten Parijs[bewerken]

  • 1837 : een tijdelijk koororgel in de kathedraal van Orléans (vervangen in 1846)
  • 1848 : Église Saint-Paul in Nîmes
  • 1849 : Cathédrale Notre-Dame-de-l'Assomption in Ajaccio (44 registers)
  • 1852 : Eglise Notre-Dame Etretat
  • 1853 : Saint-Omer (49 registers)
  • 1857-1861 : Kathedraal van Nancy (65 registers op 4 klavieren)
  • 1857 : Kathedraal Notre-Dame de l'Assomption in Luçon (4 klavieren/pedalen, 54 registers)
  • 1857 : Église Sainte-Croix in Saint-Servan (koororgel, 2 klavieren/pedalen, 15 registers)
  • 1858 : Collégiale Saint-Hippolyte in Poligny
  • 1860 : Cathédrale Saint-Jean-Baptiste in Belley (26 jeux)
  • 1861 : Castelnaudary: reconstructie van het orgel van Jean-Pierre Cavaillé (38 registers)
  • 1862 : Bayeux (43 registers)
  • 1864 : Église de l'Immaculé-Conception in La Grand-Combe
  • 1866 : Église Notre-Dame-du-Bourg in Rabastens (Tarn), (20 registers), renovatie van een orgel van Costa
  • 1868 : Épernay (43 registers)
  • 1868 : Église Saint-Joseph in Marseille (43 registers)
  • 1869 : Chapelle du lycée Notre-Dame de Mongré in Villefranche-sur-Saône (25 registers)
  • 1874 : Cathédrale Saint-Pierre in Lisieux (46 registers)
  • 1874 : Cathédrale Saint-Pierre in Rennes ((3 klavieren/pedalen, 46 registers)
  • 1876 : Cathédrale Saint-Alain in Lavaur (32 registers]
  • 1880 : Église Saint-François-de-Sales in Lyon (45 registers)
  • 1880 : Kathedraal van Orléans (54 registers)
  • 1884-1885 : Église Sainte-Croix, Saint-Servan (3 klavieren/pedalen, 37 registers)
  • 1885 : Église Saint-Étienne, Caen (51 registers)
  • 1889 : Église Saint-Léon, Nancy (vervangen in 1975)
  • 1889 : Basilique Saint-Sernin, Toulouse (renovatie van het orgel van Daublaine Callinet, (54 registers). De Symphonie Romane van Charles-Marie Widor is voor dit orgel geschreven.
  • 1890 : Abbatiale Saint-Ouen, Rouen, renovatie van het Crespin Carlier orgel uit 1630 in de oorspronkelijke kast (4 klavieren, 64 registers). De Symphonie Gothique n° 9 van Charles-Marie Widor is aan dit instrument opgedragen.
  • 1897 : Église Notre-Dame, Vimoutiers (48 registers), voltooid door Charles Mutin, en in gebruik genomen in 1900.
  • 1898 : Kasteel van Ilbarritz (gebouwd voor de baron Albert de l'Espée; het orgel staat sinds 1913 in de Sacré-Coeur-Basiliek in Parijs)

Spanje[bewerken]

Verenigd Koninkrijk[bewerken]

Nederland[bewerken]

Elders[bewerken]

Cavaillé-Coll in Nederland[bewerken]

In 2008 promoveerde René Verwer aan de VU Amsterdam bij Ewald Kooiman op een dissertatie over Cavaillé-Coll in Nederland [4], waaraan veel van het onderstaande is ontleend. Het orgelland Nederland raakte al snel bekend met de fenomenale Franse orgels van Cavaillé-Coll en deze heeft in Nederland dan ook aardig wat opdrachten mogen ontvangen. Er was wel sprake van botsende visies op orgelbouw. In 1845 reisde Cavaillé-Coll door Nederland om orgels te bezichtigen en orgelbouwers te leren kennen. De kwaliteit van de orgelbouw maakte indruk op hem, maar kwam op hem wel als weinig vernieuwend over. Omgekeerd stuitten de orgels van Cavaillé-Coll vaak op onbegrip, door de Nederlandse onbekendheid met de Franse negentiende-eeuwse orgelmuziekcultuur. Toch genoot de orgelbouw van Cavaillé-Coll - vooral in Rooms-Katholieke kringen - een zekere reputatie, en heeft deze inmiddels zeker school gemaakt. Onder meer de volgende gerenommeerde orgelbouwers erkennen hun schatplichtigheid aan Cavaillé-Coll: de Utrechtse orgelbouwer Maarschalkerweerd (de bouwer van het grote orgel in het Concertgebouw, waar Cavaillé-Coll overigens ook voor in de race was), de orgelbouwfamilie Adema en ook de hedendaagse bouwer van reusachtige orgels Jan van den Heuvel.

Trivia[bewerken]

Literatuur[bewerken]

  • Cavaillé-Coll, Cécile (1929). Aristide Cavaillé-Coll: Ses Origines, Sa Vie, Ses Oeuvres. Paris: Fischbacher.
  • Douglass, Fenner (1999). Cavaillé-Coll and the French Romantic Tradition. New Haven: Yale University Press.
  • Bicknell, Stephen. Cavaillé-Coll's Four Fonds

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties