Vier van Breda

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Minister Dries van Agt tijdens het debat over de Drie van Breda (1972)

De Vier van Breda, later Drie van Breda en Twee van Breda, waren Duitse oorlogsmisdadigers die een levenslange gevangenisstraf uitzaten. Ze zaten hun straf uit in de koepelgevangenis van de Nederlandse stad Breda.

Onder verantwoordelijkheid van minister van Justitie Ivo Samkalden kreeg Lages in 1966 strafonderbreking, omdat Nederlandse artsen meenden dat hij terminaal ziek was, hetgeen achteraf niet waar bleek te zijn. Na een darmoperatie leefde hij nog bijna vijf jaar in vrijheid.

Rond de drie overgebleven gevangenen ontstonden in 1972 emotionele debatten. De toenmalige minister van Justitie, Dries van Agt had laten doorschemeren dat hij positief wilde reageren op een gratieverzoek van de drie van Breda, mede omdat de Hoge Raad en de bijzondere strafkamer van de Rechtbank Amsterdam eenstemmig hadden geadviseerd gratie te verlenen.[1] De vrijlating werd afgeblazen na een door Anneke Goudsmit (D66) bepleite hoorzitting en een heftig Kamerdebat, mede onder invloed van sterk en emotioneel verzet vanuit de samenleving, met name van verenigingen van oorlogsslachtoffers. Uiteindelijk werd het gratieverzoek in de Tweede Kamer afgewezen, na aanneming van de motie-Voogd.

Op 31 juli 1979 overleed Kotälla in de Bredase gevangenis. Op 27 januari 1989 werden de overgebleven twee vrijgelaten op instigatie van minister Korthals Altes. De minister werd hierin gesteund door negentien prominente Nederlanders, onder wie de oud-verzetsman Hans Teengs Gerritsen en andere voormalige tegenstanders van vrijlating, die een brief ondertekenden waarmee zij instemden met Korthals' voorstel. Ook de schrijver en overlevende van Bergen-Belsen Abel Herzberg pleitte publiekelijk voor de vrijlating.

Herzberg was strafrechtdeskundige en nam een standpunt in dat geheel tegenovergesteld was aan dat van veel Nederlandse Joden in die tijd. De opstelling van Joodse tegenstanders van de vrijlating noemde hij vol van 'haat en vergelding' en hij benadrukte dat wraak op een dergelijke manier geen zin had. Overigens zou Herzberg later aangeven dat hij, nadat de laatste twee van Breda waren vrijgelaten, zelf ook twijfelde aan zijn eigen opstelling.[1]

Aus der Fünten en Fischer overleden beiden kort na hun vrijlating.

Zie ook[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties