Wet bewaarplicht telecommunicatiegegevens

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De Wet bewaarplicht telecommunicatiegegevens is een Nederlandse wet. Het wijzigt de Telecommunicatiewet en de Wet op de economische delicten. De wet is op 7 juli 2009 goedgekeurd door de Eerste Kamer nadat de minister een voorstel voor een 'reparatiewet' had toegezegd. Naar het Koninklijk Besluit op 25 augustus 2009 is de wet op 1 september 2009 in werking getreden.[1]

De wet is de implementatie van de richtlijn dataretentie van de EU.

De wet houdt in dat internetproviders en telefonie-operators diverse gegevens over internet- en telefoniegebruik gedurende zes tot twaalf maanden moeten bewaren. De bewaarde gegevens kunnen door Justitie worden gebruikt bij het handhaven van de wet en het bestrijden van terrorisme.

De wet wordt door sommigen gezien als een privacygevoelige maatregel. Het College Bescherming Persoonsgegevens had kritiek op het wetsvoorstel; volgens het CBP is de lange bewaartermijn in strijd met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Ook Nederlandse internetproviders hebben lang tegen de komst van de bewaarplicht geprotesteerd. Het risico dat gevoelige informatie vroeg of laat op straat komt te liggen wordt door deskundigen heel groot geacht.[2]

Het voorstel voor deze wet is ingediend door minister Hirsch Ballin en geaccepteerd door de Tweede Kamer op 22 mei 2008.[3]

Het voorstel noemde een bewaartermijn van twaalf maanden. Justitie-minister Hirsch Ballin (CDA) stuurde in het wetsvoorstel eerder aan op een bewaartermijn van 18 maanden. CDA en VVD betoonden zich voorstanders voor deze termijn, terwijl D66, PvdA, GroenLinks en SP ervoor pleitten de bewaartermijn op het door de richtlijn gestelde minimum van zes maanden te zetten. Een motie van kamerlid Anker (ChristenUnie), waarin een bewaartermijn van twaalf maanden werd voorgesteld, kon vervolgens rekenen op steun van een kamermeerderheid bestaande uit CDA, SGP, VVD, PVV, Verdonk en ChristenUnie. Een minderheid bestaande uit PvdA, SP, GroenLinks en D66 stemde tegen.[4]

De Eerste Kamer heeft zich in het verleden echter reeds kritisch uitgelaten over de bewaarplicht. Senator Franken (CDA), tevens hoogleraar informatierecht aan de Universiteit Leiden, stelde op 28 juni 2005 in een door de Eerste Kamer aangevraagd mondeling overleg met toenmalig Justitie-minister Donner (CDA) dat de bewaarplicht weinig tot niets oplevert, leidt tot hoge kosten en een te grote inbreuk op de privacy pleegt.[5] De senatoren Jurgens (PvdA) en Broekers-Knol (VVD) sloten zich bij de kritiek aan.

Op 9 april 2009 diende de minister van Justitie een nadere rechtvaardiging in bij de Eerste Kamer.[6]

Op 7 juli 2009 is het voorstel goedgekeurd door de Eerste Kamer nadat minister Hirsch Ballin had toegezegd met gezwinde spoed het initiatief te nemen tot een wetsvoorstel voor een 'reparatiewet' die voor internetbedrijven de bewaartermijn verkort van twaalf naar zes maanden (met behoud van de termijn van twaalf maanden voor aanbieders van telecommunicatiediensten).

CDA, VVD, SGP en ChristenUnie (41 van de 75 zetels) stemden voor het wetsvoorstel; PvdA, SP, GroenLinks, D66 en de Partij voor de Dieren stemden tegen.[7][8] De totstandkoming van de reparatiewet hangt, zoals gebruikelijk, ook af van de ministerraad, de Raad van State, en de Tweede Kamer.

Er is niet gekozen voor een novelle (waarbij de Eerste Kamer zou wachten met goedkeuring tot de reparatiewet ook bij haar wordt ingediend) omdat Nederland de termijn al heeft overschreden waarin het de Europese richtlijn had moeten implementeren.

Te bewaren gegevens[bewerken]

De aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken en telecommunicatiediensten zijn verplicht tot het bewaren van alle verkeers- en locatiegegevens van de gebruikers van deze diensten.

Van een telefoongesprek moeten gedurende twaalf maanden o.a. worden bewaard de begin- en eindtijd, de telefoonnummers, de namen en adressen van de betrokken abonnees of geregistreerde gebruikers (niet van toepassing bij anonieme prepaid-gebruikers), en de locaties waar betrokken mobiele telefoons zich bevinden, maar niet de inhoud van het gesprek. Bij SMS en MMS idem.

Van e-mails moeten soortgelijke gegevens twaalf maanden (na de reparatiewet: zes maanden) bewaard worden, zoals datum en tijdstip en e-mailadressen, maar niet de inhoud.

Van een internetsessie moet onder meer twaalf maanden (na de reparatiewet: zes maanden) bewaard worden datum en tijdstip van de log-in en log-off en het IP-adres van de gebruiker, maar niet de bezochte webpagina's.

Afgezien van deze gegevens van de internetsessie valt webmail van niet-Europese providers, bijvoorbeeld Hotmail en Gmail buiten de bewaarplicht. Dit geldt ook voor communicatie waarbij de "verzender" een concept-e-mailbericht opslaat en de "ontvanger" met behulp van gedeelde inloggegevens dit leest alsmede communicatie via sociale netwerksites.

Evaluatie[bewerken]

Na inwerkingtreding van de Wet bewaarplicht telecommunicatiegegevens zal deze na drie jaar geëvalueerd worden. D66 gaf op 15 april 2009 aan een onderzoek van de Algemene Rekenkamer te willen naar de doelmatigheid van het opslaan van alle digitale gegevens, zoals sms- en internetverkeer.[9]

Aanverwante regelgeving[bewerken]

Er is het Besluit van 26 januari 2000, houdende regels voor de verstrekking van gegevens door aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken en -diensten met het oog op het onderzoek van telecommunicatie (Besluit verstrekking gegevens telecommunicatie). Het Centraal Informatiepunt Onderzoek Telecommunicatie (CIOT) voert dit besluit uit. Volgens dit besluit zijn aanbieders van telecommunicatie- en internetdiensten verplicht informatie over hun klanten beschikbaar te stellen in het kader van onderzoek.[10]

Om te voorkomen dat de bevoegde autoriteiten contact moeten houden met alle aanbieders van telecommunicatie- en internetdiensten is het CIOT-informatiesysteem ontwikkeld als een centrale voorziening, die al het vraag- en antwoordverkeer automatisch regelt. Elke aanbieder moet elke 24 uur een actueel digitaal bestand leveren. Bevoegd om het CIOT-informatiesysteem te bevragen zijn de politiekorpsen, de Rijksrecherche, de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst, de Koninklijke Marechaussee, de VROM-IOD, de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst, de Algemene Inspectiedienst en het Openbaar Ministerie. Deze diensten ontlenen hun bevoegdheid aan het Wetboek van strafvordering. De artikelen 126zi, 126zh, 126ua, 126u, 126na, 126n en 126ii zijn van toepassing. Naast deze diensten hebben ook de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst en de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst toegang tot de gegevens in het CIOT-informatiesysteem. Deze bevoegdheid is hun toegekend op grond van de artikelen 28 en 29 van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Soms is de bevraging breed, bijvoorbeeld de verkeersgegevens van de zendmasten voor mobiele telefonie in de buurt van het plaats delict op de dag van een moord.

Er is de Wet bevoegdheden vorderen gegevens.

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Publicatie inwerkingtreding, Staatsblad 360 Eerste Kamer der Staten-Generaal, 25 augustus 2009
  2. Trouw: 26 juni 2009 - We vallen ten prooi aan Europese opslaghysterie
  3. Wet bewaarplicht telecommunicatiegegevens, Eerste Kamer der Staten-Generaal, voortgang en documenten sinds 14 september 2007
  4. Wet bewaarplicht toch 12 maanden, Webwereld, 22 mei 2008
  5. Opslaan teledata onzin - Het Parool, 29 juni 2005
  6. Nadere memorie van antwoord, Eerste Kamer der Staten-Generaal, 6 april 2009
  7. Minister krijgt na concessie steun in Eerste Kamer voor aanpassing Telecommunicatiewet, Eerste Kamer der Staten-Generaal, 7 juli 2009
  8. Hirsch Ballin beperkt bewaren internetgegevens, Nederlands Dagblad, 7 juli 2009
  9. 'Toets anti-terreurwetten op effectiviteit', NU.nl, 15 april 2009
  10. http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/telecomgegevens-voor-opsporing/documenten-en-publicaties/brochures/2010/07/01/factsheet-ciot.html