Abiotische factor

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Schematische weergave van een ecosysteem
aanbod van voedsel
  • kwaliteit
  • hoeveelheid
abiotische milieufactoren:
geografische
factoren
populatie van één soort:
populatiebiologische parameters:
↑ immigratie
↓ emigratie
biotische milieufactoren:
(populaties van andere soorten)
· aspecifieke vijanden
· specifieke vijanden

Abiotische (milieu)factor is binnen de ecologie de term voor een externe milieufactor die geen biologische oorsprong heeft. Dit in tegenstelling tot biotische factoren (organismen).

De abiotische factoren kunnen worden gegroepeerd in factoren met betrekking tot klimaat, bodem en water.

Klimaat:

Bodem en humus:

Water:

Als in een omgeving de abiotische factoren veranderen, bijvoorbeeld door een overstroming of klimaatverandering, zullen de organismen met de eigenschappen die tegen deze verandering bestand zijn overleven. Deze overlevenden zullen hun eigenschappen doorgeven aan hun nakomelingen.

Invloed op soorten[bewerken]

Lineair en gaussisch responsiemodel in de ecologie.
Lineair Unimodaal.PNG
Lineair responsiemodel, met
  • gradient = onafhankelijk variabele
  • respons = afhankelijk variabele
Gaussisch responsiemodel, met
  • Opt. = optimum, optimale waarde (hier: 3,0)
  • Ampl. = amplitude (hier: 10)
  • Tol. = tolerantie (hier: 0,1)

De tolerantie van een soort of van een populatie is gebied tussen minimumwaarde en maximumwaarde van een milieufactor waarbinnen deze kan overleven en reproduceren. De tolerantie wordt ook wel "ecologische amplitude" genoemd. Een andere methode om de tolerantie te bepalen hangt af van het wiskundige model voor de klokkromme (Gaussische curve). De op deze wijze berekende tolerantie heeft niet te maken met de minimumwaarde en maximumwaarde, en valt aanzienlijk lager uit.

Het optimum is de waarde van de milieufactor waarbij een maximale, grootste of meest gewenste respons, resultaat of oogst optreedt. Optimale omstandigheden maken een maximale respons mogelijk. Dit laatste wordt de amplitude genoemd. Het begrip tolerantie hangt ook samen het begrip optimum. Tolerantie is een maat voor waarin van het optimum kan worden afgeweken. "Optimaal" heeft in het spraakgebruik een subjectieve betekenis van "(betrekkelijk) goed" tot "beste" of "gunstigste omstandigheden".

Als de milieufactoren afwijken van de optimale waarde wordt dit suboptimale omstandigheden genoemd. Soorten die voor een bepaald milieufactor een kleine tolerantie hebben, heten bijvoorbeeld stenotherm wat gebruikt wordt voor zeer beperkte tolerantie voor afwijkingen in de temperatuur en stenohalien voor zeer beperkte tolerantie voor afwijkingen in het zoutgehalte.

Als soorten voor de belangrijkste abiotische milieufactoren een grote tolerantie hebben, spreekt men van euryoeke soorten of ubiquisten, maar als de toleranties klein zijn worden het stenoeke soorten of specialisten genoemd. Voorbeelden van een ubiquisten onder de planten zijn grote brandnetel (Urtica dioica) en bezemkruiskruid (Senecio inaequidens), die langs autosnelwegen wordt aangetroffen. Onder de dieren is de nachtvlinder de grote meelmot (Pyralis farinalis) een goed voorbeeld.

De stenoeciteit of ecologische amplitude is een samengestelde waarde voor tolerantie, voor de Nederlandse flora berekend op grond van een zevental abiotische milieuvariabelen. De stenoeciteit geeft de ecologische kieskeurigheid van de soort aan.[1] Hoe lager de waarde, hoe kieskeuriger de soort in het algemeen is.

Als de milieufactoren extreme waarden (minimale of maximale waarde) aannemen, is er helemaal geen resultaat: de respons wordt 0. De waarden tussen minimum en maximum heet de tolerantie.

Homeostase[bewerken]

Elk organisme is zodanig aangepast dat het bij verandering van de abiotische factoren in de omgeving het eigen inwendig milieu zo lang mogelijk constant kan houden. Dit noemt men homeostase; een mechanisme dat in het organisme is 'ingebouwd' zorgt ervoor dat inwendige factoren die te hoog of te laag worden, automatisch verlaagd of verhoogd worden zodat de toestand van het organisme in evenwicht blijft. Een voorbeeld is dat wanneer een mens het te warm heeft hij gaat zweten, terwijl wanneer hij het koud heeft hij gaat rillen en versnelt zijn stofwisseling. Dit mechanisme wordt negatieve feedback genoemd en bestaat uit drie componenten: de receptor die de verandering ontdekt, het controlemechanisme dat de informatie verwerkt en vergelijkt met de optimale waarde en de uitvoerder die van het controlemechanisme de opdracht krijgt het evenwicht te herstellen.

De mate waarin een organisme zijn inwendig milieu constant kan houden en dus de homeostase weet te behouden wordt de tolerantie genoemd. Wanneer dit niet meer mogelijk is treedt er positieve feedback op, die kan leiden tot de dood van het organisme.