Chartaal geld

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Euro-bankbiljetten en -munten

Chartaal geld (letterlijk: wettig betaalmiddel), ook contant geld genoemd, is het tastbare geld (munten en biljetten) in handen van het publiek, dat wil zeggen iedereen behalve de geldscheppende instellingen (algemene of primaire banken) en de rijksoverheid. Kenmerk van dit geld is dat men het kan aanraken, dat het tastbaar is. Het bestaat voornamelijk uit munten en bankbiljetten. Tegenwoordig wordt, vooral voor grotere bedragen, meestal niet met chartaal maar met giraal geld betaald.

Chartaal geld behoort samen met het giraal geld tot de maatschappelijke geldhoeveelheid, het geld in handen van het publiek.

Munten en bankbiljetten in de kassen van de algemene banken noemt men geldreserves onder chartale vorm, deze hoort niet tot het chartale of girale geld.

Contant betalen is niet noodzakelijk betalen met contant geld, direct betalen met een pinpas wordt er ook toe gerekend.

Intrinsieke waarde en nominale waarde[bewerken]

Bij chartaal geld wordt onderscheid gemaakt tussen de intrinsieke waarde (waarde van het materiaal waarvan het geld is gemaakt) en de nominale waarde (de waarde die op een munt of bankbiljet staat vermeld). In de moderne geldeconomieën is de intrinsieke waarde van het chartale geld normaal gesproken kleiner dan de nominale waarde. De intrinsieke waarde van een bankbiljet - bedrukt papier - is vrijwel nihil.

Bij muntgeld was vanouds de intrinsieke waarde gelijk aan de nominale waarde. Een munt was een schijfje goud of zilver dat door de overheid gewaarmerkt was, zodat de gebruiker erop kon vertrouwen dat het schijfje het juiste metaal bevatte.

Als de intrinsieke waarde van een munt groter blijkt dan de nominale waarde, zal de munt uiteindelijk zijn functie als circulatiemunt verliezen. Verkoop van het materiaal waarvan de munt is gemaakt levert immers meer op dan de munt zelf. Een voorbeeld van een wettig betaalmiddel waarvan de intrinsieke waarde van het materiaal hoger was dan de nominale waarde was de Nederlandse cent.

Waardeloze bankbiljetten werden in Duitsland in de jaren 20 als kladpapier gebruikt

Bij herdenkingsmunten en andere zeldzame munten kan zich de situatie voordoen dat niet de waarde van het materiaal de nominale waarde overstijgt, maar de handelswaarde van de munt zelf. Een euromunt uit Vaticaanstad bijvoorbeeld is voor verzamelaars een veelvoud waard van de nominale waarde, ondanks dat de intrinsieke waarde van het materiaal niet meer dan een paar cent bedraagt.

Als er hyperinflatie optreedt kan ook bij bankbiljetten de situatie ontstaan dat de intrinsieke waarde van het papier groter is dan de nominale waarde van het bankbiljet. Als dat gebeurt ziet men vaak dat bankbiljetten niet meer als betaalmiddel gebruikt worden maar voor diverse andere toepassingen, bijvoorbeeld als kladpapier.

Chartaal geld en geldreserves onder chartale vorm[bewerken]

Er bestaat een belangrijk onderscheid tussen chartaal geld en geldreserves onder chartale vorm. De laatstgenoemde hebben betrekking op de bancaire reserves, zij dienen niet voor het doen van betalingen, maar worden gebruikt als dekkingsmiddel voor de girale tegoeden die het publiek bij de banken heeft. Het geld dat een overvaller in de kluis vindt is in eerste instantie geld onder chartale vorm en wordt pas chartaal geld als hij het meeneemt.

Juridische status in België[bewerken]

Contant geld is in België wettig betaalmiddel en mag in principe niet worden geweigerd. Schuldeisers van een geldsom dienen cash te aanvaarden als bevrijdende betaling, tenzij partijen anders zijn overeengekomen. Als onderdeel van de Eurozone geldt in België dat in euro gedenomineerde bankbiljetten als enige wettige betaalkracht hebben.[1]

Onder invloed van de Europese Unie en in de strijd tegen zwart geld kwam de betaalkracht van cash in de 21e eeuw onder druk te staan. Er kwam in 2004 een verbod om bij handelaars voor meer dan 15.000 euro goederen aan te kopen via contante betaling.[2] De regel werd in 2012 omgevormd tot een contantplafond van 5.000 euro voor goederen en diensten, vanaf 2014 verlaagd tot 3.000 euro.[3] Onroerend goed mag sinds 2014 helemaal niet meer cash worden betaald.[4] In 2017 werd het plafond van 3.000 euro uitgebreid naar schenkingen en werd een uitzondering voorzien voor transacties tussen consumenten.[5] Overtredingen van het verbod moeten worden gemeld en worden bestraft met een geldboete tot 10% van het onrechtmatig betaalde of geschonken bedrag.

In de detailhandel is de niet-aanvaarding van eurobankbiljetten en –muntstukken in principe te beschouwen als onwettige verkoopweigering en vormt het een oneerlijke handelspraktijk, tenzij er sprake is van goede trouw. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer een aangeboden coupure onevenredig hoger is dan het te betalen bedrag. Een bankbiljet met een waarde die meer dan het dubbele is van de rekening, zou op deze grond al kunnen worden geweigerd. Ook uitzonderlijke en tijdelijke veiligheidsredenen, zoals overvalgevaar, vormen een geldig weigeringsmotief, voor zover een en ander duidelijk is aangegeven aan de ingang en bij de kassa. Een derde grond voor weigering ter goeder trouw is wanneer er ernstige aanwijzingen zijn dat een aangeboden biljet vals is of wanneer het beschadigd is. Wat onder geen enkele omstandigheid mag, is een prijsverhoging omdat de consument contant wenst te betalen (inbreuk op artikel VI.4 WER).

Ondernemingen mogen sinds 2014 cashbetalingen afronden op vijf eurocent. In 2019 werd dit zelfs een verplichting (artt. VI.7/1 - VI.7/3 WER).[6] De maatregel was bedoeld om niet langer stelselmatig stukken van 1 en 2 cent te moeten bijmaken, maar deze munten bleven voor het overige in omloop en geldig.